Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT9465

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-07-2005
Datum publicatie
18-07-2005
Zaaknummer
450/2004 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afhandeling van een nalatenschap. De notaris trad niet op als boedelnotaris.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BIJ VERVROEGING

Beslissing van 14 juli 2005 in de zaak onder rekestnummer 450/2004 NOT van:

DE GEZAMENLIJKE ERFGENAMEN VAN [W],

in leven gewoond hebbende te [woonplaats],

APPELLANTEN,

t e g e n

[geintimeerde],

notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: mr. M.E. van Huet.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Door thans wijlen mevrouw [X], verder te noemen klaagster, is bij een op 13 april 2004 ter griffie ingekomen verzoekschrift tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en de kandidaat-notarissen te Haarlem, verder te noemen de kamer, van 16 maart 2004. Bij deze beslissing is de klacht van klaagster tegen de geïntimeerde, verder te noemen de notaris, ongegrond verklaard.

1.2. Van de zijde van de notaris is op 14 mei 2004 een verweerschrift ter griffie ingekomen.

1.3. In verband met het overlijden van klaagster heeft de op 24 februari 2005 voorgenomen mondelinge behandeling niet plaatsgevonden. In overleg met de echtgenoot van klaagster, de heer M.P. [W], hierna te noemen [W], is de behandeling van de zaak voortgezet en is de zaak vervolgens behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 9 juni 2005. De notaris en haar advocaat zijn verschenen. [W] is, alhoewel behoorlijk daartoe opgeroepen, niet verschenen.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben geen nader aangeduid bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de feiten, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klaagster

4.1. Klaagster verwijt de notaris dat zij de in een brief van 24 mei 2003 gestelde vragen niet heeft willen beantwoorden. Deze brief is geschreven door [W] en gericht aan de notaris. Het betreft de volgende vragen:

Vertegenwoordigt u ook Edi [X]?

Verder zou ik van u graag vernemen of en zo ja welke gelden en/of waardepapieren u onder zich heeft, en opgave van de rente tot 1-5-2003.

Klaagster heeft deze vraag later nader gespecificeerd in:

Had u op of voor 24-5-2003, en zo ja welke, gelden en/of waardepapieren onder u met de daarop gekweekte rente behorende tot de nalatenschap van mijn vader E.P. [X]?

4.2. In de tweede plaats verwijt klaagster de notaris dat zij zich bedient van een manier van handelen die voor een notaris onacceptabel is. De notaris treedt op als advocaat voor haar cliënten, onder de schijn van objectiviteit en onpartijdigheid van een notaris.

4.3. In hoger beroep beklaagt klaagster zich over de gang van zaken in eerste instantie. Zo werd zij op de zitting van de kamer geconfronteerd met stukken die niet eerder overgelegd waren. Tevens stelt klaagster dat de notaris op de dag van de uitspraak van de bestreden beslissing verder is gegaan met het verspreiden van onjuiste informatie betreffende de nalatenschap van de vader van klaagster.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris stelt op verzoek van de advocaat van mevrouw Nanda [O]-[X], een van de erfgenamen en een zus van klaagster, haar uiterste best te hebben gedaan om tot afwikkeling van de nalatenschap van de vader van klaagster te komen. Omdat klaagster geen volmacht heeft willen geven heeft de notaris haar medegedeeld dat ook zonder het verstrekken van een volmacht de nalatenschap zou kunnen worden afgewikkeld. Klaagster heeft hieraan echter geen medewerking willen verlenen. Zo heeft zij bijvoorbeeld geweigerd een door de notaris opgestelde brief mede te ondertekenen waarmee een bankrekening kon worden opgeheven. Hierdoor is de afwikkeling van de nalatenschap vertraagd en zijn partijen over de verdeling van de nalatenschap gaan procederen. De rechtbank heeft in haar vonnis van 13 november 2002 alle bestanddelen van de boedel opgenomen. Klaagster was op de hoogte van de inhoud van dit vonnis en daarmee ook van de omvang van de boedel en over de samenstelling daarvan. Ter zitting in eerste instantie heeft de notaris gesteld dat zij op de door klaagster gestelde vraag heeft verwezen naar voornoemd vonnis. Voorts stelde de notaris dat zij de brief van 24 mei 2003 waarschijnlijk niet goed heeft gelezen en daarom heeft nagelaten de vragen inhoudelijk te beantwoorden. Zij stelt in te zien dat het verstandiger zou zijn geweest als zij aan deze brief meer aandacht had besteed.

