Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AU0352

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-04-2005
Datum publicatie
10-08-2005
Zaaknummer
23-004245-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezig hield met de invoer in Nederland van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne vanuit Venezuela en het verrichten van voorbereidingshandelingen tot de invoer van cocaïne in Nederland.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Wetboek van Strafrecht 140
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-004245-03

datum uitspraak 14 april 2005

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 13 november 2003 in de strafzaak onder parketnummer 15/094023-03 van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1948],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres: [adres], [woonplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Midden Holland,

Huis van Bewaring Haarlem te Haarlem.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 27 oktober 2003 en 30 oktober 2003 en in hoger beroep van 5 oktober 2004, 16 december 2004, 1 februari 2005, 10 maart 2005 en 31 maart 2005.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 2005 op vordering van de advocaat-generaal toegestane wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof zich hiermee niet verenigt.

Ter terechtzitting gevoerde verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep -kort samengevat- de volgende verweren gevoerd.

1. -primair- De verdachte heeft geen opzet gehad op het invoeren van cocaïne. De opzet van de verdachte was gericht op het invoeren van waardepapieren, blijkens de verklaringen van hemzelf en ook van zijn schoonzoon [medeverdachte 1].

2. -subsidiair- De verdachte heeft pas gehandeld nádat de cocaïne in beslag is genomen en deze handelingen kunnen geen betrekking meer hebben op de invoer van cocaïne in Nederland. Derhalve kan er alleen van medeplichtigheid, en niet van medeplegen sprake zijn.

3. -meer subsidiair- De verdachte dient te worden vrijgesproken van de transporten van 27 oktober 2002 en 3 november 2002. De schoonzoon van de verdachte, [medeverdachte 1], heeft verklaard dat hij tijdens een ontmoeting met [medeverdachte 2] heeft gevraagd waar al de drukte voor nodig is, nadat een koffer in beslag was genomen. Volgens de raadsman blijkt hieruit dat [medeverdachte 1] pas ná 3 november 2002 op de hoogte is gekomen van de werkelijke inhoud van de koffers. De raadsman stelt dat als [medeverdachte 1] tot en met 3 november 2002 niet heeft geweten wat de werkelijke inhoud van de koffers was, dit dan ook opgaat voor de verdachte.

Het hof overweegt met betrekking tot het primair gevoerde verweer het volgende.

Uit de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is het door de raadsman primair gestelde niet aannemelijk geworden. Ook al heeft de verdachte de inhoud van de koffers niet direct kunnen waarnemen, uit met name de afgeluisterde telefoongesprekken (waarin met gebruik van versluierde taal werd gesproken als men sprak over cocaïne of over de handel daarin) en de wijze waarop de transporten telkens plaatsvonden zoals uit het dossier blijkt, leidt het hof af dat de verdachte, evenals [medeverdachte 1], wel degelijk op de hoogte was van het feit dat het ging om cocaïne die in Nederland zou worden ingevoerd. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Met betrekking tot het subsidiair gevoerde verweer overweegt het hof het volgende.

In onderling verband en samenhang bezien blijkt uit de bewijsmiddelen, met name uit de afgeluisterde telefoongesprekken (zoals de gesprekken op respectievelijk 23 oktober 2002 (nr. 450), 24 oktober 2002 (nr. 472) betreffende het transport op of omstreeks 27 oktober 2002; 30 oktober 2002 (nr. 850), 2 november 2002 (nr. 1047) en een fax vanuit de huislijn van [medeverdachte 2] verzonden op 2 november 2002 te 19.23 uur betreffende het transport op 3 november 2002, en 7 november 2002 (nr. 1303), in combinatie met de verklaring van [medeverdachte 1] van 27 februari 2003 (blz. 109-116) betreffende het transport op 8 november 2002, het telefoongesprek op 21 november 2002 (nr. 15), en de verklaring van [medeverdachte 1] van 27 februari 2003 (blz. 102-108) aangaande de rol van de verdachte en uit observaties van 15 oktober 2002), dat de verdachte niet slechts heeft gehandeld nádat de cocaïne in beslag is genomen. Bovendien is bij de invoer van de cocaïne sprake geweest van een zodanig nauwe en volledige samenwerking met de medeverdachten dat sprake is van medeplegen. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Het hof overweegt met betrekking tot het meer subsidiair gevoerde verweer het volgende.

