Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT9345

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2005
Datum publicatie
14-07-2005
Zaaknummer
1121-04 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de afhandeling van een nalatenschap heeft de notaris niet voldaan aan artikel 17 lid 1 Wet op het notarisambt, waarin is bepaald dat de notaris zijn ambt in onafhankelijkheid uitoefent en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behartigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 7 juli 2005 in de zaak onder rekestnummer 1121/04 NOT van:

[appellant],

oud-notaris te [plaats],

APPELLANT,

t e g e n

[geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: mr. A.A. Bart.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Namens appellant, verder te noemen de notaris, is bij een op 16 september 2004 ter griffie ingekomen verzoekschrift hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Utrecht, verder te noemen de kamer, van 25 augustus 2004, waarbij de door geïntimeerde, verder te noemen klaagster, ingediende klacht tegen de notaris gegrond is verklaard zonder oplegging van een maatregel.

1.2. Van de zijde van klaagster is op 14 oktober 2004 een verweerschrift - met bijlagen - ter griffie ingekomen.

1.3. Op 12 april 2005 heeft de notaris zijn beroepschrift nader aangevuld. Hierop is namens klaagster gereageerd bij aanvullend verweerschrift ingekomen op 4 mei 2005.

1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 12 mei 2005. Klaagster, haar gemachtigde en de notaris zijn verschenen en hebben allen het woord gevoerd, de notaris aan de hand van een pleitnotitie.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede van de hiervoor genoemde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de beslissing waarvan beroep heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klaagster

4.1. Klaagster verwijt de notaris dat hij bij de afhandeling van de boedelbeschrijving van de nalatenschap van de vader van klaagster, [X], hierna: erflater, uiterst traag is opgetreden en onvoldoende initiatief heeft genomen. De notaris heeft daarmee geen uitvoering gegeven aan het vonnis van de kantonrechter te Hoorn van 8 september 1997. Klaagster is sindsdien in afwachting van de boedelbeschrijving.

4.2. Tevens verwijt klaagster de notaris dat hij zich niet zakelijk en professioneel heeft opgesteld. Op alle mogelijke manieren heeft de notaris zich aan zijn ambtsverplichtingen onttrokken, waarbij hij de indruk heeft gewekt de belangen van de moeder van klaagster, hierna: moeder, te hebben laten prevaleren boven de belangen van klaagster. De notaris was bevriend met de erflater en onderhield een goed persoonlijk contact met moeder.

4.3. Ook heeft klaagster het vermoeden dat de notaris haar informatie onthoudt, in het bijzonder door te weigeren haar het taxatierapport van de boedel toe te zenden.

4.4. Klaagster stelt tenslotte dat het door de notaris in hoger beroep overleggen van een brief van haar broer, waarin de achtergronden worden geschetst die een rol zouden hebben gespeeld bij de afweging van de notaris om moeder de kans te geven klaagster zelf te informeren, in strijd is met een goede procesorde.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris stelt dat de bestaande praktijk op zijn kantoor was om in simpele boedels zo min mogelijk kosten te maken. In het onderhavige geval wilden de overige erfgenamen, gezien de geringe omvang van de boedel, geen extra boedelkosten maken om hun vorderingen notarieel vast te laten leggen. De vorderingen lagen reeds voldoende vast in de onderhandse boedelbeschrijving, opgesteld door moeder, die ieder van de erfgenamen van de notaris had ontvangen. Klaagster stond nog de mogelijkheid open om op eigen kosten een notariële boedelbeschrijving te laten maken of een notariële boedelbeschrijving af te dwingen voor de rechter. In juni 1996 voorzag de notaris dat geen van beide ooit zou gebeuren en hij beschouwde de boedel dan ook als afgewikkeld.

5.2. In de beschikking waarbij de kantonrechter heeft bevolen dat de notaris de boedelbeschrijving moest maken en dat de kosten zouden moeten worden gebracht ten laste van het erfdeel van klaagster is volgens de notaris over het hoofd gezien dat klaagster slechts een voorwaardelijke aanspraak had. Het verzorgings- en bestedingsrecht van moeder drukte immers nog op het erfdeel van klaagster en door de beschikking van de kantonrechter zou dit recht van moeder gedeeltelijk worden gefrustreerd. Bovendien kwam klaagster herhaaldelijk over de vloer bij haar moeder, die bleef hopen dat het allemaal goed zou komen en dat zij verder niet op kosten zou worden gejaagd. De notaris heeft dan ook steeds getracht de kosten voor moeder zoveel mogelijk te beperken.

