Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AU0360

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-05-2005
Datum publicatie
11-08-2005
Zaaknummer
23-000871-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende geruime tijd deelgenomen aan criminele organisaties die zich bezighielden met het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, dan wel het buiten het grondgebied van Nederland brengen van pillen bevattende MDMA. Hierbij werd de cocaïne via koffers en bloemenvracht het grondgebied van Nederland binnengesmokkeld. De pillen werden per auto naar België vervoerd en daar vandaan in postpakketten verzonden naar de Verenigde Staten. Daarnaast heeft verdachte voorbereidingshandelingen gepleegd met betrekking tot de voornoemde in- en uitvoer van verdovende middelen. Veroordeling tot 10 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2, geldigheid: 2005-05-09
Opiumwet 10, geldigheid: 2005-05-09
Wetboek van Strafrecht 140, geldigheid: 2005-05-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer:

rolnummer: 23-000871-03

datum uitspraak: 9 mei 2005

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 10 februari 2003 in de strafzaak onder parketnummer 15-094018-02 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd in PI Rijnmond, HvB De Schie, Rotterdam te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 12 november 2002, 16 januari 2003, 24 januari 2003 en 27 januari 2003 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 22 september 2003, 6 november 2003, 4 december 2003,

19 februari 2004, 17 mei 2004, 12 augustus 2004, 4 november 2004, 18 november 2004,

22 november 2004, 9 december 2004, 14 april 2005 en 25 april 2005.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouwe naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 12 november 2002 op vordering van de officier van justitie en de op de terechtzitting in hoger beroep van 4 november 2004 op vordering van de advocaat-generaal toegestane wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bespreking van de ter terechtzitting gevoerde verweren

Door de raadsvrouw is allereerst betoogd - kort samengevat - dat in de verslaglegging van het onderzoek de loop van de verdenking tegen haar cliënt en de herkomst van de daarbij gebruikte informatie niet volledig en/of niet toetsbaar is weergegeven. De raadsvrouw merkt daarbij op dat op niet nader te traceren wijze informatie is uitgewisseld tussen het Isocat-onderzoek en met name het Xenon-onderzoek van het kernteam Haaglanden.

Het hof overweegt te dien aanzien het volgende.

Uit het verhandelde ter zitting en de inhoud van het dossier komt het volgende naar voren.

Het Kernteam Randstad Noord en Midden (KTR) heeft op 24 november 1998 het zogenaamde Cargo-onderzoek naar de invoer van verdovende middelen op Schiphol overgenomen en voortgezet als het Isocat-onderzoek. Dit onderzoek is op 18 januari 1999 aangemeld bij Meldpunt Recherche Onderzoeken en opgenomen in de verwijzingsindex Recherche Onderzoeken en Subjecten (VROS). Vervolgens is het projectvoorstel op 11 mei 2000 ingediend en is het onderzoek na een lange voorbereidingsfase in oktober 2000 daadwerkelijk operationeel van start gegaan. Naar aanleiding van een mededeling van de DEA over het aantreffen in juni 1999 in Paramaribo van twee KLM-cateringtrolleys bestemd voor het vervoer van cocaïne, is

[medeverdachte] bij VROS aangemerkt als eerste onderzoekssubject.

Op [medeverdachte] is veel telecommunicatie-onderzoek gedaan en is (stelselmatige) observatie verricht. Daarvan is verslag gedaan in het methodieken-procesverbaal (0-Meth-001) en in een weergave van de gebruikte opsporingsmiddelen. Tevens is telkens met toestemming informatie opgevraagd uit andere lopende dan wel reeds afgesloten onderzoeken, te weten Knuffel en Bor-2 (beide uitgevoerd door de regiopolitie Amsterdam-Amstelland), Falx en Xenon (beide uitgevoerd door het kernteam Haaglanden/Prismateam) en Piercing (uitgevoerd door de regiopolitie Zaanstreek-Waterland).

Ten aanzien van verdachte blijkt dat hij al in een vroeg stadium van het onderzoek is opgevallen als nauw contact van [medeverdachte].