Op grond van de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat de verdachte bij de transporten van 27 oktober 2002 en 3 november 2002 (nog) niet wist dat het om cocaïne ging.

Het hof leidt uit de volgende omstandigheden af dat verdachte daarvan wel degelijk op de hoogte was:

- afgeluisterde telefoongesprekken, waaraan de verdachte met grote regelmaat prominent deelnam, waarin in versluierde taal werd gesproken over cocaïne, de hoeveelheid cocaïne, de wijze van vervoer en de kenmerken van de daarbij gebruikte koffers;

- de ontmoetingen in horecagelegenheden van de verdachte met medeverdachten in de periode rond medio oktober 2002 en begin november 2002;

zulks in samenhang met de nadien gevoerde en afgeluisterde telefoongesprekken met betrekking tot transporten alsmede de gerelateerde observaties van ontmoetingen tussen de verdachte en medeverdachten, die erop wijzen dat de modus operandi bij de transporten van 27 oktober 2002, 3, 8 en 22 november 2002 hetzelfde was.

Vervolgens heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte zich, ten aanzien van feit 3, beroept op verschoonbare dwaling. Bij een eerdere inval in de woning van de verdachte is de bij hem aangetroffen munitie niet in beslag genomen en de verdachte was in de veronderstelling dat hij deze munitie in bezit mocht hebben. Overigens bevindt zich geen deskundigenrapport in het dossier waaruit kan blijken dat de bij de verdachte aangetroffen munitie, munitie betreft als bedoeld in de Wet wapens en munitie.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de inbeslaggenomen munitie patronen waren voor een pistool. Voorheen was de verdachte gemachtigd dit pistool voorhanden te hebben. Tevens heeft de echtgenote van de verdachte tijdens de doorzoeking in de woning van de verdachte op 17 februari 2003 tegen de verbalisant verklaard dat zij op zolder nog doosjes munitie had liggen uit de tijd dat de verdachte nog beschikte over vuurwapens. Op grond van bovenstaande gaat het hof ervan uit dat de verdachte de ongeoorloofdheid van het voorhanden hebben van munitie wel degelijk heeft ingezien. Het feit dat bij een eerdere inval de munitie niet in beslag genomen zou zijn, wat daar ook van zij, doet aan het vorenstaande niet af.

Uit het proces-verbaal van 3 april 2003 (zaaksdossier 7, p. 3 t/m 6) blijkt overigens ook dat de bij de verdachte aangetroffen munitie, munitie is als bedoeld in de Wet wapens en munitie.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

hij in de periode van 1 oktober 2002 tot en met 30 november 2002 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, meermalen tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I;

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

hij in de periode van 1 oktober 2002 tot en met 30 november 2002 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie van natuurlijke personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het meermalen opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A (oud) van de Opiumwet gegeven verbod (het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een materiaal bevattende cocaïne) en/of het plegen van voorbereidingshandelingen daartoe;

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

hij op 17 februari 2003 te Diemen 50 kogelpatronen type .38 special, merk American Eagle en 49 kogelpatronen, remanufactured pistool patronen en 50 kogelpatronen type .38 special, merk HP, voorhanden heeft gehad, zijnde ingevolge artikel 2 lid 2 van de Wet wapens en munitie munitie van categorie III.

Hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverweging

Transport 27 oktober 2002

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op of omstreeks 27 oktober 2002 een transport heeft plaatsgevonden vanuit Venezuela naar Nederland. Met betrekking tot dit transport is geen koffer met cocaïne inbeslaggenomen en om deze reden is geen deskundigenrapport beschikbaar waaruit blijkt dat cocaïne, als bedoeld op lijst I van de Opiumwet, is ingevoerd in Nederland.

