Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT9157

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-06-2005
Datum publicatie
12-07-2005
Zaaknummer
02/00611
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Douanekamer merkt de bestreden uitnodiging tot betaling aan als een beschikking, genomen op grond van wetelijke bepalingen in de zin van de Douanewet. Gelet op art. 26, lid 2, onderdeel b van de AWR is de bevoegdheid van de Douanekamer om de rechtmatigheid van deze beschikking te beoordelen, gegeven.

Belanghebbende heeft tegen de terugbetaling geen grieven aangevoerd. Beroep zonder belang: niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 02/611 DK

de dato 28 juni 2005

1. De procedure

1.1.Op 24 januari 2002 is bij de douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) een beroepschrift ingekomen van A van B te C, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z, belanghebbende.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van de belastingdienst (hierna: de inspecteur) van 20 december 2001, kenmerk xxxx, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de uitnodigingen tot betaling, vervat in het aanslagbiljet van 12 december 1997, kenmerk xxxx ten bedrage van in totaal f 133.581,07 ongegrond werd verklaard.

1.2. Van belanghebbende is door de griffier een griffierecht geheven van € 218.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 12 oktober 2004. De zaak is gelijktijdig behandeld met die welke onder nummer 02/609 DK bij de Douanekamer is geregistreerd. Namens belanghebbende zijn verschenen haar gemachtigde D, tot bijstand vergezeld van E, beiden verbonden aan B, alsmede namens de inspecteur F en G. Partijen hebben ter zitting elk een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de Douanekamer en de wederpartij. De Douanekamer rekent deze pleitnota’s tot de stukken van het geding.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is, voorzover hier van belang, producent van rijstproducten. Tot haar activiteiten behoort de bewerking van diverse soorten rijst. De daarvoor benodigde rijst is hoofdzakelijk afkomstig uit derde landen.

2.2. De bewerking van de onder 2.1. bedoelde rijst vindt plaats met gebruikmaking van de douaneregeling actieve veredeling met toepassing van het systeem inzake schorsing. Daartoe heeft het Hoofdproductschap Akkerbouw aan belanghebbende diverse vergunningen verstrekt, welke telkens geldig zijn voor een periode van één jaar. Bij deze vergunningen was het belanghebbende toegestaan om bij de veredeling gebruik te maken van equivalente goederen alsmede om de uit equivalente goederen verkregen veredelingsproducten uit de Gemeenschap uit te voeren alvorens invoer van invoergoederen heeft plaatsgevonden.

2.3. Tot de vergunningen voor actieve veredeling, waarover belanghebbende beschikte, behoorde de op 20 december 1995 onder nummer xxxx verleende vergunning om hoeveelheden langkorrelige gedopte rijst van post 1006 20 17 van het Gemeenschappelijke douanetarief (verder: GDT) te veredelen tot, voorzover hier van belang, langkorrelige volwitte rijst van post 1006 30 67 van het GDT. Met betrekking tot de toepassing van equivalentieverkeer vermeldde onderdeel 5 van deze vergunning dat equivalentie was toegestaan met langkorrelige gedopte parboiled rijst, een en ander “met inachtneming van het bepaalde in Bijlage 78, punt 1 van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek” (hierna: UCDW). De vergunning was geldig van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996.

2.4. Controle op de naleving van - onder meer - de onder 2.3. vermelde vergunning werd uitgevoerd door de Algemene inspectiedienst (hierna: AID). Tot de stukken van het geding behoort een rapport van de AID van 29 oktober 1996, nummer xxxx, betreffende een controle over de periode 1 juli 1996 tot en met 30 september 1996. Voorzover van belang is in dit rapport het volgende vermeld:

13. Toelichting/Opmerkingen: Bij de controle zijn de volgende afwijkingen vastgesteld

(…)

c. Bij afloopcontrole op door het bedrijf ingevoerde volwitte rijst uit Italie is vastgesteld, dat de op de bijlage 2 vermelde landbouwformulieren onjuiste equivalentie heeft plaatsgevonden. Het bedrijf heeft hier gebruik gemaakt van toestemmingsnummer 89/06/96, zijnde langkorrelige gedopte parboiled rijst van GN-code 1006.20.17 geëquivaleerd met uit Italië afkomstige parboiled rijst van GN-code 1006.30.67 zie bijlage 2.

(…).”

Bijlage 2 bij het controlerapport bevat een specificatie van de zendingen waarbij de onder 13c van het rapport gestelde onjuiste equivalentie heeft plaatsgevonden. Deze specificatie bevat, voor zover van belang, de nummers van de invoerformulieren waaronder de zendingen onder de regeling zijn gebracht, de datum van de respectievelijke formulieren, het corresponderende uitvoerformulier, het soort artikel, het gewicht in kilogram volwitte rijst, het gewicht in kilogram gedopte rijst, het tarief per 1000 kilogram en het verschuldigde bedrag.

2.5. Naar aanleiding van de onder 2.4. vermelde controle heeft de inspecteur de litigieuze uitnodigingen tot betaling vastgesteld. Blijkens het aanslagbiljet van 12 december 1997 zijn de uitnodigingen tot betaling vastgesteld tot een totaalbedrag van f 133.581,07 aan “rechten bij invoer”. In de bijlage bij het aanslagbiljet is, gespecificeerd per aangifte, een berekening gegeven van verschuldigde bedragen.

