Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT9732

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2005
Datum publicatie
20-07-2005
Zaaknummer
04/02046
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betekeningskosten dwangbevel. Belanghebbende stelt dat zij niet in gebreke is in de zin van art. 1 Kostenwet en dat de aanslagen en aanmaningen niet aan haar zijn verzonden. Het Hof oordeelt dat art. 7, lid 2 Kostenwet een lex specialis is t.o.v. art. 1 van die wet en voorts dat verweerder er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij de aanslagbiljetten tijdig aan belanghebbende heeft verstuurd en dat belanghebbende niet in gebreke is. Verwijzing naar BNB 1969/127.

Wetsverwijzingen
Kostenwet invordering rijksbelastingen 1, geldigheid: 2005-07-07
Kostenwet invordering rijksbelastingen 7, geldigheid: 2005-07-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1430
Belastingblad 2005/892
V-N 2005/39.16

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van de maatschap X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak met dagtekening 19 april 2004 van de directeur van de Dienst Belastingen van de gemeente Amsterdam, verweerder, betreffende

? de beschikking van 13 februari 2004, waarbij belanghebbende kosten voor het betekenen van het dwangbevel inzake de aanslag OZB-gebruikersbelasting 2001 in rekening zijn gebracht, en

? de beschikking van 13 februari 2004, waarbij belanghebbende kosten voor het betekenen van het dwangbevel inzake de gecombineerde aanslag 2003 in rekening zijn gebracht

(verder de beschikkingen).

Het beroep is behandeld ter zitting van 23 juni 2005.

Beslissing

Het Hof:

? verklaart het beroep gegrond;

? vernietigt de uitspraak;

? vernietigt de beschikkingen, en

? gelast de gemeente Amsterdam het gestorte griffierecht ad € 273 aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1.1. Belanghebbende is blijkens het briefpapier waarop bezwaar is gemaakt een wereldwijd werkende maatschap waarvan “[a]lle compagnons […] advocaat, notaris, belastingadviseur of buitenlands jurist” zijn.

1.2. Met dagtekeningen 13 februari 2004 heeft verweerder twee dwangbevelen tegen belang-hebbende uitgevaardigd. De reden daarvoor was dat belanghebbende de aanslag in de onroe-rende-zaakbelasting voor het jaar 2001 (OZB-gebruikersbelasting) ten bedrage van € 61.831,64 (inclusief kosten), alsmede de gecombineerde aanslag voor het jaar 2003 ten bedrage van € 64.473,96 niet betaald had. Bij de beschikkingen is voor het betekenen van deze dwangbevelen € 4.154 (inzake de OZB-gebruikersbelasting) respectievelijk € 4.328 (in-zake de gecombineerde aanslag) door verweerder aan belanghebbende in rekening gebracht.

1.3. Op 2 maart 2004 heeft belanghebbende bij één geschrift bezwaar gemaakt tegen de beschikkingen. Bij de bestreden uitspraak van 19 april 2004 heeft verweerder het bezwaar (in één geschrift) ongegrond verklaard.

2. In geschil is of verweerder de beschikkingen terecht heeft genomen.

3.1. Ter zake van het verrichten van werkzaamheden voor de invordering van bedragen door de zorg van een bevoegde ontvanger op grond van de bepalingen van de Invorderingswet 1990 worden, aan degene die in gebreke is gebleven het verschuldigde tijdig te betalen, kos-ten in rekening gebracht (art. 1 Kostenwet invordering rijksbelastingen; hierna: de Kosten-wet).

Niet in geschil is dat op de invordering van de onder 1.2 vermelde aanslagen de Kostenwet van toepassing is en dat degene die de beschikkingen genomen heeft daartoe bevoegd was.

3.2. Voor het in rekening brengen van kosten op grond van de bepalingen van de Kostenwet geldt, gelet op onder meer het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1996, nr. 30 212, gepubli-ceerd in BNB 1996/249, als voorwaarde dat de belastingplichtige in de gelegenheid is geweest om van zijn belastingschuld kennis te nemen en deze te voldoen. Indien niet aan deze voorwaarde is voldaan, kan niet worden gezegd dat een belastingplichtige aan wie kosten van invordering in rekening zijn gebracht ‘in gebreke’ is als bedoeld in artikel 1 van de Kosten-wet.