5.3. Voorts stelt de notaris dat in de eerdergenoemde beschikking van de kantonrechter is opgenomen dat de notaris zijn werkzaamheden niet behoefde aan te vangen voordat klaagster ter dekking van zijn kosten de notaris een bedrag in depot zou hebben voldaan. Pas op 23 maart 2000 heeft de president van de rechtbank rechtsprekend in kort geding beslist dat die kosten konden worden voldaan uit de boedel. Nadien, vanaf oktober 2000, heeft de notaris gewerkt aan de boedelbeschrijving. Hierbij heeft de notaris moeder, op haar verzoek, nog enige maanden gegund om in een gesprek met haar dochter te proberen verdere kosten te voorkomen. Gezien het grote belang van moeder om hiermee aanzienlijke kosten te besparen en het geringe belang van klaagster aangezien zij feitelijk al op de hoogte was van de boedel en geen gebruik had gemaakt van het aanbod van haar moeder om de inboedel gezamenlijk te beschrijven, achtte de notaris dit een zorgvuldige gang van zaken. Daarbij had de rechter geen termijn genoemd waarbinnen de bevolen boedelbeschrijving gereed moest zijn. De vertraging die vervolgens, na oktober 2000, is ontstaan is voornamelijk te wijten aan klaagster en haar advocaat. Na ontvangst van een gewijzigd taxatierapport - door toedoen van klaagster met een vertraging van 27 maanden - heeft moeder de notaris verzocht te wachten met de akte teneinde haar gelegenheid te geven het rapport zelf aan haar dochter te zenden. Bezien in het licht van de door toedoen van klaagster ontstane vertraging leek dit verzoek de notaris niet onredelijk. Ter ondersteuning van deze gedachte heeft de notaris in hoger beroep een brief overgelegd van de broer van klaagster waarin achtergronden worden geschetst die mede een rol hebben gespeeld bij zijn afwegingen. Vanwege een slechte gezondheidssituatie heeft moeder het voornemen klaagster zelf te informeren niet uitgevoerd. Vervolgens is de notaris gedefungeerd.

6. De beoordeling

6.1. Het hof is van oordeel dat de kamer terecht voorop heeft gesteld dat de notaris bij rechterlijke beschikking van 8 september 1997 in het belang van alle erfgenamen, inclusief moeder en klaagster, is benoemd tot notaris te wiens overstaan een boedelbeschrijving diende te worden opgemaakt. De notaris heeft deze benoeming aanvaard, waardoor aan het verweer van de notaris dat bij het nemen van eerdergenoemde beschikking over het hoofd is gezien dat klaagster slechts een voorwaardelijke aanspraak had, geen betekenis kan worden toegekend.

Nu de notaris de opdracht tot notariële boedelbeschrijving had aanvaard had hij deze opdracht met de nodige voortvarendheid en met inachtneming van de belangen van alle erfgenamen moeten oppakken, met dien verstande dat het hof van oordeel is dat de notaris terecht heeft gewezen op de passage uit de beschikking van de kantonrechter waaruit blijkt dat de notaris zijn werkzaamheden niet behoefde aan te vangen voordat klaagster hem ter dekking van zijn kosten een door hem vast te stellen bedrag in depot zou hebben voldaan. Eerst op 23 maart 2000 is door de president voornoemd bepaald dat de kosten van de boedelbeschrijving alsnog uit de boedel zullen worden voldaan. Nadien heeft de notaris echter gewacht tot oktober 2000 voordat hij actie ondernam om te komen tot een notariële boedelbeschrijving. Vervolgens is er sprake geweest van een uitvoerige correspondentie tussen de advocaat van klaagster en de notaris, waarbij de notaris meermalen pas na een rappèl van de advocaat van klaagster tot actie is overgegaan. Weliswaar is ook door toedoen van klaagster en haar advocaat vertraging ontstaan, doch het hof is van oordeel dat het op de weg van de notaris had gelegen om ook van zijn kant te rappelleren en de voortgang van de uitvoering van de hem gegeven opdracht te bewaken. Het hof is van oordeel dat de notaris, gezien het hiervoor geschetste, onzorgvuldig jegens klaagster heeft gehandeld en acht dit onderdeel van de klacht gegrond.

