Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AU0329

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-06-2005
Datum publicatie
04-08-2005
Zaaknummer
1974/04 KG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Voormalig dealer geweigerd als merkreparateur. Geen beperking van mededinging.

Beroep op gebrek aan (spoedeisend) belang verworpen, aangezien niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat betrokkene niet elders een (eenmans)bedrijf uitoefent.

Conflicten zijn volgens distributeur in te delen in: schending inspanningsverplichting, betalingsweigering, afnameweigering en opruiing. Onvoldoende bestreden. Vaststellingsovereenkomst gesloten. Gaat echter om meer dan een zakelijk verschil van inzicht. Conflicten vormen redelijkerwijs voldoende rechtvaardiging voor het standpunt dat het essentiële vertrouwen fundamenteel werd geschaad, als bedoeld in reparateurcontract. Weigering op deze wijze en op deze gronden houdt geen beperkende gedraging in die schadelijk is voor de interne markt. Verordening 1400/2002 maakt het de distributeur niet onmogelijk het reparateurcontract te beëindigen indien daar goede gronden voor zijn. Niet kan worden aanvaard dat omstandigheden die, indien zij zich tijdens de looptijd van het reparateurcontract voordoen, grond zouden geven voor de beëindiging daarvan, niet voldoende grond zouden opleveren voor de weigering een reparateurcontract aan te gaan, indien zij zich kort voor het verzoek om erkenning hebben voorgedaan. Dat reparateur met voorgeschiedenis bij distributeur anders wordt behandeld dan een reparateur zonder voorgeschiedenis, levert geen discriminatie op.

Geen belang bij audit ter vaststelling of betrokkene aan standaarden voor het erkende reparateurschap voldoet.

Wetsverwijzingen
Mededingingswet 6
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[A], handelend onder de naam AUTO [A],

wonende te Haarlem,

APPELLANT,

procureur: mr. P.C.J. Twaalfhoven,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CHEVROLET NEDERLAND B.V., voorheen DAEWOO MOTOR BENELUX B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

GEÏNTIMEERDE,

procureur: mr. W.B.J. van Overbeek.

1. Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [A] en Daewoo genoemd.

Bij exploot van 26 oktober 2004 is [A] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank te Haarlem van 28 september 2004, in kort geding onder zaaknummer 103753/KG ZA 04-347 gewezen tussen [A] als eiser en Daewoo als gedaagde.

Bij memorie van grieven, met producties, heeft [A] tegen het vonnis waarvan beroep vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het hof dat vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zijn vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Daewoo in de kosten van het geding in beide instanties.

Bij memorie van antwoord, met producties, heeft Daewoo de grieven bestreden en geconcludeerd dat het hof het vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [A] uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het geding in hoger beroep.

Vervolgens hebben partijen ter terechtzitting van het hof van 1 juni 2005 hun standpunten nader doen toelichten aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities, [A] door mr. P.A.J.M. Lodestijn, advocaat te Apeldoorn, en Daewoo door haar procureur tezamen met mr. H.M. Cornelissen, advocaat te Amsterdam. Bij die gelegenheid hebben beide partijen nog producties in het geding gebracht, terwijl zij daarnaast aan het hof inlichtingen hebben verstrekt.

Voorts heeft [A] zijn vordering gewijzigd in die zin dat hij zijn primaire vordering heeft ingetrokken en thans vordert dat het hof uitvoerbaar bij voorraad Daewoo zal gebieden om binnen 30 dagen na de betekening van dit arrest [A] te (doen) auditeren in het garagepand aan de Vondelweg 540 te Haarlem, althans een nader aan te wijzen pand te Haarlem en/of omgeving, zulks ter vaststelling of [A] voldoet aan de standaarden voor het erkende reparateurschap Daewoo, met veroordeling van Daewoo in de kosten van het geding in beide instanties.

Daewoo heeft zich niet tegen deze eiswijziging verzet.

Tenslotte hebben partijen arrest gevraagd op de stukken van het geding in beide instanties.

2. Grieven

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de desbetreffende memorie.

3. Feiten

De voorzieningenrechter heeft in overweging 2.1 van het bestreden vonnis onder de letters a tot en met k een opsomming gegeven van de in dit geding vaststaande feiten. Behoudens dat Daewoo heeft opgemerkt dat de Verordening (EG) nr. 1400/2002 op 1 oktober 2002 in plaats van op 1 oktober 2003 in werking is getreden (vonnis 2.1 sub f) bestaat omtrent de juistheid van deze feiten op zichzelf geen geschil zodat het hof, met inachtneming van het hiervoor opgemerkte, eveneens van die feiten zal uitgaan.

4. Beoordeling

4.1. Op 7 juni 1995 hebben [A] en Daewoo een Daewoo dealercontract gesloten. Bij brief van 8 mei 2002 heeft Daewoo het dealercontract met inachtneming van een opzegtermijn van twee jaar beëindigd. [A] heeft in die opzegging per 31 mei 2004 berust en bij brief van 24 december 2003 aan Daewoo verzocht om per 1 juni 2004 te worden aangesteld als Erkend Daewoo Reparateur, hetgeen Daewoo bij brief van 7 januari 2004 heeft geweigerd.