2.6. Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur een specificatie gevoegd van de geheven rechten bij invoer. Deze specificatie luidt als volgt:

“documentnummer Landbouwheffingen (…) (in guldens) douanerechten (in guldens) 1)

B.... 29.512,67 - 893,21

B ..... 3.221,52 -97,66

B ..... 52.287,87 -1.570,45

B ..... 52.822,48 1.702,15

TOTAAL 137.844,54 -4.263,47

1): het minteken voor de bedragen van de douanerechten kan als volgt worden verklaard. In verband met de onjuiste toepassing van de regeling actieve veredeling is een conform artikel 121 CDW berekende douaneschuld ontstaan voor de invoergoederen. Na het beëindigen van de veredelingstransacties waren de in het vrije verkeer gebrachte bijkomende veredelingsproducten reeds belast met de douanerechten op deze producten. Nu de invoergoederen worden belast in verband met de onjuiste toepassing van de regeling, dient de belasting van de uit de verwerking van de invoergoederen verkregen bijkomende veredelingsproducten ongedaan te worden gemaakt.”

2.7. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak inzake de onder 1.1. vermelde uitnodigingen tot betaling tevens beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (verder: CBB). Bij uitspraak van 19 november 2003, nrs. Xxxx heeft het CBB het beroep gegrond verklaard, heeft het de bestreden uitspraak vernietigd voor zover het betrof de nageheven landbouwheffingen en de daarmee samenhangende compenserende interesten, en heeft het bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

3. Het geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de uitnodigingen tot betaling terecht aan belanghebbende zijn uitgereikt.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. In de uitnodiging tot betaling wordt van belanghebbende betaling gevorderd van “rechten bij invoer”. “Rechten bij invoer” zijn als zodanig niet een op grond van enige wettelijke bepaling geheven belasting. Nu een specificatie van de heffingen op de onderhavige uitnodigingen tot betaling ontbreekt, zijn deze niet rechtsgeldig. Hieraan kan niet afdoen dat de inspecteur bij de bestreden uitspraak alsnog een specificatie heeft gegeven van de rechten welke hij beoogde te heffen.

4.2. De inspecteur heeft bij de behandeling van de bezwaarschriften onzorgvuldig gehandeld door niet alle beschikbare gegevens in aanmerking te nemen bij de behandeling van de bezwaarschriften.

4.3. Ter zitting heeft belanghebbende, zakelijk weergegeven, hieraan nog het volgende toegevoegd:

Indien de Douanekamer van oordeel is dat de uitnodiging tot betaling, ondanks de vermelding “rechten bij invoer” daarin, rechtsgeldig is, dan is in deze zaak niets meer aan de orde. Belanghebbende heeft dan geen belang in deze zaak omdat douanerechten worden terugbetaald. Het beroep zou dan niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Het begrip “rechten bij invoer” is door de communautaire wetgever gedefinieerd en wordt als zodanig ook door de nationale wetgever gehanteerd. Nu bij de uitspraak op bezwaar de verschuldigde “rechten bij invoer” zijn gespecificeerd naar de aard van het geheven recht, moet worden vastgesteld dat de uitnodiging tot betaling rechtsgeldig is.

5.2. Van een ontoereikende motivering van de uitnodigingen tot betaling of een onzorgvuldige behandeling van de bezwaarschriften is geen sprake.

5.3. Ter zitting heeft de inspecteur, zakelijk weergegeven, nog het volgende toegevoegd:

Belanghebbende heeft geen belang in deze procedure, nu van haar geen douanerechten zijn geheven, doch juist gerestitueerd. Het beroep dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

6. De overwegingen omtrent het geschil

6.1. Blijkens de bij de bestreden uitspraak gevoegde specificatie van de geheven rechten bij invoer is onder meer beoogd douanerechten te restitueren. Voor zover de bestreden uitnodiging tot betaling de restitutie van douanerechten betreft, merkt de Douanekamer deze aan als een beschikking, genomen op grond van wettelijke bepalingen in de zin van de Douanewet. Gelet op het bepaalde in artikel 26, tweede lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tekst van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2004 (verder: AWR), is hiermede de bevoegdheid van de Douanekamer om de rechtmatigheid van deze beschikking te beoordelen, gegeven.

6.2. Ontvankelijkheid van het beroep

6.2.1. Wat er ook zij van de – door belanghebbende bestreden – rechtsgeldigheid van de uitnodiging tot betaling, uit de bij de onderhavige uitspraak gegeven specificatie daarvan blijkt, dat beoogd is douanerechten aan belanghebbende terug te betalen. Belanghebbende heeft tegen deze terugbetaling geen grieven aangevoerd. Tegen dat element van de uitnodiging tot betaling waarvoor de Douanekamer, blijkens het onder 6.1. overwogene, bevoegd is, heeft belanghebbende dus geen bezwaren. Derhalve moet worden geoordeeld – zoals partijen ook reeds hebben aangegeven – dat het onderhavige beroep zonder belang is.

6.2.2. Uit hetgeen onder 6.2.1. is overwogen volgt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

8. De beslissing

De Douanekamer verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

De uitspraak is vastgesteld op 28 juni 2005 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, en mrs. M.E. van Hilten en J.T.M. Nijenhof, leden van de Douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

De Douanekamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.