6.2. Het tweede klachtonderdeel betreft het laten prevaleren van de belangen van moeder boven die van klaagster. Uit het verweer van de notaris leidt het hof af dat de notaris moeder verscheidene malen in de gelegenheid heeft gesteld zelf contact op te nemen met klaagster, dit teneinde problemen in der minne op te lossen en/of zoveel mogelijk kosten die ten laste van moeder zouden moeten worden gemaakt te voorkomen. Alhoewel het hof sympathie heeft voor de door de notaris beschreven gang van zaken in zijn praktijk om bij kleine boedels zoveel mogelijk kosten te voorkomen, is het hof van oordeel dat de notaris in deze boedel te veel het belang van moeder voorop heeft gesteld. Zo heeft de notaris nagelaten om, alvorens moeder tijd te gunnen om zaken in der minne te regelen, contact op te nemen met klaagster dan wel haar advocaat om na te gaan of klaagster genegen was zaken op deze wijze te regelen. Bovendien is het hof van oordeel dat de notaris ook hier heeft nagelaten de voortgang in de totstandkoming van de notariële boedelbeschrijving te bewaken, waarmee hij eveneens het belang van klaagster te kort heeft gedaan. Uit het enerzijds niet toezenden van het taxatierapport aan klaagster, doch anderzijds moeder wel de tijd gunnen om klaagster dit zelf toe te sturen blijkt, naar oordeel van het hof, eveneens dat de notaris zich in het bijzonder richtte tot moeder en het belang van klaagster op de tweede plaats stelde. Het hof is dan ook van oordeel dat ook dit onderdeel van de klacht gegrond is.

6.3. Het hof is, evenals de kamer, van oordeel dat de notaris niet heeft voldaan aan artikel 17 lid 1 Wet op het notarisambt, hierna WNA, waarin is bepaald dat de notaris zijn ambt in onafhankelijkheid uitoefent en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behartigt. Daarbij acht het hof de maatregel van waarschuwing op zijn plaats. Het in de bestreden beslissing weergegeven oordeel van de kamer dat het opleggen van een maatregel achterwege zal dienen te blijven omdat de notaris niet meer als notaris werkzaam is, is onjuist.

Ingevolge artikel 98, lid 4 WNA blijven notarissen die niet meer als zodanig werkzaam zijn aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten gedurende de tijd dat zij als zodanig werkzaam waren.

Ook aan hen kunnen derhalve de in artikel 103 WNA genoemde maatregelen worden opgelegd. Dit is slechts anders indien het een maatregel betreft die er zich uit zijn aard niet voor leent om alsnog te worden opgelegd, te weten de maatregelen van schorsing in de uitvoering van het ambt en ontzetting uit het ambt.

Het hof zal dan ook de bestreden beslissing vernietigen voor wat betreft de in rubriek 3.7 derde zin weergegeven overweging.

6.4. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.5. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing van de kamer van 25 augustus 2005 voor zover daarbij aan de notaris geen maatregel is opgelegd en legt aan de notaris de maatregel op van waarschuwing;

- bepaalt dat de maatregel zal worden ten uitvoer gelegd ter terechtzitting van het hof van 22 september 2005, te 13.30 uur;

- bepaalt dat de griffier de notaris daarvoor zal oproepen;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, P.J.N. van Os en C.P. Boodt en in het openbaar uitgesproken op donderdag 7 juli 2005.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN IN HET ARRONDISSEMENT UTRECHT

BESLISSING van de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen in het arrondissement Utrecht op de klacht van:

mevrouw [Y],

wonende te [woonplaats],

gemachtigde mr. A.A. Bart,

klaagster,

-t e g e n-

mr. [Z],

oud-notaris te [plaats],

beklaagde.

