Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AU0359

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-05-2005
Datum publicatie
11-08-2005
Zaaknummer
23-000877-03
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2003:AF4484
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AY7760
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2006:AY7760
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende geruime tijd deelgenomen aan criminele organisaties die zich bezighielden met het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, dan wel het buiten het grondgebied van Nederland brengen van pillen bevattende MDMA. Hierbij werd de cocaïne via koffers, cateringtrolleys en bloemenvracht het grondgebied van Nederland binnengesmokkeld. De pillen werden per auto naar België vervoerd en daar vandaan in postpakketten verzonden naar de Verenigde Staten. Veroordeling tot 14 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2, geldigheid: 2005-05-09
Opiumwet 10, geldigheid: 2005-05-09
Wetboek van Strafrecht 140, geldigheid: 2005-05-09
Wetboek van Strafrecht 552x, geldigheid: 2005-05-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer:

rolnummer: 23-000877-03

datum uitspraak: 9 mei 2005

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 10 februari 2003 in de strafzaak onder parketnummer 15-094181-99 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te distrikt [geboorteplaats] op [1964],

wonende te [adres], [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Midden Holland, HvB Haarlem te Haarlem.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 14 november 2002, 16 januari 2003, 24 januari 2003 en 27 januari 2003 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 22 september 2003, 6 november 2003, 4 december 2003,

19 februari 2004, 17 mei 2004, 12 augustus 2004, 4 november 2004, 18 november 2004,

22 november 2004, 9 december 2004, 14 april 2005 en 25 april 2005.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouwe naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzittingen in eerste aanleg van 14 november 2002 en 24 januari 2003 op vordering van de officier van justitie en de op de terechtzitting in hoger beroep van

4 november 2004 op vordering van de advocaat-generaal toegestane wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verweer niet-ontvankelijkheid OM

De verdediging heeft het verweer gevoerd, bij op schrift gesteld pleidooi en door de raadsvrouw ter zitting van het hof van 25 april 2005 mondeling aangevuld, dat het Openbaar Ministerie voor wat betreft feit 10 van de tenlastelegging niet ontvankelijk moet worden verklaard. Het openbaar ministerie heeft - kort en zakelijk weergegeven - na een aanvankelijke weigering de strafvervolging van het daarin weergegeven strafbare feit (feit 10 van de dagvaarding) van Duitsland over te nemen, zonder dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, alsnog ingestemd met overname van de strafvervolging, en derhalve in strijd met de wet gehandeld.

Het hof overweegt daartoe het navolgende. De overname van strafvervolging is geregeld in Boek IV, titel X, derde afdeling, paragraaf 2 (artikel 552x e.v.) van het Wetboek van Strafvordering. De raadsvrouw van de verdachte heeft niet geconcretiseerd welke bepaling of rechtsregel vereist dat eerst na het bestaan van nieuwe feiten en omstandigheden alsnog, na een aanvankelijke weigering, tot overname van strafvordering kan worden besloten. Van een schending van de wettelijke regeling is het hof niet gebleken. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij

ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

in de periode van 1 januari 1999 tot en met 21 juni 1999 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, met behulp van/in cateringtrolleys, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

in de periode van 1 januari 1999 tot en met 21 juni 1999 in Nederland en in Zuid-Amerika, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten:

het tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen (met behulp van cateringtrolleys) van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een woning in Paramaribo, waar het prepareren van trolleys plaatsvond, ter beschikking heeft gesteld en

telkens met medeverdachten:

- afspraken heeft gemaakt over de wijze waarop de cocaïne (met behulp van cateringtrolleys) binnen Nederland zou worden gebracht en

- afspraken heeft gemaakt over het tijdstip waarop de cocaïne naar Nederland zou worden vervoerd,

en aldus telkens zich en anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van voornoemde feiten heeft trachten te verschaffen;

ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

in de periode van 1 januari 2000 tot en met 26 februari 2002 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, middels bloemenvracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;

ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde

in de periode van 1 januari 2000 tot en met 26 februari 2002 in Nederland meermalen tezamen en in vereniging met anderen, om een feit als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten:

het tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

telkens met medeverdachten:

- afspraken heeft gemaakt over de wijze waarop de cocaïne (via de bloemenvracht) binnen Nederland zou worden gebracht en

- afspraken heeft gemaakt over het tijdstip waarop de cocaïne naar Nederland zou worden vervoerd,

en aldus telkens zich en anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van voornoemde feiten heeft trachten te verschaffen;

ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde

in de periode van 1 oktober 2000 tot en met 1 april 2001 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (te weten naar België en de Verenigde Staten) heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA;

ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde

in de periode van 1 oktober 2000 tot en met 1 april 2001 in Nederland, meermalen tezamen en in vereniging met anderen, om een feit als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten:

het tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid pillen bevattende MDMA, voor te bereiden en/of te bevorderen,

telkens met medeverdachten:

- afspraken heeft gemaakt over de wijze waarop die pillen buiten het grondgebied van Nederland zouden worden vervoerd en

- afspraken heeft gemaakt over het tijdstip waarop die pillen buiten het grondgebied van Nederland zouden worden vervoerd,

en aldus telkens zich en anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van voornoemde feiten heeft trachten te verschaffen;

ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde

in de periode van 1 januari 2001 tot en met 26 februari 2002 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in koffers, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;

ten aanzien van het onder 8 tenlastegelegde

in de periode van 1 januari 2001 tot en met 26 februari 2002 in Nederland, meermalen tezamen en in vereniging met anderen, om een feit als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten:

het tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

telkens met medeverdachten:

- afspraken heeft gemaakt over de wijze waarop de cocaïne (via koffers) binnen Nederland zou worden gebracht en

- afspraken heeft gemaakt over het tijdstip waarop de cocaïne naar Nederland zou worden vervoerd,

en aldus telkens zich en anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van voornoemde feiten heeft trachten te verschaffen;

ten aanzien van het onder 9 tenlastegelegde

in de periode van 1 januari 1999 tot en met 26 februari 2002 in Nederland heeft deelgenomen aan organisaties, welke organisaties telkens bestonden uit hem, verdachte, en andere natuurlijke personen, en welke organisaties telkens het plegen van misdrijven tot oogmerk hadden, te weten:

A. een organisatie die bestond uit verdachte en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen (door middel van cateringtrolleys) van hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne,

en

het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet met betrekking tot die hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne;

B. een organisatie die bestond uit verdachte en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen (in bloemenvracht) van hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne,

en

het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet met betrekking tot die hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne;

C. een organisatie die bestond uit verdachte en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen (in koffers) van hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne,

en

het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet met betrekking tot die hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne;

D. een organisatie die bestond uit verdachte en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden pillen, bevattende MDMA,

en

het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet met betrekking tot die hoeveelheden van een materiaal bevattende een middel vermeld op lijst I bij de Opiumwet;

ten aanzien van het onder 10 tenlastegelegde

in de periode van 31 oktober 1997 tot en met 2 november 1997 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (te weten naar Duitsland) heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

ten aanzien van het onder 1, 3, 5, 7 en 10 bewezengeachte

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

ten aanzien van het onder 2, 4, 6 en 8 bewezengeachte

medeplegen van een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd

ten aanzien van het onder 9 bewezengeachte

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, meermalen gepleegd

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank te Haarlem heeft de verdachte veroordeeld ten aanzien van het hem onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 tenlastegelegde - rekening houdende met een overschrijding van de redelijke termijn - tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaar en 10 maanden met aftrek, en voorts dat omtrent het beslag een beslissing wordt genomen zoals is neergelegd in de bij de vordering gevoegde beslaglijst.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft gedurende geruime tijd deelgenomen aan criminele organisaties die zich bezighielden met het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, dan wel het buiten het grondgebied van Nederland brengen van pillen bevattende MDMA. Hierbij werd de cocaïne via koffers, cateringtrolleys en bloemenvracht het grondgebied van Nederland binnengesmokkeld. De pillen werden per auto naar België vervoerd en daar vandaan in postpakketten verzonden naar de Verenigde Staten. De in- en uitgevoerde hoeveelheden waren van dien aard dat deze kennelijk bestemd zijn geweest voor de handel en verdere verspreiding.

Daarnaast heeft verdachte voorbereidingshandelingen gepleegd met betrekking tot de voornoemde in- en uitvoer van verdovende middelen. Zo heeft verdachte zijn huis in Suriname ter beschikking gesteld teneinde aldaar cateringtrolleys te laten ontmantelen en te voorzien van pakketten cocaïne die vervolgens buiten medeweten van luchtvaartmaatschappijen binnen het grondgebied van Nederland werden gebracht.

Cocaïne en MDMA zijn voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen. De handel in deze verdovende middelen gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit.

Criminele organisaties als de onderhavige ondermijnen de rechtsorde vanwege hun misdadige oogmerk, hun grote winsten waarover geen belasting wordt betaald en daarmee samenhangende (illegale) handelingen. Verdachte heeft binnen deze criminele organisaties een centrale rol gespeeld, waarbij hij transporten initieerde en financierde en daarnaast contacten onderhield met (tussen)personen in Nederland en in de aanvoer- of bronlanden van cocaïne. Voorts droeg verdachte zorg voor betaling van bij deze activiteiten betrokken personen. Gelet op de omvang van zijn rol binnen de criminele organisaties, moet verdachte als een van de leidinggevenden, zo niet de leidinggevende worden beschouwd.