3.3. Belanghebbende meent dat zij niet ‘in gebreke’ is. Zij stelt niet alleen de aanslagbiljetten van de onder 1.2 genoemde aanslagen (verder de aanslagbiljetten) en de aanmaningen niet te hebben ontvangen, maar tevens dat die stukken niet aan haar zijn verzonden. Dienaangaande merkt zij in haar beroepschrift - waarin X voor belanghebbende staat - op:

X [is] een advocatenkantoor. Binnen dit kantoor is ongeveer een tweehonderdtal advocaten, notaris-sen en belastingadviseurs werkzaam. Gezien het belang van de cliënten van X, alsmede het belang van X zelf, wordt met de grootst mogelijke zorgvuldigheid omgegaan met binnenkomende en uit-gaande poststukken. Indien onduidelijk is aan welke afdeling een binnenkomend poststuk gezonden dient te worden, dan wel indien een poststuk op een afdeling binnenkomt waar dit stuk niet thuishoort, wordt direct een e-mail verzonden aan alle medewerkers van X met het verzoek aan te geven waar het desbetreffende poststuk naartoe gezonden dient te worden. De medewerkers van X zijn zich terdege bewust van het belang van tijdige ontvangst en verzending van poststukken en handelen dienover-eenkomstig ten aanzien van deze poststukken dan wel e-mails met betrekking tot poststukken. (…) Gezien de zorgvuldigheid die X betracht ten aanzien van poststukken acht X het niet mogelijk dat de aanslagen alsmede de aanmaningen door X ontvangen zouden zijn zonder dat deze op de juiste afdelingen ontvangen zouden zijn. Afhankelijk van het antwoord op de vraag of de aanslagen en de aanmaningen tezamen dan wel afzonderlijk zijn verzonden (…) zou dat (…) betekenen dat tenminste twee en eventueel vier poststukken binnen X kwijt zouden zijn geraakt. Nu hiervan geen sprake kan zijn, kan niet anders geconcludeerd worden dan dat de aanslagen en de aanmaningen ofwel niet verzon-den zijn ofwel dat er tijdens de verzending iets moet hebben plaatsgevonden waardoor de aanslagen en de aanmaningen X niet hebben bereikt.

Omdat belanghebbende op 13 februari 2004 niet op de hoogte was van het bestaan van de aanslagen heeft zij die niet betaald. Zij was - aldus belanghebbende - dus niet in gebreke, zodat de beschikkingen in strijd met de Kostenwet zijn genomen.

3.4. Volgens verweerder is belanghebbende wel in gebreke. De aanslagen zijn door toezen-ding van de aanslagbiljetten aan belanghebbende bekendgemaakt en daarbij zijn geen onjuiste adresgegevens gebruikt. De aanslagbiljetten zijn immers niet wegens onbestelbaarheid van TPG-post terugontvangen. In zijn verweerschrift schrijft verweerder:

Van de beide aanslagen (…) zijn de aanslagbiljetten gedagtekend 31 juli 2003. Er zijn met dezelfde dag-tekening van meerdere belastingmiddelen van verschillende belastingjaren met betrekking tot vele belas-tingplichtigen kohieren aangemaakt. De belastingmiddelen variëren van (On-)roerende-zaakbelastingen, eige-naren- en gebruikersbelasting zowel woningkohieren als ondernemerskohieren, Rioolrecht zowel Aansluit-recht als Afvoerrecht, Ingezetenenomslag, Verontreinigingsheffing Bedrijven, ook die van Woningen, Afvalstoffenheffing, Toeristenbelasting en Gecombineerde aanslagen. De belastingjaren van genoemde belastingmiddelen variëren van 2000 tot en met 2003. Het totaal aantal aanslagbiljetten zijn er in die maand 75.307.

Alle afzonderlijke aanslagen van die kohieren zijn aangeboden bij TPG post. Omdat er in de loop van de tijd niet gebleken is, dat meerdere belastingplichtigen de voor hen bestemde aanslagbiljetten niet ontvangen zouden hebben en (…) de aanslagbiljetten van X niet op kantoor als zijnde "onbestelbaar" retour zijn gekomen, moet ik en mag ik aannemen, dat de aanslagbiljetten op het juist adres aangekomen zijn.