4.2. Bij de dit geding inleidende dagvaarding heeft [A] primair gevorderd, zakelijk weergegeven, Daewoo te gebieden om [A] aan te stellen als erkend reparateur van Daewoo, en subsidiair om Daewoo te gebieden [A] te (doen) auditeren ter vaststelling of [A] voldoet aan de standaarden van Daewoo voor het erkende reparateurschap, een en ander op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft die vorderingen afgewezen. Tegen die beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motivering is [A] met vijf grieven opgekomen.

4.3. Ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat het perceel waarin het autobedrijf van [A] was gevestigd, Vondelweg 540 te Haarlem, inmiddels is ontruimd en te huur wordt aangeboden. Blijkens de door Daewoo overgelegde Handelsregisterhistorie van de Kamer van Koophandel (productie 20) heeft [A] de uitoefening van zijn bedrijf met ingang van 1 januari 2005 gestaakt. Naar de raadsman van [A] desgevraagd ter terechtzitting in hoger beroep mededeelde - [A] was verhinderd – zijn, met uitzondering van de chef werkplaats, bij [A] geen werknemers meer in dienst; wel zouden vier à vijf werknemers op afroep beschikbaar zijn. [A] zou elders in Haarlem over een pand beschikken waarin zijn bedrijf zou kunnen worden uitgeoefend. Indien de gewijzigde vordering zou worden toegewezen zou [A] in dat pand na een door hem vast te stellen termijn aan de standaarden van Daewoo voor het erkende reparateurschap kunnen voldoen.

4.4. Daewoo heeft naar aanleiding van een en ander een beroep gedaan op de niet ontvankelijkheid van [A] in zijn vordering aangezien hij daarbij thans geen belang meer zou hebben en zeker geen spoedeisend belang.

4.5. Het hof stelt voorop dat de vordering van [A] moet worden beoordeeld naar de situatie zoals deze zich thans voordoet. Dat Daewoo debet zou zijn aan de beëindiging door [A] van zijn autobedrijf, zoals [A] stelt doch Daewoo betwist, maakt dit niet anders. Aangezien thans evenwel niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat [A] niet elders in Haarlem een (eenmans)bedrijf uitoefent moet het beroep van Daewoo op gebrek aan (spoedeisend) belang van [A] worden verworpen.

4.6. De brief van Daewoo van 7 januari 2004 waarin Daewoo de raadsman van [A] mededeelde dat de door [A] aangevraagde erkenning tot Erkend Daewoo Reparateur niet kon worden gehonoreerd houdt onder andere in:

“Per aangetekende brief van 8 mei 2002 deelden wij uw cliënte reeds mede dat “(…) ons vertrouwen dat nodig is om onze relatie langdurig voort te zetten, inmiddels is komen te ontbreken.” Bovendien stelden wij destijds ook al vast dat de kwaliteit van uw cliëntes after sales activiteiten benedenmaats was.

Onze zienswijze is sindsdien niet gewijzigd.”

4.7. Daewoo stelt zich op het standpunt (m.v.a. sub 27) dat zij [A] aldus weigerde wegens het niet voldoen aan het toelatingscriterium, genoemd in art. 3.1 onder g, van haar Personenauto’s Erkend Reparateur Contract (hierna: het reparateurcontract). In deze bepaling staat dat de om toetreding verzoekende reparateur het volgende verklaart en garandeert:

“DAEWOO beëindigde eerder geen contract met de ERKEND REPARATEUR en/of de EIGENAAR VAN DE ERKEND REPARATEUR als DAEWOO DISTRIBUTEUR of ERKEND REPARATEUR, noch enige andere contractuele relatie tussen de partijen waarbij het essentiële vertrouwen in de ERKEND REPARATEUR of DE EIGENAAR VAN DE ERKEND REPARATEUR fundamenteel geschaad werd.”

4.8. [A] bestrijdt dat er een objectieve rechtvaardiging bestaat om voornoemd artikel op hem van toepassing te verklaren; volgens [A] hebben partijen uiteindelijk hun zakelijk verschil van inzicht bijgelegd en dienaangaande een vaststellingsovereenkomst gesloten, zodat van een fundamentele schending van het essentiële vertrouwen in elkaar onmogelijk sprake kan zijn (pleitnotities hoger beroep sub 13).