Onder 0-AH-065 is het proces-verbaal identificatie [verdachte], opgemaakt 2 januari 2001 door [verbalisant 1], proces-verbaal coördinator opgenomen. Dit proces-verbaal maakt melding van een drietal onderzoekgegevens, te weten

-(a) [medeverdachte] werd op 15 oktober 2000 samen met [verdachte] te Detroit (VS) aangehouden omdat hij teveel contant geld bij zich had;

- (b) [medeverdachte] heeft veelvuldig telefonisch contact gehad met ene [verdachte], ook wel "Kleine" genoemd; deze [verdachte] maakt in november en december 2000 gebruik van telefoonnummers ten name van [naam 1] en [naam 2] en vanaf 21 december 2000 van een 06-nummer ten name van [verdachte], wonende [adres] te [woonplaats], op welk adres (zo blijkt uit de opgave GBA opgenomen in het dossier onder nr 0-AH-64) staat ingeschreven [verdachte];

- (c) een observatieverslag van 18 december 2000 waaruit blijkt dat [medeverdachte] contact heeft met een Surinaamse jongen, lengte ongeveer 1.65-1.70 m, die door een der observanten wordt herkend als [verdachte]. Tijdens die observatie zijn video-opnamen gemaakt van [medeverdachte] en verdachte die aan het tactisch team ter hand zijn gesteld.

Het hof stelt vast dat uit een rechtshulpverzoek, opgemaakt 24 november 2000, blijkt dat het onder a vermelde gegeven bekend is gemaakt door US Customs in een fax opgemaakt op 24 oktober 2000 ( 3-RVH-001). Verdachte heeft zich zelf door zijn veelvuldige contacten met [medeverdachte] als verdachte in beeld gebracht lopende het onderzoek in de zaak tegen [medeverdachte] voornoemd.

Het hof deelt niet het standpunt van de raadsvrouw dat de verslaglegging in het Isocat-onderzoek in algemene zin ondoorzichtig en niet toetsbaar is.

Door de raadsvrouw is betoogd dat de verdediging in haar belangen is geschaad door het feit dat er tegen haar cliënt geen bijzondere opsporingsmiddelen zijn ingezet zoals telefoontaps en observatie. Daardoor is immers niet vast te stellen dat haar cliënt niet dan wel niet in de door het openbaar ministerie veronderstelde mate betrokken was bij de tenlastegelegde feiten.

Het hof is van oordeel, dat verdachte niet in een rechtens te beschermen belang is geschaad door het enkele feit dat op zijn naam geen bijzondere opsporingsmiddelen zijn ingezet, uitzonderingen daargelaten waarvan het hof niet is gebleken.

Ten aanzien van feit 1 en in samenhang daarmee feit 6 heeft de raadsvrouw betoogd, dat van het bewijs moet worden uitgesloten de fax d.d. 17 maart 2001, verstuurd 10.03 uur, die bij de huiszoeking op 19 december 2001 te Barranquilla in Colombia in het kader van het Xenon-onderzoek/ kernteam Haaglanden in de woning van [betrokkene] is aangetroffen, nu niet duidelijk is op welke titel de daar aangetroffen fax is overgedragen aan het Isocat-team en het er volgens haar voor moet worden gehouden, dat de zoeking in Colombia mede in het kader van het Isocat-onderzoek heeft plaatsgevonden.

Het hof stelt vast dat het in de voorbereidende fase van het Isocat-onderzoek reeds bij de opsporingsdiensten bekend was, dat [medeverdachte] een contactpersoon was van verdachten in het Falx-onderzoek van het kernteam Haaglanden (0-AH-003-Falx) en dat het in de operationele fase van het Isocat-onderzoek bekend werd dat [medeverdachte] voornoemd eveneens een contactpersoon was van verdachten in het in december 2000 bij kernteam Haaglanden gestarte Xenon-onderzoek. In het Xenon-onderzoek kwam ook verdachte [verdachte] naar voren. Met toestemming zijn relevante onderzoekgegevens uit die onderzoeken overgedragen aan het Isocat-team en zijn tapgesprekken onderling met elkaar in verband gebracht.