De procedure

Bij brief van 28 april 2004 met bijlagen heeft mr. Bart zich namens klaagster gewend tot de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Alkmaar met een klacht over oud-notaris mr. [Z], hierna: de notaris.

Bij beslissing van 2 juni 2004 heeft de President van het Gerechtshof te Amsterdam de Kamer van Toezicht te Utrecht belast met de behandeling van deze klacht.

De Kamer heeft op 23 juli 2004 van de notaris een reactie op de klacht ontvangen.

De klacht is op 12 augustus 2004 mondeling behandeld. Bij die gelegenheid is klaagster in persoon verschenen, bijgestaan door de heer S.E. van den Berg, werkzaam bij Van Loon Advocaten en Procureurs te Veenendaal. De notaris is eveneens in persoon verschenen.

De feiten

Aanleiding tot de klacht is de afwikkeling van de nalatenschap van de vader van klaagster, die op 21 december 1995 is overleden. Vader was een persoonlijke vriend van de notaris. In het testament, opgemaakt door de notaris, is een langstlevende clausule opgenomen, in die zin dat de erflater gebruik heeft gemaakt van de hem bij artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek gegeven bevoegdheid en alle activa behorend tot zijn nalatenschap heeft toebedeeld aan zijn echtgenote, waarbij ieder der overige erfgenamen een vordering in contanten is toegedeeld die pas opeisbaar is bij (onder meer) het overlijden van de overgebleven echtgenote.

Omdat klaagster vraagtekens plaatste bij de door haar moeder opgestelde onderhandse boedelbeschrijving, heeft zij in een procedure voor de kantonrechter verzocht om een notariële boedelbeschrijving. Bij beschikking van 8 september 1997 heeft de kantonrechter bepaald dat dit verzoek in het belang van beide partijen (klaagster en haar moeder) voor toewijzing in aanmerking komt. De kantonrechter heeft de notaris met diens instemming benoemd tot notaris te wiens overstaan de boedelbeschrijving zal dienen te geschieden.

In de periode tot 23 maart 2000 is geprocedeerd over de betaling van de kosten van een notariële boedelbeschrijving. Bij vonnis van laatstgenoemde datum heeft de rechtbank bepaald dat de kosten van de boedelbeschrijving uit de boedel moeten worden voldaan.

Op 4 augustus 2000 heeft de advocaat van klaagster de notaris verzocht aan te geven welke activiteiten hij heeft ondernomen in verband met het vonnis van 23 maart 2000. In de periode vanaf oktober 2000 tot juli 2002 hebben de advocaat van klaagster en de notaris vervolgens met tussenpozen variërend van enkele weken tot meer dan een jaar gecorrespondeerd over het inschakelen van een taxateur voor het schatten van de waarde van de inboedel, alsmede over de betaling van de bijbehorende kosten.

Op 18 juni 2002 heeft de notaris een taxateur verzocht een taxatierapport op te stellen met een nauwkeurige omschrijving van alle zaken van inboedel en de waarde daarvan op de sterfdag van de vader van klaagster.

In 2002 heeft de notaris bij wijze van dossierakte een concept boedelbeschrijving opgesteld in afwachting van het taxatierapport.

Op 8 juli 2003 heeft de taxateur een rapport gezonden aan de notaris, waar deze niet mee heeft ingestemd, omdat de taxateur de gegeven opdracht (beschrijving van de inboedel en schatting van de waarde daarvan) te buiten was gegaan. Op 26 augustus 2003 heeft de taxateur een aangepast rapport afgeleverd aan de notaris. De notaris heeft dit aangepaste rapport doen toekomen aan de moeder van klaagster.

Bij brieven van 19 december 2002, 20 mei 2003, 10 juli 2003 en 23 maart 2004 heeft de advocaat van klaagster de notaris verzocht om informatie over de voortgang ten aanzien van de taxatie en om overlegging van het taxatierapport.

Op 29 maart 2004 heeft de notaris de advocaat van klaagster bericht dat de familie van klaagster heeft verzocht nog geen akte van boedelbeschrijving op te maken en dat moeder het taxatierapport met een begeleidende brief aan klaagster zal toezenden.

