Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT9731

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2005
Datum publicatie
20-07-2005
Zaaknummer
04/04761
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. (Laden en) lossen. Belanghebbende haalde een combimagnetron uit zijn auto om in een woning te zetten. Naar het oordeel van het Hof was in het onderhavige geval sprake van onmiddellijk lossen (BNB 1999/257).

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2005/907
FutD 2005-1450
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak met dagtekening 22 oktober 2004 van de Stadsdeelsecretaris van het Amsterdamse stadsdeel Bos en Lommer, verweerder, betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen met dagtekening 27 juli 2004 en met nummer (...).

Het beroep is behandeld ter zitting van 23 juni 2005.

Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- gelast de gemeente Amsterdam het gestorte griffierecht ad € 37 aan belanghebbende te vergoeden; en

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 200 en wijst de gemeente Amsterdam aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

Gronden

1. Op 27 juli 2004 heeft belanghebbende de auto met kenteken 00-AA-AA (hierna: de auto) in de a-straat te Amsterdam stil gezet. Hij heeft geen parkeerkaatje gekocht.

2. Naar aanleiding van het niet-voldoen van de parkeerbelasting is de onderhavige naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd. De dagtekening ervan is 27 juli 2004. Omdat belanghebbende tijdens het uitprinten van de naheffingsaanslag met de auto is weggereden, konden de parkeercontroleurs het aanslagbiljet niet terstond aan belanghebbende uitreiken en evenmin op of aan de auto aanbrengen. Aan belanghebbende is een betalingsherinnering met dagtekening 19 augustus 2004 gezonden. Op 13 september 2004 heeft belanghebbende een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag ingediend. Bij de bestreden uitspraak is het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Het bezwaarschrift is niet binnen zes weken na de dag van dagtekening van het aanslagbiljet ingediend. Nu de betalingsherinnering alle elementen die op een naheffingsaanslag als de onderhavige moeten vermeld staan bevat en vaststaat dat de naheffingsaanslag niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, is het Hof van oordeel dat de betalingsherinnering als de naheffingsaanslag kan worden aangemerkt. Alsdan is belanghebbendes bezwaarschrift binnen de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) genoemde termijn van zes weken na de dagtekening van de betalingsherinnering heeft ingediend.

4.1. In de gedingstukken en ter zitting heeft belanghebbende - samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

Op de ochtend van 27 juli 2004 heb ik een in een doos verpakte combimagnetron (hierna: het pakket) in de kofferbak van de auto gezet en ben naar de a-straat te Amsterdam gereden om het pakket bij mijn in die straat wonende zoon af te leveren.

De afmetingen van het pakket bedroegen ongeveer 70 x 50 cm en het pakket woog ongeveer 15 kg.

Ik heb de auto ‘precies voor de deur’ neergezet, vervolgens de kofferbak geopend, het pakket eruit gehaald en ben met het pakket in mijn handen naar de deur van de woning gelopen.

Ik heb het pakket op de grond gezet om de deur te kunnen openen. Op het moment dat ik de doos optilde, zag ik drie parkeercontroleurs bij de auto staan. Ik ben daarop met het pakket in mijn handen naar de controleurs gelopen.

Ik heb ze verteld dat ik het pakket in de woning wilde zetten en daarna weg zou rijden.

Het heen en weer lopen tussen de auto en de woning heeft hooguit een minuut geduurd.

Ik heb met de controleurs over het verschuldigd zijn van parkeerbelasting gediscussieerd. Die discussie heeft ten hoogste drie minuten geduurd.

Daarna heb ik het pakket in de auto gezet, heb de deur van de woning dichtgetrokken, ben in de auto gestapt en ben weggereden.

Bij het wegrijden heeft een van de controleurs mij nageroepen dat ik moest wachten omdat hij een naheffingsaanslag wilde uitreiken. Dat heb ik niet afgewacht.

Ik ben vervolgens naar een winkel gereden om geld te wisselen, heb een parkeerkaartje gekocht, heb de auto geparkeerd en heb het pakket in de woning van mijn zoon afgeleverd.

4.2. Verweerder heeft belanghebbendes verklaringen niet weersproken.

4.3. Belanghebbende heeft primair gesteld dat hij geen parkeerbelasting verschuldigd was omdat sprake was van lossen van het pakket. Verweerder heeft daarentegen gesteld dat belanghebbende de auto heeft geparkeerd, dat van onmiddellijk laden en lossen geen sprake was en dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat het begrip laden en lossen restrictief geïnterpreteerd dient te worden, dat het niet de bedoeling kan zijn dat het uitladen van een magnetron of een sporttas onder lossen valt en dat pas sprake kan zijn van lossen als een zaak zo groot of zwaar is dat je het met twee personen moet dragen.

5. Artikel 2, aanhef en onderdeel a, van de Verordening parkeerbelastingen 2004 van de gemeente Amsterdam (hierna: de Verordening) luidt als volgt:

“Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot (...) het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten (...);”

6. In Hoge Raad 12 mei 1999, nr. 33 286, BNB 1999/257 is beslist dat onder onmiddellijk laden en lossen dient te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is.

7. Het Hof acht belanghebbendes onder 4.1 weergeven en door verweerder niet, althans niet adequaat, weersproken verklaringen betreffende

- de reden van het stilzetten van de auto,

- de plek waar de auto stond (‘precies voor de deur’ van het bezorgadres),

- de handelingen die daarna volgden,

- het aantal minuten dat een en ander duurde, en

- de omvang en het gewicht van het pakket

geloofwaardig. Naar het oordeel van het Hof betekent dit, gelet op het onder 6 genoemde arrest van de Hoge Raad, dat sprake is van onmiddellijk lossen van goederen als bedoeld in artikel 2, aanhef en onderdeel a, van de Verordening. Daarbij neemt het Hof in aanmerking:

- dat de auto en de woning (het bezorgadres) op kleine tot redelijke afstand van elkaar lagen.

- dat aangenomen kan worden dat het pakket van een zodanig gewicht en een zodanige omvang was dat het bezwaarlijk anders dan per auto kon worden vervoerd; en

- dat het lossen niet langer dan noodzakelijk heeft geduurd.

8. Nu belanghebbendes primaire stelling slaagt, kunnen zijn overige stellingen onbesproken blijven.

9. Het Hof acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen tot het vergoeden van proceskosten van belanghebbende als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Ter zitting zijn partijen ter zake overeengekomen dat, indien het gelijk aan belanghebbende zou zijn, de gemeente Amsterdam een proceskostenvergoeding van € 200 (verletkosten) aan belanghebbende zal voldoen. Nu het beroep gegrond is, heeft het Hof geen reden om partijen hierin niet te volgen en stelt het de proceskostenvergoeding op € 200 vast.

De uitspraak is gedaan op 7 juli 2005 door mr. P.F. Goes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Schaik als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.