Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AU0484

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-04-2005
Datum publicatie
11-08-2005
Zaaknummer
23-003984-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich in een zeer korte periode (ruim een maand) schuldig gemaakt aan vier gewapende overvallen in vereniging, een eveneens gewapende afpersing en een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht met gebruikmaking van een pistool. Bij een aantal van de overvallen is naast bedreiging met geweld ook daadwerkelijk geweld toegepast.Veroordeling tot 5 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

rolnummer: 23-003984-04

datum uitspraak: 1 april 2005

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 14 september 2004 in de strafzaak onder de parketnummers 13-127088-04 en 13-047885-03 (TUL) van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1984],

thans gedetineerd in PI Flevoland - HvB Almere Binnen te Almere.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van het openbaar ministerie is, blijkens mededeling van de advocaat-generaal op de terechtzitting, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde en ten aanzien van de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging.

Het hoger beroep van de verdachte is, blijkens mededeling van de raadsman op de terechtzitting, evenmin gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde en ten aanzien van de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 17 juni 2004, 26 augustus 2004, 30 augustus 2004 en 31 augustus 2004 en in hoger beroep van 4 maart 2005, 11 maart 2005 en 18 maart 2005.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 26 augustus 2004 op vordering van de officier van justitie toegestane aanpassing tenlastelegging.

Van die aangepaste tenlastelegging is een kopie in dit arrest gevoegd. Voorzover in hoger beroep nog aan de orde wordt die hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- kan niet in stand blijven, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de eerste rechter.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

Ten aanzien van het onder 1 bewezengeachte:

hij op 29 januari 2004 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag en een mobiele telefoon, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [benadeelde 1], welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en zijn mededaders een vuurwapen hebben gedrukt tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1];

Ten aanzien van het onder 2 bewezengeachte:

hij op 11 februari 2004 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag en beltegoedkaarten en een mobiele telefoon en een portemonnee, toebehorende aan belwinkel Skyline en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij en zijn mededaders een vuurwapen op die [slachtoffer 2] hebben gericht en dreigend de woorden hebben toegevoegd: "Geld, geld! Geef geld, geef je portemonnee anders maak ik je dood" en "Open de kassa", en die [slachtoffer 3] in het gezicht hebben geslagen of gestompt;

Ten aanzien van het onder 3 bewezengeachte:

hij op 3 februari 2004 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag en een mobiele telefoon (merk Ericson) en een tas (met daarin sleutels, een rijbewijs, bankpasjes en een geldbedrag) toebehorende aan Far Tours en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 4] en voornoemde [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en zijn mededaders

- een vuurwapen op die [slachtoffer 4] hebben gericht

- dat vuurwapen tegen de nek van die [slachtoffer 4] hebben gedrukt en die [slachtoffer 4] meermalen in de nek en tegen het gezicht hebben geslagen en

- met kracht aan de tas van voornoemde [slachtoffer 5] hebben getrokken en

- die [slachtoffer 4] met kracht tegen het achterhoofd hebben geslagen;

Ten aanzien van het onder 4 bewezengeachte:

hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 14 februari 2004 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit belwinkel "Minisuper en belhuis Azaan", gevestigd [adres], heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Samsung) en telefoonkaarten, toebehorende aan [benadeelde 2], welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 6] en een onbekend gebleven persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededaders vuurwapens op die [slachtoffer 6] en die onbekend gebleven persoon hebben gericht en hebben gezegd: "Dit is een overval, kassa open, zakken leeg";

Ten aanzien van het onder 6 bewezengeachte:

hij op 9 januari 2004 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 5.395 euro, toebehorende aan [benadeelde 3], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij en zijn mededader een vuurwapen tegen het hoofd van [slachtoffer 7] hebben gezet en een vuurwapen in de richting van [slachtoffer 9] hebben gehouden;

Ten aanzien van het onder 7 bewezengeachte:

hij op 11 februari 2004 te Amsterdam [slachtoffer 10] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een pistool op die [slachtoffer 10] gericht en daarbij voornoemde [slachtoffer 10] dreigend de woorden toegevoegd: "Wat wil je nou, motherfucker, wat wil je, wat wil je motherfucker ik knal je gewoon neer".

Hetgeen 1, 2, 3, 4, 6 en 7 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

Ten aanzien van het onder 1 en 4 bewezengeachte telkens

Diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezengeachte telkens

Diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van het onder 6 bewezengeachte

Medeplegen van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van het onder 7 bewezengeachte

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank te Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar met aftrek van voorarrest en onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen voorwerpen.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregelen als de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich in een zeer korte periode (ruim een maand) schuldig gemaakt aan vier gewapende overvallen in vereniging, een eveneens gewapende afpersing en een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht met gebruikmaking van een pistool. Bij een aantal van de overvallen is naast bedreiging met geweld ook daadwerkelijk geweld toegepast. Verdachte is er niet voor teruggeschrokken een vuurwapen aan de slachtoffers te tonen. Verontrustend is voorts de jeugdige leeftijd waarop verdachte de feiten heeft gepleegd.