Verweerder heeft er tijdens de zitting op gewezen dat de verzending van aanslagen bij hem vergelijkbaar zorgvuldig verloopt als de binnenkomende postverwerking bij belanghebbende plaatsvindt. Hij heeft zich voorts beroepen op artikel 7, tweede lid, van de Kostenwet.

Mutatis mutandis heeft - aldus verweerder - hetzelfde te gelden voor de brieven waarbij belangheb-bende gemaand is de aanslagen te betalen.

3.5. Verweerder heeft geen enkel schriftelijk stuk ter onderbouwing van zijn standpunt met betrekking tot de verzending van de aanslagbiljetten ingebracht. Ter zitting heeft hij zich bereid ver-klaard om dit alsnog te doen.

4.1. Naar het oordeel van het Hof kan in casu het volgende zijn gebeurd:

Situatie 1. belanghebbende heeft de aanslagbiljetten wel ontvangen, maar ze bewust niet betaald,

Situatie 2. belanghebbende heeft de aanslagbiljetten wel ontvangen, maar ze zijn door haar per abuis niet betaald,

Situatie 3. belanghebbende heeft de aanslagbiljetten nooit ontvangen, maar ze zijn door verweerder wel bij TPG-post ter verzending aangeboden, of

Situatie 4. belanghebbende heeft de aanslagbiljetten nooit ontvangen, omdat ze door ver-weerder nooit ter verzending bij TPG-post zijn aangeboden.

4.2. In situatie 1 en 2 heeft belanghebbende van haar belastingschuld kennis genomen, res-pectievelijk kennis kunnen nemen. Naar het oordeel van het Hof is de niet-betaling van de belasting-schuld in die situaties onmiskenbaar verwijtbaar toe te rekenen aan belanghebbende, zodat alsdan sprake is van ‘in gebreke’ zijn, als bedoeld in artikel 1 van de Kosten-wet.

4.3. In situatie 3 kan belanghebbende - uitzonderingen daargelaten - van het niet tijdig betalen van de belastingschuld geen verwijt worden gemaakt en kan gesteld worden dat zij niet in vorenbedoelde zin ‘in gebreke’ is. Artikel 7, tweede lid, van de Kostenwet belet echter dat belanghebbende zich op het niet-ontvangen-hebben van het aanslagbiljet beroept. Aangenomen moet worden dat de wetgever het risico van het niet-ontvangen van aanslagbil-jetten - bijvoorbeeld doordat TPG-post fouten maakt - bewust bij belastingplichtigen heeft wil-len leggen. Naar het oordeel van het Hof moet artikel 7, tweede lid, als een lex specialis ten opzichte van artikel 1 van de Kostenwet worden gezien; in die zin dat de voor-waarde dat de belastingplichtige in de gelegenheid is geweest om van zijn belastingschuld kennis te nemen, niet geldt ingeval een op de juiste wijze bekendgemaakte aanslag hem niet heeft bereikt.

4.4. In situatie 4 treft belanghebbende geen enkel verwijt en is zij naar het oordeel van het Hof niet ‘in gebreke’. Alsdan mag verweerder geen invorderingskosten in rekening brengen.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat alleen in situatie 4 verweerder de beschikkingen ten onrechte genomen heeft. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich mee dat verweerder aannemelijk maakt dat zich situatie 4 niet voorgedaan heeft; anders geformuleerd: dat hij bewijst dat hij de aanslagbiljetten vóór 13 februari 2004 aan belanghebbende verstuurd heeft. Redengevend voor dit oordeel acht het Hof dat de Kostenwet als voorwaarde voor het in rekening brengen van invorderingskosten stelt dat de belastingplichtige ‘in gebreke’ is en uit hetgeen het Hof hiervoor heeft overwogen vloeit voort dat van ‘in gebreke’ zijn geen sprake kan zijn als de aanslagen niet op de juiste wijze zijn bekendgemaakt.

Dat verweerder de juiste bekendmaking van de aanslagen moet bewijzen, geldt temeer nu het Hof belanghebbendes verklaring over de verwerking van de inkomende post en over de niet-ontvangst van de aanslagbiljetten - mede gelet op de aard en de omvang van belanghebbendes onderneming - geloofwaardig acht. Derhalve acht het Hof aannemelijk dat de aanslagbiljetten belanghebbende niet vóór 13 februari 2004 bereikt hebben.