5.2. Ten aanzien van het tweede onderdeel van de klacht stelt de notaris nooit als boedelnotaris in deze nalatenschap te zijn opgetreden. Zij had van een broer en een zus van klaagster een volmacht ontvangen op basis waarvan zij heeft getracht de nalatenschap af te wikkelen. Zij heeft hierover overigens contact gehad met klaagster. De notaris betwist dan ook dat zij zich partijdig heeft opgesteld, in die zin dat zij het belang van klaagster zou hebben achter gesteld bij het belang van de overige erfgenamen.

6. De beoordeling

6.1. Voor zover klaagster bezwaar heeft gemaakt tegen de gang van zaken in eerste aanleg behoeven deze bezwaren van klaagster geen nadere bespreking, nu deze door haar gestelde tekortkomingen tengevolge van de behandeling in hoger beroep zijn hersteld.

6.2. Het onderzoek in hoger beroep heeft naar het oordeel van het hof niet geleid tot vaststelling van andere feiten dan wel tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt.

6.3. In zijn algemeenheid kan het hof geen kennis nemen van verzoeken die voor het eerst in hoger beroep naar voren worden gebracht. Nu klaagster haar klacht in hoger beroep heeft uitgebreid met het gedrag van de notaris op en na de dag waarop de bestreden beslissing is uitgesproken zal het hof klaagster daarin niet ontvankelijk verklaren.

6.4. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.5. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- verklaart klaagster niet ontvankelijk in haar hoger beroep voorzover het de uitbreiding van haar klacht betreft;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, A.L.G.A. Stille en R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op donderdag 14 juli 2005.

DE KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN IN HET ARRONDISSEMENT HAARLEM

Beschikking d.d. 16 maart 2004 van de Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-Notarissen in het arrondissement Haarlem, nader ook “de Kamer”, in de zaak onder nummer K 05.03 van:

[W],

wonende te [woonplaats],

nader ook: klaagster.

---tegen---

Mr [Y],

notaris te [plaats],

nader ook: de notaris.

1. Verloop van de procedure.

Voor het verloop van de procedure verwijst de Kamer naar de navolgende aan de Kamer tot het nemen van een beslissing overgelegde bescheiden, waarvan de inhoud als hier ingevoegd dient te worden aangemerkt:

- de op 16 juni 2003 ter secretarie van de Kamer ingekomen brief met zes bijlagen van klaagster van diezelfde datum;

- de brief van de notaris van 25 juni 2003 met een bijlage, waarin het antwoord;

- de brieven van klaagster van 29 juni 2003 met drie bijlagen, van 15 juli 2003 en van 21 juli 2003 met een bijlage, waarin een nadere reactie;

- de brief van de notaris van 19 september 2003, met twee bijlagen, waarin een nader verweer;

- de brief van klaagster van 2 december 2003;

1.2 In de openbare vergadering van de Kamer van 20 januari 2004 zijn klaagster en haar echtgenoot de heer M.P. [W], alsmede de notaris gehoord. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten toe te lichten.

Vervolgens heeft de voorzitter van de Kamer de behandeling gesloten en bepaald dat op 16 maart 2004 een beschikking zal volgen.

2. Relevante vaststaande feiten.

Bij de beoordeling van de klacht wordt van het navolgende uitgegaan:

a. Klaagster, haar (tweeling)zuster Nanda, haar zuster Marion en haar broer Edi zijn de kinderen van Wilhelmina [C] en Egilius [X], die met elkaar waren gehuwd.

b. De moeder van klaagster, die op 23 december 1986 is overleden, had bij testament op basis van een ouderlijke boedelverdeling haar vermogen toebedeeld aan haar echtgenoot en aan ieder van haar kinderen een vordering op hun vader, die opeisbaar werd bij diens overlijden.

c. Op 26 juni 1996 is de vader van klaagster overleden. Op grond van zijn testament zijn de onder punt a. vermelde kinderen erfgenaam van zijn nalatenschap, ieder voor een vierde gedeelte.