De notaris is op 1 april 2004 gedefungeerd.

De klacht en de beoordeling daarvan

3.1. Klaagster verwijt de notaris dat hij bij de uitoefening van zijn ambt niet de vereiste onpartijdigheid en zorgvuldigheid in acht heeft genomen en dat hij geen uitvoering heeft gegeven aan het vonnis van de kantonrechter. Daartoe heeft klaagster, onder verwijzing naar de feitelijke gang van zaken en het tijdsverloop sinds het vonnis van de kantonrechter, aangevoerd dat de notaris te veel het oog heeft gehad op de behartiging van de belangen van de moeder van klaagster, met wie hij vanwege zijn vriendschap met de vader van klaagster een goed persoonlijk contact onderhield. De notaris heeft vanaf het begin, ondanks de benoeming door de kantonrechter tot notaris te wiens overstaan de boedelbeschrijving dient te geschieden, aangegeven dat een notariële boedelbeschrijving naar zijn mening geen toegevoegde waarde zou hebben en tot zinloze kosten voor moeder zou leiden. Volgens klaagster heeft de notaris uiterst traag en met onvoldoende initiatief in de aan de orde zijnde periode stappen ondernomen om te komen tot een notariële boedelbeschrijving. Hij heeft de afwikkeling van de nalatenschap nodeloos opgehouden en hij heeft nagelaten klaagster voldoende te informeren, met name door te weigeren haar het taxatierapport toe te zenden. Zodoende heeft de notaris volgens klaagster verzuimd haar belangen op zorgvuldige en onpartijdige wijze te behartigen.

3.2. De notaris stelt zich op het standpunt dat hem geen verwijt treft. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de moeder van klaagster ingevolge het testament van vader eigenares van de nalatenschap is geworden en dat de kinderen (slechts) een uitgestelde voorwaardelijke vordering op moeder hebben gekregen. Behartiging van het belang van moeder als langstlevende was de nadrukkelijke laatste wens van vader. Volgens de notaris bleek uit de onderhandse boedelbeschrijving van moeder zonder meer de omvang en de geringe waarde van de inboedel. Om deze redenen heeft de notaris willen voorkomen dat er zinloze kosten zouden worden gemaakt voor het opstellen van een notariële boedelbeschrijving. Bovendien streefde de moeder van klaagster steeds naar het bereiken van een oplossing in der minne van de onenigheid met klaagster. Volgens de notaris heeft hij juist zorgvuldig gehandeld door geen haast te betrachten en elke gelegenheid aan te grijpen om partijen in der minne tot een vergelijk te laten komen. Ten slotte heeft de notaris aangevoerd dat er in de aan de orde zijnde periode enkele malen grote vertraging is opgetreden door toedoen van de advocaat van klaagster en de taxateur, die hem niet valt toe te rekenen.

3.3. De Kamer stelt voorop dat de notaris bij rechterlijke beschikking van 8 september 1997 in het belang van zowel klaagster als haar moeder is benoemd tot notaris te wiens overstaan een boedelbeschrijving dient te worden opgemaakt. De notaris heeft deze benoeming, en dus de opdracht tot notariële boedelbeschrijving, aanvaard. Gelet op het feit dat thans nog geen notariële boedelbeschrijving tot stand is gekomen is de Kamer, in het licht van hetgeen hierna zal worden overwogen, van oordeel dat de notaris onvoldoende oog en respect heeft gehad voor de betekenis van de rechterlijke beschikking. Indien de notaris het oneens was met de beschikking van de kantonrechter (hetgeen ter zitting ook is gebleken), had het in de rede gelegen dat hij de opdracht niet zou hebben aanvaard. Nu hij deze wel heeft aanvaard, was hij gehouden aan die beschikking met de nodige voortvarendheid en met inachtneming van het belang van beide partijen uitvoering te geven.

