Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AU0349

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-04-2005
Datum publicatie
10-08-2005
Zaaknummer
23-004240-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezig hield met de invoer in Nederland van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne vanuit Venezuela en het verrichten van voorbereidingshandelingen tot de invoer van cocaïne in Nederland.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Wetboek van Strafrecht 140
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-004240-03

datum uitspraak 14 april 2005

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 13 november 2003 in de strafzaak onder parketnummer 15/094003-03 van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1963],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres:

[adres], [woonplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Midden Holland,

Huis van Bewaring Haarlem te Haarlem.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 28 oktober 2003 en 30 oktober 2003 en in hoger beroep van 5 oktober 2004, 16 december 2004, 1 februari 2005, 10 maart 2005 en 31 maart 2005.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 2005 op vordering van de advocaat-generaal toegestane wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof zich hiermee niet verenigt.

Geldigheid van de dagvaarding

De advocaat-generaal heeft bij zijn requisitoir ter terechtzitting van 10 maart 2005 het hof in overweging gegeven de tenlastelegging onder 2 partieel nietig te verklaren wat betreft het laatste gedeelte daarvan ('... en het plegen van voorbereidingshandelingen daartoe.') omdat niet is vermeld waaruit deze voorbereidingshandelingen zouden hebben bestaan.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

In het verband van het overigens onder 2 tenlastegelegde, zoals ter terechtzitting gewijzigd, moet voormeld laatste gedeelte daarvan onmiskenbaar gelezen worden als: 'en het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet, gericht op het meermalen opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A (oud) van de Opiumwet gegeven verbod'. Aldus gelezen hebben de woorden 'voorbereidingshandelingen' derhalve op zichzelf reeds voldoende feitelijke betekenis.

Ter terechtzitting gevoerde verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de dagvaarding, wat betreft het onder 1 tenlastegelegde, nietig dient te worden verklaard omdat daarin niet duidelijk is omschreven welke transporten de verdachte precies worden verweten.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende.

Met de raadsman is het hof van oordeel dat de tenlastelegging onder 1 concreter had kunnen worden geformuleerd, maar gelet op de gehele context, het politiedossier, de behandeling ter terechtzitting en de door en/of de namens de verdachte gevoerde verweren daartegen, is het hof van oordeel dat het de verdachte voldoende duidelijk is geweest welke transporten hem in het onder 1 tenlastegelegde precies worden verweten.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

hij in de periode van 1 oktober 2002 tot en met 14 december 2002 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, meermalen tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I;

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

hij in de periode van 1 oktober 2002 tot en met 3 februari 2003 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie van natuurlijke personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het meermalen opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A (oud) van de Opiumwet gegeven verbod (het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een materiaal bevattende cocaïne) en/of het plegen van voorbereidingshandelingen daartoe.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverweging

Transport 27 oktober 2002

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op of omstreeks 27 oktober 2002 een transport heeft plaatsgevonden vanuit Venezuela naar Nederland. Met betrekking tot dit transport is geen koffer met cocaïne inbeslaggenomen en om deze reden is geen deskundigenrapport beschikbaar waaruit blijkt dat cocaïne, als bedoeld op lijst I van de Opiumwet, is ingevoerd in Nederland.

Het hof gaat er evenwel op grond van na te noemen omstandigheden van uit dat op of omstreeks 27 oktober 2002 een hoeveelheid cocaïne, als bedoeld in de Opiumwet, is ingevoerd in Nederland.

Bij de transporten van 3 november 2002, 8 november 2002, 22 november 2002 en 14 december 2002 is er, na deskundig onderzoek, vastgesteld dat telkens een hoeveelheid cocaïne, als bedoeld op lijst I van de Opiumwet, was ingevoerd in Nederland. Ook heeft het hof geconstateerd dat de modus operandi bij alle transporten dezelfde is; gehoord de afgeluisterde telefoongesprekken die tussen de verdachten hebben plaatsvonden in de periode van de laatste vier transporten, maakten de betrokkenen gebruik van hetzelfde versluierd taalgebruik bij het transport van omstreeks 27 oktober 2002, als bij de transporten van 3 november 2002, 8 november 2002, 22 november 2002 en 14 december 2002. Tevens blijkt mede op grond van de verklaring van [medeverdachte 1] van 27 februari 2003 te 10.20 uur dat de transporten op dezelfde wijze zijn verlopen; de verdachten hadden allen een eigen taak met als doel de koffers, met daarin de cocaïne, Nederland in te voeren. Dit gecombineerd met de in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 2] bij doorzoeking aangetroffen passagiers-, vlucht- en bagagegegevens van [koerier] en met de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] van 3 april 2003 concludeert het hof dat met het transport van op of omstreeks 27 oktober 2002 een hoeveelheid cocaïne is ingevoerd in Nederland door de koerier [koerier].

Criminele organisatie

Het hof is van oordeel dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die bestond uit één of meer personen in Venezuela en een aantal personen in Nederland, welke organisatie tot doel had het plegen van de invoer van cocaïne in Nederland en de voorbereidingshandelingen daartoe. Het eerste contact tussen de verdachten vond in ieder geval plaats op 13 oktober 2002, zowel telefonisch (tapgesprek nummer 54) als door middel van ontmoetingen. Gedurende een bepaalde periode hebben de verdachten samengewerkt.