Gebleken is dat bij in ieder geval één transport de cocaïne is verstopt in de koffer van een onwetende passagier, die daadwerkelijk is aangehouden als verdachte. Dat deze passagier niet is vervolgd wegens overtreding van de opiumwet is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte te danken is.

Verdachte heeft anderen het risico laten lopen van de feitelijke verdovende middelen transporten en heeft zelf geprofiteerd van het handelen van anderen en het criminele circuit in stand gehouden en gestimuleerd. Voorts heeft verdachte het vertrouwen in een correcte afhandeling door luchtvaartmaatschappijen van aan hen afgegeven bagage ernstig geschaad. Daarnaast heeft verdachte verdere schade toegebracht aan de reputatie van Nederland op het gebied van de handel in synthetische drugs.

Het hof rekent bovenstaande feiten verdachte zwaar aan.

Met het openbaar ministerie en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit is onder meer te wijten aan de samenhang van deze strafzaak met de strafzaken van andere verdachten; in de zaak van een van de andere verdachten uit het Isocat-onderzoek zijn veel onderzoekshandelingen in de hoger beroep fase verricht, waarmee geruime tijd gemoeid is geweest. Echter, nu de totale berechtingstermijn van de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg en in hoger beroep binnen een termijn van vier jaren is gebleven, kan naar het oordeel van het hof worden volstaan met de constatering dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de hoger beroep fase.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatiedienst van 14 maart 2005, is verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

De hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerpen, die verdachte geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden, dienen te worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien de voorwerpen zijn vervaardigd of bestemd tot het begaan van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 bewezengeachte.

De hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerpen, die aan verdachte toebehoren en bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten dan wel de feiten waarvan hij wordt verdacht zijn aangetroffen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar aangezien zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, terwijl zij kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing van soortgelijke feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 (oud), 10 (oud) en 10a van de Opiumwet.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Onttrekt aan het verkeer de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een pistool reck G5 kaliber 9 mm pak nr. 30155;

- tien vermoedelijke gaspatronen;

- een papiertje met onbekende substantie, vermoedelijk verdovende middelen.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- notitieblaadjes;

- acceptgiro's met rek.nr. Fortis bank [rekeningnummer];

- een notitieblok Hema;

- zes pagina's berekeningen aflossingen;

- een klein adresboekje;

- een rode carlton koffer;

- administratieve bescheiden;

- diverse facturen;

- schriftelijke bescheiden met tel.nrs. en namen;

- kopieen van airwaybills en van AT Europe LTD;

- bescheiden;

- eigendomsbewijs autobedrijf o.n.v. [verdachte] te Guatemala;

- pukcode formulier Telfort;

- B&W prijslijst;

- rekening [adres];

- rekening KPN 1266;

- betalingsbewijs Selkam travel;

- een brief van [naam 1] namens [verdachte];

- een proces-verbaal uit Suriname;

- notitieblaadje met KLM logo en naam [naam 2];

- wit vel met namen van Europese voetbalclubs en achterzijde naam [naam 3];

- memobriefje met letters AMS PMV WO MP;

- stickervel met GOT HEL HAM;

- notitieblaadje met BULK KOFFER CARLOTON KINDERRUGTASSEN;

- Hi prepaid pakket nr. [telefoonnummer];

- notitieblaadje met nrs. 5732393369, 005732306214 en 32676176;

- agenda;

- twee visitekaartjes hotels / Miami;

- bagagelabel Martinair nr. MP530341;

- twee visitekaartjes [naam 4];

- drie visitekaartjes Reformahotel te Guatemala;

- visitekaartje [naam 5] te Guatemala;

- brief in tijdschrift t.a.v. de heer D.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- kledinglabels;

- een parkeervergunning 01-01-2002 / 31-03-2002 t.b.v. voertuig [kenteken];

- brieven gericht aan [verdachte] en foto's;

- vijf rollen tape;

- een (nog te ontwikkelen) fotorolletje;

- brief (elf kantjes) van [naam 1];

- een laptop (merk Compaq type M 700, serienr. 7 JS X 44 M 00T);

- een rijbewijs o.n.v. [verdachte];

- zwarte schoudertas.

Gelast de teruggave aan [naam 6] van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- drie acceptgiro's van het CJIB t.n.v. [naam 6].

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. De Vries, Van Atteveld en Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. Van Harten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 mei 2005.

Mr. Van Harten is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.