Ter terechtzitting van het hof van 4 december 2003 zijn onder meer hierover de getuigen [verbalisant 2], tactisch coördinator bij het Kernteam Randstad Noord en Midden en [verbalisant 3], inspecteur van politie bij het kernteam Haaglanden/ Hollands Midden gehoord.

[verbalisant 3] heeft, verkort en zakelijk weergegeven, verklaard dat hij als deelprojectleider betrokken is geweest bij het Falx-onderzoek en het Xenon-onderzoek. Ook is hij betrokken geweest bij de uitwisseling van informatie met het Isocat-team. Die uitwisseling vond plaats gedurende het gehele operationele onderzoek en betrof de wederzijdse subjecten voor zover dat relevant was. Beide getuigen hebben bij gelegenheid van hun verhoor verklaard dat er tevoren over de doorzoeking van de woning van [betrokkene] voornoemd in het kader van het Xenon-onderzoek geen overleg is geweest met het opsporingsteam dat bezig was met het Isocat-onderzoek.

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden, die het hof aanleiding geven om aan de juistheid van hun verklaringen terzake te twijfelen.

Op enig moment na de doorzoeking is vanuit het Isocat-team belangstelling ontstaan voor een fax gericht aan [alias 1], nu in het Isocat-onderzoek bleek dat verdachte zich - met name tegenover Spaanssprekende contacten - [alias 1] noemde; een en ander kan worden opgemaakt uit het proces-verbaal identificatie [alias 2] en [alias 1] d.d. 13 januari 2002, opgemaakt naar aanleiding van nader onderzoek naar de uitvoer van verdovende middelen naar de Verenigde Staten, de zaak Miami (0-AH-066).

Het hof verwerpt op grond van het hiervoor overwogene het verweer van de verdediging en zal voormelde fax niet uitsluiten van het bewijs.

Ten aanzien van de feiten 2, 3 en in samenhang daarmee feit 6 heeft de raadsvrouw betoogd dat al hetgeen in zaaksdossier 3.1 betrekking heeft op de uitvoer van synthetische drugs naar de Verenigde Staten van bewijs moet worden uitgesloten nu niet duidelijk is op welk moment in het Isocat-onderzoek werd aangenomen dat haar cliënt en [medeverdachte], dan wel [alias 2] en [alias 1], betrokken waren bij de transactie in verdovende middelen in Miami waarbij [betrokkene 2] op 23 oktober 2000 is aangehouden en derhalve de samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de Nederlandse en Amerikaanse autoriteiten onduidelijk blijft. De raadsvrouw baseert zich hierbij op een opmerking van getuige [getuige 1], special agent te Miami, in zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 17 oktober 2002, waarin hij verklaart dat hij in november 2000 door de liaison officer [naam 3] was ingelicht over de betrokkenheid van twee Nederlanders bij de transactie waarbij [betrokkene 2] was aangehouden.

Over de gang van zaken rond de uitwisseling van informatie zijn een aantal getuigen gehoord.

Op 20 december 2002 is bij de rechter-commissaris gehoord de getuige [verbalisant 4], informatie coördinator van de KLPD. Uit dat verhoor blijkt dat [verbalisant 4] naar aanleiding van een observatie op 9 november 2000 de naam [betrokkene 2] heeft nagetrokken, waarna hij uiteindelijk van [getuige 1] vernam dat deze [betrokkene 2] op 23 oktober 2000 was aangehouden in Miami in het bezit van 50.000 XTC-pillen. Er is via het CRI meermalen contact geweest met [getuige 1], en [verbalisant 4] heeft in een later stadium, vermoedelijk april 2001, het contact overgedragen aan [verbalisant 5], inspecteur van politie en operationeel werkzaam in het Isocat-onderzoek. [verbalisant 5] is hierover op 10 januari 2003 gehoord als getuige door de rechter-commissaris. [verbalisant 5] verklaart dat [verbalisant 4] hem bij de overdracht had verteld dat er in Amerika iemand was aangehouden in verband met het afleveren van XTC en dat deze persoon had verklaard over mogelijke betrokkenheid van Nederlandse personen. Vervolgens heeft [getuige 1] hem verteld dat [betrokkene 2] twee bijnamen van die personen had genoemd, te weten [alias 1] en [alias 2]. Later heeft het telefonisch verhoor van [betrokkene 2] plaatsgevonden op 26 april 2001, in welk verhoor de namen [alias 1] en [alias 2] zijn bevestigd.