d. In 1996 heeft Nanda diverse notarissen verzocht om de afwikkeling van de nalatenschap ter hand te nemen.

e. Geen van de ingeschakelde notarissen is er in geslaagd om de afwikkeling van de nalatenschap af te ronden. Dit was met name te wijten aan de inmiddels ernstig verstoorde familieverhoudingen.

f. Om de nalatenschap te kunnen beheren heeft klaagster zich op haar beurt gewend tot een notaris, die op 12 december 1996 een verklaring van erfrecht heeft afgegeven.

g. In de periode1997-1998 heeft Marion, en klaagster heeft zich bij haar vervolgens aangesloten, zich laten bijstaan door een advocaat, aangezien zij (beiden) het moederlijk erfdeel - van ongeveer F 15.061,76 met rente - uit de boedel uitbetaald wenste(n) te zien. Nanda en Edi hebben zich tegen deze vorderingen verzet.

h. In juni 1999 hebben Nanda en Edi de notaris verzocht om namens hen te bemiddelen bij de afwikkeling van de nalatenschap.

Klaagster heeft toen met de notaris afgesproken dat deze niet als boedelnotaris zou optreden en dat zij de notaris in geen geval een volmacht zou geven.

i. In het concept van de brief van 10 november 1999 aan de Postbank heeft de notaris – voor zover hier van belang – het navolgende medegedeeld: “(…) Ter zake van de nalatenschap van de heer E.P. [X] doe ik u bijgaand toekomen een verklaring van erfrecht waaruit blijkt dat ik voor drie van de vier erfgenamen optreed als gevolmachtigde. Ik verzoek u bovengenoemde rekening op te heffen en van de saldi inclusief de lopende rente over te maken:

- naar de rekening van mevrouw [W] … een bedrag van

F 15.061,76

- naar de rekening van Marion [X] … een bedrag van F 15.061,76

- Het restant op een van mijn kantoorrekeningen over te maken, met vermelding: erven [X].

Ten bewijze van instemming van de vierde erfgename, mevrouw [W] heeft zij deze brief mede-ondertekend. (…)”.

j. Klaagster heeft deze brief echter niet ondertekend, aangezien zij van mening was dat de tegoeden naar een erven-rekening overgemaakt moesten worden, in plaats van naar een kantoorrekening van de notaris.

k. Begin 2000 heeft de notaris aan klaagster medegedeeld dat de overige erfgenamen voornemens waren de verdeling van de nalatenschap via de rechter te vorderen.

l. In haar vonnis van 13 november 2002 heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage – voor zover van belang – het navolgende overwogen:

“(…) 6. Partijen zijn het erover eens dat de nalatenschap van Vader in ieder geval de volgende activa omvat: …(…)”.

en voorts ondermeer bepaald: “(…)

- Bepaalt dat uit de nalatenschap van Vader aan Marion en Ingrid (ieder) wordt voldaan een bedrag van fl 15.061,76, met rente van 6 % per jaar vanaf 1 december 1999 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Bepaalt dat ieder van partijen ¼ deel verkrijgt van het verschil tussen … de vermelde activa en … het totaalbedrag van de vermelde schulden. (…)”.

m. Met betrekking tot de afhandeling van de nalatenschap heeft klaagster in haar brief van 24 mei 2003 aan de notaris ondermeer de navolgende vraag gesteld:

”(…) Verder zou ik van u graag vernemen of en zo ja welke gelden en/of waardepapieren u onder zich heeft en opgave van de rente tot 1-5-2003. (…)”.

n. In haar brief van 19 september 2003 aan de Kamer heeft de notaris – voor zover hier van belang – het navolgende medegedeeld: “(…) De vraag van mevrouw [W] … terzake van gelden, waardepapieren en renten moet ik ontkennend beantwoorden. Ik heb niets van dat alles. Alles wat mij met betrekking tot bankrekeningen bekend is, is ook aan mevrouw [W] bekend. Ik heb het echtpaar daarvan in 1999 mededeling gedaan. (…)”.