4.9. Daewoo stelt hiertegenover (pleitnotities hoger beroep sub 9) dat de conflicten tussen partijen ruwweg kunnen worden ingedeeld in vier groepen, te weten, kort samengevat:

a) Schending inspanningsverplichting. Daewoo verwijst in dit verband naar haar opzeggingsbrief van 8 mei 2002, inhoudende onder meer:

“Deze (algehele opstelling van [A] als vertegenwoordiger van ons merk, hof) is reeds geruime tijd dusdanig dat ons het vertrouwen, dat nodig is om onze relatie langdurig voort te zetten, inmiddels is komen te ontbreken. Uw geringe marketinginspanningen, lage klanttevredenheidsscore en kwaliteit van uw after sales activiteiten onderstrepen zulks.”

b) Betalingsweigering. Daewoo heeft zich genoodzaakt gezien tot twee keer toe beslag te leggen ten laste van [A]. Blijkens de beschikkingen op de daartoe ingediende verzoekschriften zijn de vorderingen van Daewoo toen begroot op f 975.000,- respectievelijk € 200.000,- (producties 7 en 15 Daewoo).

c) Afnameweigering. Alle dealers waren (naar rato) verplicht ex-rentals terug te nemen, hetgeen [A] weigerde aangezien hij de prijs – waarover overleg was geweest met de dealervereniging – niet billijk vond. Op een gegeven moment heeft [A] twee van deze auto’s bij Daewoo op de stoep gezet.

d) Opruiing. Op 18 oktober 2001 heeft [A] een e-mail met de volgende inhoud verzonden (productie 10 Daewoo).

“AAN ALLE BENADEELDE DAEWOO DEALERS !

Gevraagd Daewoo dealers die net als ik gebukt gaan onder de chantage van onze importeur d.m.v. het om discutabele redenen niet uitkeren van bonussen.

In feite zijn wij hierdoor vleugellam en niet in staat opgelegde doelstellingen te realiseren. Het wordt nu tijd dat de gedupeerde dealers de handen ineen slaan en deze kwalijke manier van ‘zaken doen’ door een stuurloos schip in Hoofddorp gezamenlijk aan gaan pakken en een claim neerleggen. (…)”

4.10. Het gaat bij de hiervoor vermelde conflicten tussen [A] en Daewoo om meer dan een zakelijk verschil van inzicht tussen beide partijen, zoals [A] stelt. Deze conflicten, die niet, althans onvoldoende, door [A] zijn bestreden vormen redelijkerwijs voldoende rechtvaardiging voor Daewoo om zich op het standpunt te stellen dat het essentiële vertrouwen in [A] fundamenteel werd geschaad als bedoeld in art. 3.1 onder g van haar reparateurcontract. Toepassing van genoemd artikel op de wijze en op de gronden als hiervoor omschreven houdt ook geen beperkende gedraging in van Daewoo die schadelijk is voor de interne markt en levert derhalve geen strijd op met de systematiek van art. 81 EG Verdrag jo. art. 6 Mw en in het bijzonder met de systematiek van Verordening 1400/2002 (pleitnotities [A] hoger beroep sub 10 slot). Voor dit oordeel is van belang dat Verordening 1400/2002 het de distributeur niet onmogelijk maakt het reparateurcontract te beëindigen indien daar goede gronden voor zijn. Niet kan worden aanvaard dat omstandigheden die, indien zij zich tijdens de looptijd van het reparateurcontract voordoen, grond zouden geven voor de beëindiging daarvan, zoals de hiervoor omschreven voorgeschiedenis van Daewoo en [A], niet voldoende grond zouden opleveren voor de weigering een reparateurcontract aan te gaan, indien zij zich kort voor het verzoek om erkenning hebben voorgedaan. Dat [A] aldus, als een reparateur met een voorgeschiedenis bij Daewoo, anders wordt behandeld dan een reparateur zonder voorgeschiedenis levert geen discriminatie op.

De voorzieningenrechter heeft derhalve op goede grond de primaire vordering van [A] geweigerd.

4.11. Ook de vordering zoals die thans voorligt (zie r.ov. 1), die (vrijwel) overeenstemt met de subsidiaire vordering in eerste aanleg, moet worden afgewezen. Het hof verwijst in dit verband naar r.ov. 5.8 van het bestreden vonnis, tegen welke overweging [A] niet door middel van een grief is opgekomen en bij welke overweging het hof zich aansluit. De voorzieningenrechter overwoog hierin dat [A] geen belang heeft bij het subsidiair gevorderde. Als Daewoo [A] niet als Erkend Reparateur wil aanstellen – en dat wil ze niet – zal ook een audit nooit tot een Erkend Reparateurcontract kunnen leiden, aldus de voorzieningenrechter, die daarnaast nog opmerkt dat [A] overigens voor haar subsidiaire vordering geen specifieke gronden heeft gesteld.

4.12. Een en ander betekent dat de grieven, die verder geen afzonderlijke behandeling behoeven, falen. Het vonnis waarvan beroep moet mitsdien worden bekrachtigd. [A] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [A] in de kosten van het geding in hoger beroep tot op deze uitspraak aan de zijde van Daewoo begroot op € 2.970,00;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Coeterier, R.J.F. Thiessen en J.C.W. Rang en is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2005.