Het hof gaat er evenwel op grond van na te noemen omstandigheden van uit dat op of omstreeks 27 oktober 2002 een hoeveelheid cocaïne, als bedoeld in de Opiumwet, is ingevoerd in Nederland.

Bij de transporten van 3 november 2002, 8 november 2002, 22 november 2002 en 14 december 2002 is er, na deskundig onderzoek, vastgesteld dat telkens een hoeveelheid cocaïne, als bedoeld op lijst I van de Opiumwet, was ingevoerd in Nederland. Ook heeft het hof geconstateerd dat de modus operandi bij alle transporten dezelfde is; gehoord de afgeluisterde telefoongesprekken die tussen de verdachten hebben plaatsvonden in de periode van de laatste vier transporten, maakten de betrokkenen gebruik van hetzelfde versluierd taalgebruik bij het transport van omstreeks 27 oktober 2002, als bij de transporten van 3 november 2002, 8 november 2002, 22 november 2002 en 14 december 2002. Tevens blijkt mede op grond van de verklaring van [medeverdachte 1] van 27 februari 2003 te 10.20 uur dat de transporten op dezelfde wijze zijn verlopen; de verdachten hadden allen een eigen taak met als doel de koffers, met daarin de cocaïne, Nederland in te voeren. Dit gecombineerd met de in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 2] bij doorzoeking aangetroffen passagiers-, vlucht- en bagagegegevens van [koerier] en met de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] van 3 april 2003 concludeert het hof dat met het transport van op of omstreeks 27 oktober 2002 een hoeveelheid cocaïne is ingevoerd in Nederland door de koerier [koerier].

Criminele organisatie

Het hof is van oordeel dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die bestond uit één of meer personen in Venezuela en een aantal personen in Nederland, welke organisatie tot doel had het plegen van de invoer van cocaïne in Nederland en de voorbereidingshandelingen daartoe. Het eerste contact tussen de verdachten vond in ieder geval plaats op 13 oktober 2002, zowel telefonisch (tapgesprek nummer 54) als door middel van ontmoetingen. Gedurende een bepaalde periode hebben de verdachten samengewerkt.

Uit de afgeluisterde telefoongesprekken heeft het hof afgeleid dat verdachte en de mededaders op de hoogte waren van de invoer van cocaïne in Nederland. De verdachten communiceerden aan de hand van versluierd taalgebruik ('whisky' = cocaïne, 'leeftijd van de whisky' = aantal kilo's cocaïne, 'meisje' = partij cocaïne en 'telefoonnummer' = bagagelabelnummer) als zij over cocaïne, dan wel over de handel hierin spraken. Bovendien is uit de afgeluisterde gesprekken gebleken dat niet alles over de telefoon mocht worden besproken. In totaal hebben er vijf transporten plaatsgevonden, waarbij steeds hetzelfde patroon van samenwerking is gehanteerd. Dit blijkt onder andere uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en de vele afgeluisterde telefoongesprekken tussen betrokkenen. Bij het transport van 14 december 2002 is de samenwerking met de verdachte en [medeverdachte 1], om voor het hof onduidelijke redenen, opgezegd. Het betrof telkens een transitvlucht vanuit Venezuela via Schiphol naar een andere bestemming in Europa.

In dit samenwerkingsverband had ieder van de verdachten zijn eigen aandeel, op zijn eigen niveau. De verdachte ontving met [medeverdachte 1] van medeverdachte [medeverdachte 2] gegevens betreffende de cocaïnetransporten. Deze gegevens werden doorgegeven aan medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5]. De berichten van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] in verband met een cocaïnetransport verstrekte hij en/of [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2].

Tevens werd in de criminele organisatie dreiging met geweld niet geschuwd, wat onder meer kan worden afgeleid uit afgeluisterde telefoongesprekken (22 december 2002 te 15.57 uur) en uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] (verhoor 3 april 2003).

De verdachten hebben zich laten leiden door winstbejag ten koste van anderen.