3.4. De Kamer overweegt dat de notaris blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting over de betekenis van het testament voor klaagster als een van de erfgenamen. Weliswaar betreft het een zogenaamd langstlevende-testament en was het de wens van de erflater om zijn echtgenote goed beschermd achter te laten, maar dit laat onverlet dat klaagster een eigen belang heeft bij en een zelfstandig recht heeft op vaststelling van de waarde van haar erfdeel. Dit is bij eerdergenoemde beschikking van de kantonrechter ook bevestigd.

3.5. De Kamer constateert dat de notaris veel gewicht heeft toegekend aan de belangen van de moeder van klaagster. Zijn handelen is erop gericht geweest te voorkomen dat er kosten zouden worden gemaakt ten laste van moeder. Daarnaast heeft de notaris enkele malen op aangeven van moeder de afwikkeling van de boedelbeschrijving tijdelijk stopgezet, omdat moeder aangaf in een gesprek met klaagster tot een oplossing in der minne te willen komen. Of klaagster daartoe genegen was, heeft de notaris niet bij klaagster of haar advocaat geverifieerd. Voorts heeft de notaris het taxatierapport uitsluitend aan moeder doen toekomen en niet aan (de advocaat van) klaagster. Naar het oordeel van de Kamer heeft de notaris aldus onvoldoende oog gehad voor het belang van klaagster en heeft hij onvoldoende onpartijdigheid betracht. Daarbij neemt de Kamer mede in aanmerking dat de notaris blijkens de briefwisseling met moeder een persoonlijke band met haar had vanwege zijn vriendschap met de erflater. Vanwege deze omstandigheid had de notaris extra attent moeten zijn op een onafhankelijke en onpartijdige behartiging van het belang van klaagster.

3.6. Vervolgens leidt de Kamer uit de feitelijke gang van zaken sinds de uitspraak van 23 maart 2000 af, dat de notaris de afwikkeling van de boedelbeschrijving onvoldoende voortvarend ter hand heeft genomen. Eerst op aandringen van de advocaat van klaagster heeft de notaris in oktober 2000 de eerste stap gezet, door na te vragen of klaagster schatting van de inboedel wenste door een taxateur. Vervolgens is er sprake geweest van correspondentie tussen de advocaat van klaagster en de notaris, waarbij de notaris op verschillende momenten eerst na een rappèl van de advocaat tot actie of reactie is overgegaan. Daar staat tegenover dat aan de zijde van de advocaat van klaagster en de taxateur ook vertragingen zijn opgetreden. In het licht van de beschikking van de kantonrechter lag het echter vooral op de weg van de notaris om de voortgang van de boedelbeschrijving actief en uit eigen beweging te bevorderen en te bewaken. Door zich daarentegen terughoudend en hoofdzakelijk reactief op te stellen heeft de notaris naar het oordeel van de Kamer jegens klaagster onzorgvuldig gehandeld.

3.7. Uit het voorgaande volgt dat de notaris naar het oordeel van de Kamer niet heeft voldaan aan artikel 17, eerste lid, van de Wet op het notarisambt (Wna), waar is bepaald dat de notaris zijn ambt in onafhankelijkheid uitoefent en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behartigt. De Kamer zal de klacht gegrond verklaren. Tevens ziet de Kamer aanleiding te verklaren dat aan de notaris de tuchtrechtelijke maatregel van een waarschuwing zou zijn opgelegd, indien hij op het moment van deze beslissing nog in functie zou zijn geweest. De Kamer gaat daartoe over, omdat de notaris door zijn handelwijze twee fundamentele elementen van de ambtsvervulling heeft veronachtzaamd, te weten het respect voor een rechterlijke beslissing en de notariële onpartijdigheid/onafhankelijkheid.

4. De beslissing

De Kamer van Toezicht:

- verklaart de klacht gegrond;

- verklaart dat aan de notaris een waarschuwing zou zijn opgelegd, indien hij op het moment van deze beslissing nog in functie zou zijn geweest.

Gewezen te Utrecht door mr. H.J. Schepen, wnd. voorzitter, mrs. R.J. Holtman, E.J.M. Kerpen, A.J.M. Breedveld-Van Beeck Calkoen en R.J.M. van den Heuvel, leden, bijgestaan door mr. A.M. Rijs, plv. secretaris, op 25 augustus 2004.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na de verzenddatum daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Civiele Griffie, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.