4.6. Het Hof acht verweerder niet in het bewijs geslaagd dat hij de aanslagbiljetten voor 13 februari 2004 verstuurd heeft. Verweerder heeft terzake van de verzending geen enkel stuk in het geding gebracht. Van een bestuursorgaan mag verwacht worden dat het aan de hand van computer-uitdraaien, schermprintjes of een ander bewijsmiddel aannemelijk kan maken dat het een aan-slagbiljet naar een bepaalde belastingplichtige heeft verstuurd. Verweerder heeft echter niet meer aangevoerd dan hetgeen in zijn verweerschrift staat, welke tekst hij ter zitting - min of meer op dezelfde wijze - nader heeft toegelicht. Naar het oordeel van het Hof is dat onvol-doende om te oordelen dat de aanslagbiljetten tijdig ter post zijn aangeboden.

4.7. Met betrekking tot verweerders ter zitting getoonde bereidheid om alsnog zijn standpunt omtrent de verzending van de aanslagbiljetten met schriftelijke stukken nader te onderbou-wen, overweegt het Hof als volgt. Naar het oordeel van het Hof dient voorop te staan dat de rechter, ingeval hij van oordeel is dat een partij geen of niet voldoende bewijs heeft bij-gebracht van hetgeen zij had behoren te bewijzen, niet verplicht is te bevorderen dat die partij alsnog of nader bewijs levert. Dit geldt zeker in een situatie als de onderhavige waarbij het verweerder vanaf de indiening van het beroepschrift - gelet op belanghebbendes bezwaar-schrift en de inhoud van haar beroepschrift - duidelijk moet zijn geweest dat hij het risico liep dat de rechter van hem het bewijs zou verlangen dat hij de aanslagbiljetten voor 13 februari 2004 verstuurd had. Nu verweerder niet eigener beweging het nodige bewijs aan het Hof heeft verstrekt en verweerder daartoe tijdens het geding de gelegenheid heeft gehad, is het Hof niet verplicht om, alvorens uitspraak te doen, verweerder omtrent de verdeling van de bewijslast in kennis te stellen of, nu het Hof het bijgebrachte bewijs ontoereikend acht, hem alsnog de gelegenheid te bieden het bewijsmateriaal aan te vullen (zie HR 7 mei 1969, rolno. 16 118, BNB 1969/127).

4.8. Uit het voorgaande volgt dat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende ‘in gebreke’ is in de zin van artikel 1 van de Kostenwet. Dit betekent dat het Hof de beschik-kingen vernietigt.

4.9. Gelet op het vorenstaande verklaart het Hof het beroep gegrond .

5.1. Nu het beroep gegrond is, acht het Hof in beginsel termen aanwezig voor een veroorde-ling van verweerder in belanghebbendes proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Op basis van de bewijslast die daarbij voor belanghebbende geldt, kunnen de kosten die in-gevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen, in twee categorieën worden onderverdeeld:

categorie 1. kosten die geen nadere opgave behoeven, zoals de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (zie HR 13 maart 1996, nr. 30 986, BNB 1996/257);

categorie 2. overige kosten.

5.2. Uit de gedingstukken valt niet af te leiden dat zich kosten uit de eerste categorie hebben voorgedaan. Voorzover belanghebbende meent dat sprake is van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, is dit standpunt onjuist. Belanghebbende is een wereldwijd werkend kantoor van advocaten, notarissen, belastingadviseurs en buitenlandse juristen. Belanghebbende heeft zich in de hofprocedure - zowel met betrekking tot het indie-nen van het beroepschrift als tijdens de mondelinge behandeling - door mr. J.W. Rompen en mr. J.B.C. Kin, beiden als advocaat en belastingadviseur aan belanghebbende verbonden, laten vertegenwoordigen. Alsdan kan niet gezegd worden dat een derde beroepsmatige rechtsbijstand heeft verleend.

Belanghebbende heeft niet gesteld - en het Hof is ook overigens niet gebleken - dat zij pro-ceskosten uit de tweede categorie heeft gemaakt.

Gelet hierop veroordeelt het Hof verweerder niet in de proceskosten.

5.3. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard geen veroordeling van verweerder te wensen in de kosten die zij in de bezwaarfase heeft gemaakt.

De uitspraak is gedaan op 7 juli 2005 door mr. P.F. Goes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. P.T. van Arnhem als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimi-seerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schrif-telijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ont-vangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proces-kosten.