Op grond van bovenstaande is het hof van oordeel dat er sprake is geweest van een duurzaam, gestructureerd en hiërarchisch samenwerkingsverband tussen de verdachten, met een vaste rolverdeling, waarin dreiging met geweld niet werd geschuwd.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2,eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank heeft de verdachte terzake van feit 1 (4 transporten), feit 2 en feit 3 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en in voorlopige hechtenis, en geld en munitie onttrokken aan het verkeer.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte terzake van feit 1 (4 transporten), feit 2 en feit 3 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezighield met de invoer in Nederland van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne vanuit Venezuela, te weten transporten die plaatsvonden op 27 oktober 2002, 3 november 2002, 8 november 2002 en 22 november 2002 en het verrichten van voorbereidingshandelingen tot de invoer van cocaïne in Nederland.

De verdachte vervulde binnen die criminele organisatie een belangrijke rol. De criminele organisatie waarvan de verdachte deel uitmaakte bestond uit één of meer personen die vanuit Venezuela opereerden en een aantal personen in Nederland. Eén van de medeverdachten ([medeverdachte 2]) onderhield contacten met Venezuela en kreeg per fax of telefoon gegevens door vanuit Venezuela. Die gegevens betroffen de vlucht, de naam van de koerier die de cocaïne zou vervoeren, het aantal kilogrammen cocaïne die de koerier vervoerde in zijn koffer, het nummer van het bijbehorende bagagelabel en het type of kleur van de koffer. Soms werden deze gegevens per fax door een medeverdachte ([medeverdachte 2]) aan de verdachte gezonden. Om de transporten voor te bereiden en de gang van zaken te bespreken werden regelmatig bijeenkomsten in hotels en restaurants belegd, waarbij de verdachte regelmatig aanwezig was. Genoemde besprekingen vonden plaats rond de data van de cocaïnetransporten. De gegevens werden door de verdachte aan medeverdachten doorgespeeld, die deze gegevens nodig hadden om de koffer met cocaïne uit de bagagekelder van Schiphol te (laten) halen. Op grond van het hier bovenstaande was de verdachte naar het oordeel van het hof een belangrijke schakel in de keten van personen die verantwoordelijk was voor het op professionele wijze invoeren van cocaïne vanuit het buitenland.

Aldus heeft de verdachte een belangrijke bijdrage geleverd aan de instandhouding van een markt voor cocaïne in Europa, in het bijzonder in Nederland. Cocaïne is voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijk en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving onder andere vanwege de daarmee veelal gepaard gaande criminaliteit door verslaafden. Bovendien heeft cocaïne een verloederende uitwerking op de maatschappij.

De verdachte heeft zich laten leiden door winstbejag ten koste van anderen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 3 februari 2005, is de verdachte eerder veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een vals 100 dollar biljet, dat aan de verdachte toebehoort en bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten waarvan hij wordt verdacht is aangetroffen, dient te worden onttrokken aan het verkeer en is daarvoor vatbaar aangezien het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet, terwijl het kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing van soortgelijke feiten.

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten 149 kogelpatronen, die aan de verdachte toebehoren en bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten waarvan hij wordt verdacht zijn aangetroffen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar aangezien deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot de voorbereiding van soortgelijke feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36d, 47, 57 en 140 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 (oud) en 10 (oud) van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 (oud) van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) JAREN.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Onttrekt aan het verkeer de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen,

te weten:

- een vals 100 dollarbiljet;

- 3 doosjes met munitie, inhoudende 149 kogelpatronen 38/38 kaliber.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- bankafschrift Rabobank nr. 189 van 08-11-2002;

- giroafschrift Postbank nr. 24 van 11-11-2002;

- 53 Americain travelers cheques, waarde 50 euro p/st;

- 4 Mastercard travelers cheques, waarde 50 euro p/st;

- 11 Americain travelers cheque, waarde 100 euro p/st;

- 1 Mastercard travelers cheque, waarde 100 euro.

Gelast de bewaring van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp ten behoeve van de rechthebbende, te weten:

- paspoort op naam van [naam].

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Tilleman, Van Lingen en Houben, in tegenwoordigheid van mr. Van Oirschot, griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 april 2005.

mrs. Tilleman en Van Lingen zijn buiten staat

dit verkort arrest mede te ondertekenen.