3. Inhoud van de klacht.

3.1 De klacht, zoals deze ter zitting is aangevuld, houdt zakelijk weergegeven het volgende in:

a. Klaagster verwijt de notaris dat deze de navolgende vraag: “Had u op of voor 24 mei 2003, en zo ja welke gelden en/of waardepapieren onder u met de daarop gekweekte rente behorende tot de nalatenschap van mijn vader E.P. [X]”, niet of onvolledig heeft beantwoord.

b. Klaagster verwijt de notaris voorts dat deze, bij de behandeling van de afwikkeling van de nalatenschap, blijk heeft gegeven van partijdigheid

3.2 Het standpunt van klaagster.

ad a. Klaagster stelt dat de notaris op de in haar brief van 24 mei 2003 opgenomen vraag in eerste instantie als volgt heeft gereageerd: “ In antwoord op uw brief van 24 mei 2003 deel ik u mede dat ik uw vragen niet kan beantwoorden”. Klaagster is van mening dat een dergelijke wijze van reageren en handelen een notaris onwaardig is.

Voorts voert klaagster aan dat zij vermoedt dat een aantal boedelbestanddelen, die zijn vermeld in het vonnis van de rechtbank te ’s-Gravenhage, zich bij de notaris bevindt. Zij voegt daaraan toe dat de rechtbank heeft overwogen dat de nalatenschap “in ieder geval” uit de desbetreffende bestanddelen bestaat. Deze overweging impliceert, aldus klaagster, dat er mogelijk nog andere niet nader genoemde bestanddelen bestaan. Volgens klaagster is de beantwoording door de notaris van de door haar gestelde vraag noodzakelijk voor de afwikkeling van de nalatenschap.

3.3 ad b. Klaagster stelt dat zij, aangezien de notaris destijds de behandeling van de nalatenschap op verzoek van de advocaat van Nanda en Edi heeft overgenomen, zij geen enkel vertrouwen heeft in de notaris. Klaagster ziet haar slechts als vertegenwoordigster van, zoals zij stelt, de tegenpartij. Klaagster voert nog aan dat doordat de notaris meer als advocaat dan als notaris is opgetreden, zij het aanzien van het notariaat heeft geschaad.

4. Het standpunt van de notaris.

4.1 ad a. De notaris stelt dat zij sinds juni 1999 op verzoek van Nanda en Edi bemoeienis heeft met de afwikkeling van de nalatenschap en dat zij sindsdien haar uiterste best heeft gedaan om de nalatenschap ook daadwerkelijk af te wikkelen. Zij stelt voorts dat, omdat klaagster geen volmacht wilde afgeven en juist omdat zij ook nimmer is ingegaan op haar voorstel om telkens in verband met bijvoorbeeld het opheffen van een bankrekening, een handtekening te plaatsen onder een door de notaris daartoe geredigeerde brief, de afwikkeling van de nalatenschap is gestagneerd. Partijen hebben dan ook over de verdeling van de nalatenschap geprocedeerd en de rechtbank heeft in haar vonnis alle bestanddelen van de boedel opgenomen. Klaagster is op de hoogte van de inhoud van het vonnis en daarmee geïnformeerd over de omvang van de boedel en over de samenstelling daarvan. Op de vraag van de voorzitter waarom de notaris niet expliciet op de gestelde vraag in de brief van klaagster van 24 mei 2003 is ingegaan, heeft de notaris geantwoord dat zij heeft verwezen naar het vonnis met de mededeling dat daarin de vermogensbestanddelen zijn beschreven. Voorts heeft de notaris nog naar voren gebracht dat zij deze brief van klaagster waarschijnlijk niet goed heeft gelezen en daardoor heeft nagelaten de vraag inhoudelijk te beantwoorden, maar dat zij inziet dat het verstandiger zou zijn geweest als zij aan deze brief meer aandacht had besteed. Vervolgens heeft de notaris ter zitting benadrukt dat zij geen boedelbestanddelen onder zich heeft, die niet in het vonnis vermeld zijn.

4.2 ad b. Voor alles stelt de notaris dat zij geen boedelnotaris was. Zij had van Nanda en Edi een volmacht ontvangen op basis waarvan zij overigens na uitvoerig telefonisch overleg met klaagster, getracht heeft de nalatenschap af te wikkelen. In dit verband betwist de notaris dat zij zich bij de afwikkeling van de nalatenschap partijdig opgesteld zou hebben, tenminste als klaagster met deze stelling bedoelt te zeggen dat zij het belang van haar als erfgenaam achter gesteld zou hebben bij de belangen van de overige erfgenamen.