Op deze bijzonder ernstige feiten dient te worden gereageerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zulks temeer omdat de ervaring leert, dat slachtoffers van dergelijke feiten veelal een langdurige en ernstige psychische nasleep van het gebeurde ondervinden.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Documentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 18 november 2004, is verdachte eerder ter zake van onder meer soortgelijke misdrijven veroordeeld. Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten liep verdachte nog in proeftijden van twee eerdere veroordelingen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof tevens rekening gehouden met de inhoud van het rapport van drs. E.J. Jongman, psycholoog/spychotherapeut, opgemaakt op 25 augustus 2004, inhoudende dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale trekken, gekenmerkt door gewetens en agressieproblematiek, opportunisme, gebrek aan empathie, grootheidsgevoelens, schijnaanpassing en ontkenning van problemen en negatieve gevoelens.

Niettemin kan verdachte, volgens Jongman, verantwoordelijk worden gehouden voor het tenlastegelegde, nu hij door zijn cognitieve en sociale vaardigheden de consequenties van zijn daden kan overzien.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het rapport van de Reclassering Nederland, ressort Amsterdam, opgemaakt op 9 januari 2004 door J. Mamadeus, reclasseringsmedewerker.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht het hof oplegging van een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerpen, die aan verdachte toebehoren en bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten zijn aangetroffen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar aangezien zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, terwijl zij kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde.

De vordering is in eerste aanleg afgewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 3000,00.

Het hof is van oordeel dat, mede gelet op het ontbreken van enige onderbouwing, de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Deze kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de benadeelde partij daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 2 tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 24.156,00 zoals door haar ook in eerste aanleg gevorderd.

Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezengeachte strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden bestaande uit een telefoon NOKIA ter waarde van EUR 250,00, een portemonnee met geld EUR 76,00, alsmede een bedrag van EUR 180,00.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van EUR 506,00 aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 3 tenlastegelegde.

De vordering is in eerste aanleg toegewezen tot een bedrag van EUR 1250,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezengeachte strafbare feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van EUR 1.250.00 aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 3 tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen tot een bedrag van EUR 1249,00 en $ 300,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 3998,02 en $300,00 zoals door haar ook in eerste aanleg gevorderd.

Het hof is van oordeel dat een deel van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezengeachte strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden, bestaande uit een telefoon van EUR 99,95, immateriële schade, begroot op

EUR 1000,00 en het equivalent van $ 300,00, geschat op een tegenwaarde van EUR 240,00.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van het toegewezen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van EUR 1339,95 aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Het hof zal de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 6 tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering, ter hoogte van EUR 1000,00, is in eerste aanleg toegewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 1000,00.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 6 bewezengeachte strafbare feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van het toegewezen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van EUR 1000,00 aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 5 tenlastegelegde.

De benadeelde partij is in eerste aanleg niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 917,23.

Nu verdachte in eerste aanleg van het onder 5 tenlastegelegde feit is vrijgesproken en dit feit in hoger beroep niet aan het oordeel van het hof onderworpen, dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d, 36f, 47, 57, 285 (oud), 312 (oud) en 317 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, 3, 4, 6 en 7 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 1]:

Verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 2]:

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien (en voorzover) de een aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan (in zoverre) zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], rekeningnummer [rekeningnummer], een bedrag van EUR 506,00 (vijfhonderdzes euro), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som gelds, groot EUR 506,00 (vijfhonderdzes euro), zulks ten behoeve van [slachtoffer 2] voornoemd.

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 (twee) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 4]:

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien (en voorzover) de een aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan (in zoverre) zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 4], wonende te [woonplaats], rekeningnummer [rekeningnummer], een bedrag van EUR 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som gelds, groot EUR 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro), zulks ten behoeve van [slachtoffer 4] voornoemd.

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 (vijf) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 5]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte, die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien (en voorzover) de een aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan (in zoverre) zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 5], wonende te [woonplaats], rekeningnummer [rekeningnummer], een bedrag van EUR 1.339,95 (duizend driehonderdnegenendertig euro en vijfennegentig cent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som gelds, groot EUR 1.339,95 (duizend driehonderdnegenendertig euro en vijfennegentig cent), zulks ten behoeve van [slachtoffer 5] voornoemd.

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur duur van 5 (vijf) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 7]:

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien (en voorzover) de een aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan (in zoverre) zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 7], wonende te [woonplaats], rekeningnummer [rekeningnummer], een bedrag van EUR 1.000,00 (duizend euro), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som gelds, groot EUR 1000,00 (duizend euro), zulks ten behoeve van [slachtoffer 7] voornoemd.

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering.

Onttrekt aan het verkeer de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

-1.00 STK Pistool Kl: zwart, luchtdruk (2269236)

- 1.00 BUS Traangas (c003) (2269530).

Gelast de teruggave aan de respectieve uitgevende instanties van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

van de op de aan dit arrests aangehechte beslaglijst genoemde goederen met de nummers 20, 22, 23, 27, 33 en 40 tot en met 43.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

van de op de aan dit arrest aangehechte beslaglijst genoemde goederen met de nummers 4 tot en met 12, 18, 24 en 26.

Gelast de bewaring van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende, te weten:

van de op aan dit arrest aangehechte beslaglijst genoemde goederen met de nummers 25, 35 en 45 tot en met 56.

Dit arrest is gewezen door de 7e meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Van Woensel, IJland-van Veen en Ludwig, in tegenwoordigheid van Bekker-van der Molen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 april 2005.

Mr. IJland-van Veen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.