Er zijn naar het oordeel van het hof geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van hetgeen voornoemde getuigen hebben verklaard.

Het hof ziet - gelet op het hiervoor overwogene - geen reden de onderzoekgegevens die betrekking hebben op de uitvoer naar de VS van verdovende middelen van het bewijs uit te sluiten. Het verweer wordt verworpen.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij

ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

in en omstreeks de periode van 1 maart 2001 tot en met 18 maart 2001, in Nederland meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten:

het tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen, telkens met medeverdachten:

- afspraken heeft gemaakt over de wijze waarop de cocaïne (via de bloemenvracht) binnen Nederland zou worden gebracht en

- afspraken heeft gemaakt over het tijdstip waarop de cocaïne naar Nederland zou worden vervoerd,

en aldus telkens zich en anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van voornoemde feiten heeft trachten te verschaffen;

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

in de periode van 1 oktober 2000 tot en met 1 april 2001 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (te weten naar België en de Verenigde Staten) heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA;

ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

in de periode van 1 oktober 2000 tot en met 1 april 2001 in Nederland, meermalen tezamen en in vereniging met anderen, om een feit als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten:

het tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid pillen bevattende MDMA, voor te bereiden en/of te bevorderen,

telkens met medeverdachten:

- afspraken heeft gemaakt over de wijze waarop die pillen buiten het grondgebied van Nederland zouden worden vervoerd en

- afspraken heeft gemaakt over het tijdstip waarop die pillen buiten het grondgebied van Nederland zouden worden vervoerd,

en aldus telkens zich en anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van voornoemde feiten heeft trachten te verschaffen;

ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde

in de periode van 1 januari 2001 tot en met 26 februari 2002 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in koffers, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;

ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde

in de periode van 1 januari 2001 tot en met 26 februari 2002 in Nederland, meermalen tezamen en in vereniging met anderen, om een feit als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten:

het tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

telkens met medeverdachten:

- afspraken heeft gemaakt over de wijze waarop de cocaïne (via koffers) binnen Nederland zou worden gebracht en

- afspraken heeft gemaakt over het tijdstip waarop de cocaïne naar Nederland zou worden vervoerd,

en aldus telkens zich en anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van voornoemde feiten heeft trachten te verschaffen;

ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde

in de periode van 1 januari 1999 tot en met 26 februari 2002 in Nederland heeft deelgenomen aan organisaties, welke organisaties telkens bestonden uit hem, verdachte, en andere natuurlijke personen, en welke organisaties telkens het plegen van misdrijven tot oogmerk hadden, te weten:

A. een organisatie die bestond uit verdachte en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen (in bloemenvracht) van hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne,

en

het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet met betrekking tot die hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne;

B. een organisatie die bestond uit verdachte en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen (in koffers) van hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne,

en

het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet met betrekking tot die hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne;

C. een organisatie die bestond uit verdachte en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden pillen, bevattende MDMA,

en

het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet met betrekking tot die hoeveelheden van een materiaal bevattende een middel vermeld op lijst I bij de Opiumwet.