5. De beoordeling.

5.1 Ter beoordeling is de vraag of de notaris zich schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens de wet op het notarisambt gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die zij als notaris behoort te betrachten ten opzichte van klaagster, dan wel of zij zich schuldig maakt aan enig handelen of nalaten dat een notaris niet betaamt, een en ander als bedoeld in artikel 98 van de wet op het notarisambt.

5.2 ad a. Met betrekking tot klachtonderdeel a. overweegt de Kamer het navolgende.

Uit het aan de kamer overgelegde dossier blijkt dat op het moment - juni 1999 - dat de notaris (door Nanda en Edi) is ingeschakeld, de familieverhoudingen reeds een geruime periode ernstig waren verstoord. Voorts is uit het dossier af te leiden dat de notaris zich in voldoende mate heeft ingespannen om de nalatenschap af te handelen. Dit blijkt met name uit het feit dat de notaris klaagster herhaalde malen tevergeefs heeft trachten te bewegen om telkens indien dit in verband met afwikkelingshandelingen noodzakelijk was, daarvoor toestemming te verlenen en daarvan te doen blijken door het zetten van een handtekening.

5.3 Aangezien de notaris er niet in is geslaagd de nalatenschap af te wikkelen, hetgeen zoals reeds is gesteld volgens de Kamer verband houdt met onder andere de verdeeldheid binnen de familie en de opstelling van klaagster, heeft de rechtbank uiteindelijk op verzoek van de erfgenamen de verdeling van de boedel bepaald.

De notaris heeft verklaard dat zij tenminste eenmaal bij de beantwoording van de door klaagster in klachtonderdeel a. geformuleerde vraag, heeft verwezen naar de opsomming van de in het vonnis opgenomen boedelbestanddelen. Voorts heeft de notaris aangevoerd dat zij waarschijnlijk de brief van klaagster van 24 mei 2003 niet goed heeft gelezen, waardoor zij destijds heeft nagelaten de daarin aan haar gestelde vraag meer afdoende te beantwoorden.

De Kamer is van oordeel dat de notaris, de vraag van klaagster summier heeft beantwoord door te verwijzen naar het vonnis, maar dat de notaris gelet op de omstandigheden van het geval, hiermee kon volstaan.

Wel is de Kamer van oordeel dat het beter zou zijn geweest, als de notaris naar aanleiding van de brief van klaagster van 24 mei 2003 een meer inhoudelijke reactie had gegeven. De notaris heeft ter zitting erkend dat het verstandiger zou zijn geweest indien zij deze brief inhoudelijk had beantwoord en mede omdat de notaris er blijk van heeft gegeven dat zij anders had moeten handelen, meent de Kamer dat het verzuim van de notaris niet zodanig ernstig is dat van klachtwaardig handelen kan worden gesproken.

Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond

5.4 ad b. Met betrekking tot het verwijt van klaagster dat de notaris blijk zou hebben gegeven van partijdigheid overweegt de Kamer het navolgende.

De Kamer begrijpt dat dit onderdeel van de klacht verband houdt met het sterke wantrouwen van klaagster jegens Nanda en Edi op wiens verzoek de notaris heeft bemiddeld bij de afwikkeling van de nalatenschap. De Kamer is van mening dat de notaris, die in dit geval niet als boedelnotaris is opgetreden, aan klaagster voldoende duidelijk heeft gemaakt dat zij in opdracht van Nanda en Edi hun belangen met betrekking tot de verdeling van de nalatenschap heeft behartigd. De Kamer is van oordeel dat klaagster haar bezwaar op dit punt tegen het optreden van de notaris niet heeft onderbouwd.

Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond.

5.5 Het vorenoverwogene leidt tot de navolgende beslissing.

6. BESLISSING

De Kamer van Toezicht over de notarissen en Kandidaat-Notarissen te Haarlem:

verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.

Deze beschikking is op 16 maart 2004 gegeven door mr A.C. Monster, voorzitter, mrs A.E. Patijn, C. Wisse, N. Vanderveen en mr C.M. Lambregtse, leden in tegenwoordigheid van de secretaris mr Y.H. L’Hoir.