Uit de afgeluisterde telefoongesprekken heeft het hof afgeleid dat verdachte en de medeverdachten op de hoogte waren van de invoer van cocaïne in Nederland. De verdachten communiceerden aan de hand van versluierd taalgebruik ('whisky' = cocaïne, 'leeftijd van de whisky' = aantal kilo's cocaïne, 'meisje' = partij cocaïne en 'telefoonnummer' = bagagelabelnummer) als zij over cocaïne, dan wel over de handel hierin spraken. Bovendien is uit de afgeluisterde gesprekken gebleken dat niet alles over de telefoon mocht worden besproken. In totaal hebben er vijf transporten plaatsgevonden, waarbij steeds hetzelfde patroon van samenwerking is gehanteerd. Dit blijkt onder meer uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en de vele afgeluisterde telefoongesprekken tussen betrokkenen. Bij het transport van 14 december 2002 is de samenwerking met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1], om voor het hof onduidelijke redenen, opgezegd. Het betrof telkens een transitvlucht vanuit Venezuela via Schiphol naar een andere bestemming in Europa.

In dit samenwerkingsverband had ieder van de verdachten zijn eigen aandeel, op zijn eigen niveau. De verdachte had tot taak samen met [medeverdachte 5] de koffers met de cocaïne te (laten) onderscheppen en hij verkreeg daartoe gegevens van [medeverdachte 2] of [medeverdachte 1] die hij doorgaf aan degene die de bagage op Schiphol onderschepte. Hij was zeer frequent in het bijzijn van medeverdachte [medeverdachte 5] (onder meer af te leiden uit taps en observaties) en samen vormden zij een schakel tussen enerzijds [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] en anderzijds één of meer medewerkers van de bagagekelder.

Tevens werd in de criminele organisatie dreiging met geweld niet geschuwd, wat onder meer kan worden afgeleid uit afgeluisterde telefoongesprekken (22 december 2002 te 15.57 uur) en uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] (verhoor 3 april 2003).

De verdachten hebben zich laten leiden door winstbejag ten koste van anderen.

Op grond van bovenstaande is het hof van oordeel dat er sprake is geweest van een duurzaam, gestructureerd en hiërarchisch samenwerkingsverband tussen de verdachten, met een vaste rolverdeling, waarin dreiging met geweld niet werd geschuwd.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte terzake van feit 1 (5 transporten) en feit 2 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en in voorlopige hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte terzake van feit 1 (5 transporten) en feit 2 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezig hield met de invoer in Nederland van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne vanuit Venezuela, te weten transporten die plaatsvonden op 27 oktober 2002, 3 november 2002, 8 november 2002, 22 november 2002 en 14 december 2002, en het verrichten van voorbereidingshandelingen tot de invoer van cocaïne in Nederland.

De verdachte vervulde binnen die criminele organisatie een belangrijke rol. De criminele organisatie waarvan de verdachte deel uitmaakte bestond uit één of meer personen die vanuit Venezuela opereerden en een aantal personen in Nederland. Één van de medeverdachten ([medeverdachte 2]) onderhield contacten met Venezuela en kreeg per fax of telefoon gegevens door vanuit Venezuela. Die gegevens betroffen de vlucht, de naam van de koerier die de cocaïne zou vervoeren, het aantal kilogrammen cocaïne dat de koerier vervoerde in zijn koffer, het nummer van het bijbehorende bagagelabel en het type of kleur van de koffer. Deze gegevens werden door een medeverdachte aan de verdachte doorgegeven, omdat hij deze gegevens nodig had om de cocaïne, met medewerking van een Schiphol-medewerker, uit de bagagekelder van Schiphol te (laten) halen. Om de transporten voor te bereiden en de gang van zaken te bespreken werden regelmatig bijeenkomsten in hotels en restaurants belegd, waarbij de verdachte een aantal malen aanwezig was. Genoemde besprekingen vonden plaats rond de data van de cocaïnetransporten. Op grond van het hier bovenstaande was de verdachte -als tussenpersoon tussen [medeverdachte 2] en zijn partners enerzijds en de bagagemedewerkers anderzijds- een belangrijke schakel in de keten van personen die verantwoordelijk was voor het op professionele wijze invoeren van cocaïne vanuit het buitenland.

Aldus heeft de verdachte een belangrijke bijdrage geleverd aan de instandhouding van een markt voor cocaïne in Europa, in het bijzonder in Nederland. Cocaïne is voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijk en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving onder andere vanwege de daarmee veelal gepaard gaande criminaliteit door verslaafden. Bovendien heeft cocaïne een verloederende uitwerking op de maatschappij.

De verdachte heeft zich laten leiden door winstbejag ten koste van anderen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 3 februari 2005, is de verdachte eerder terzake van soortgelijke delicten veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 63 en 140 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 (oud) en 10 (oud) van de Opiumwet.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) JAREN.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Tilleman, Van Lingen en Houben, in tegenwoordigheid van mr. Van Oirschot, griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 april 2005.