Hetgeen onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

ten aanzien van het onder 1, 3 en 5 bewezengeachte

medeplegen van een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd

ten aanzien van het onder 2 en 4 bewezengeachte

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

ten aanzien van het onder 6 bewezengeachte

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, meermalen gepleegd

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank te Haarlem heeft de verdachte veroordeeld ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek en een geldboete van ? 5.000,- met een vervangende hechtenis voor de duur van 100 dagen.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde - rekening houdende met een overschrijding van de redelijke termijn - tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en 10 maanden met aftrek alsmde een geldboete van ? 5.000,- met vervangende hechtenis voor de duur van 100 dagen en voorts dat omtrent het beslag een beslissing wordt genomen zoals is neergelegd in de bij de vordering gevoegde beslaglijst.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft gedurende geruime tijd deelgenomen aan criminele organisaties die zich bezighielden met het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, dan wel het buiten het grondgebied van Nederland brengen van pillen bevattende MDMA. Hierbij werd de cocaïne via koffers en bloemenvracht het grondgebied van Nederland binnengesmokkeld. De pillen werden per auto naar België vervoerd en daar vandaan in postpakketten verzonden naar de Verenigde Staten. Daarnaast heeft verdachte voorbereidingshandelingen gepleegd met betrekking tot de voornoemde in- en uitvoer van verdovende middelen. De in- en uitgevoerde hoeveelheden waren van dien aard dat deze kennelijk bestemd zijn geweest voor de handel en verdere verspreiding.

Cocaïne en MDMA zijn voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen. De handel in deze verdovende middelen gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit.

Criminele organisaties als de onderhavige ondermijnen de rechtsorde vanwege hun misdadige oogmerk, hun grote winsten waarover geen belasting wordt betaald en daarmee samenhangende (illegale) handelingen. Verdachte heeft binnen deze criminele organisaties een coördinerende en uitvoerende rol gespeeld, waarbij hij contacten onderhield met (tussen)personen in Nederland en in de aanvoer- of bronlanden van cocaïne. Gelet op de omvang van zijn rol binnen de criminele organisaties, moet verdachte als een van de leidinggevenden worden beschouwd.

Gebleken is dat bij in ieder geval één transport de cocaïne is verstopt in de koffer van een onwetende passagier, die daadwerkelijk is aangehouden als verdachte. Dat deze passagier niet is vervolgd wegens overtreding van de opiumwet is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte te danken is.

Verdachte heeft anderen het risico laten lopen van de feitelijke verdovende middelentransporten en heeft zelf geprofiteerd van het handelen van anderen en het criminele circuit in stand gehouden en gestimuleerd. Voorts heeft verdachte het vertrouwen in een correcte afhandeling door luchtvaartmaatschappijen van aan hen afgegeven bagage ernstig geschaad. Daarnaast heeft verdachte verdere schade toegebracht aan de reputatie van Nederland op het gebied van de handel in synthetische drugs.

Het hof rekent bovenstaande feiten verdachte zwaar aan, temeer nu blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatiedienst van 14 maart 2005, verdachte eerder ter zake van soortgelijke delicten is veroordeeld.

Met het openbaar ministerie en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit is onder meer te wijten aan het feit dat er in de hoger beroep fase tijdrovende onderzoekshandelingen hebben plaatsgevonden in de zaak tegen verdachte. Echter, nu de totale berechtingstermijn van de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg en in hoger beroep binnen een termijn van vier jaren is gebleven, kan naar het oordeel van het hof worden volstaan met de constatering dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de hoger beroep fase.

De hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerpen, die verdachte geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden, dienen te worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien de voorwerpen zijn vervaardigd of bestemd tot het begaan van het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 bewezengeachte.

De hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerpen, die aan verdachte toebehoren en bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten dan wel de feiten waarvan hij wordt verdacht zijn aangetroffen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar aangezien zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, terwijl zij kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing van soortgelijke feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 (oud), 10 (oud) en 10a van de Opiumwet.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Onttrekt aan het verkeer de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: drie (mogelijk XTC-)pillen.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

foto's van plafond toilet, foto's van toilet, tekening van bloemendoos en cilinder, A-4 met beschrijving Shrink Foll.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. De Vries, Van Atteveld en Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. Van Harten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 mei 2005.

Mr. Van Harten is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.