Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT8948

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-07-2005
Datum publicatie
13-07-2005
Zaaknummer
04/00646
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gemeente Zaanstad heft met ingang van 2003 precariobelasting van het geprivatiseerde provinciale waterleidingbedrijf voor de leidingen in de gemeentegrond. Het Hof vernietigt die aanslag in verband met de afspraken die in 1991 bij de oprichting van het bedrijf zijn gemaakt.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 228, geldigheid: 2005-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1389
Belastingblad 2005/871
V-N 2005/36.3
V-N 2005/52.1.12

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van de naamloze vennootschap N.V. X Waterleidingbedrijf , belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Sectorhoofd belastingen van de gemeente Zaanstad, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 17 februari 2004, ingediend door haar gemachtigde (...).Het beroep is gericht tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 15 januari 2004, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de precariobelasting voor het jaar 2003. Het beroepschrift is aangevuld bij brieven van de gemachtigde, gedagtekend 24 februari 2004 en 17 mei 2004.

In de bestreden uitspraak is het bezwaar van belanghebbende tegen voornoemde aanslag gedeeltelijk gegrond verklaard en is de aanslag verminderd tot een bedrag van

€ 1.541.153,90.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en van de aanslag .

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, waarin hij concludeert tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de aanslag tot één berekend naar een tarief van € 7,22 voor de eerste 20 meter en € 2,22 voor iedere volgende meter.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 mei 2005. (...)

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Sinds 1 oktober 1990 wordt de drinkwatervoorziening in het voorzieningsgebied van het voormalige Provinciaal Waterleidingbedrijf Noord-Holland verzorgd door belanghebbende.

2.2. Bij Koninklijk Besluit van 18 april 1991, no. 91.003582, is aan belanghebbende concessie verleend voor de uitvoering van werken ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening in haar verzorgings- dan wel leveringsgebied.

2.3. Het grondgebied van verweerders gemeente maakt deel uit van dit voorzieningsgebied. Voor de taakuitvoering van belanghebbende bevinden zich waterleidingen in de gemeentegrond.

2.4. Tussen verweerders gemeente en belanghebbende is een overeenkomst gesloten, ondertekend door de gemeente Zaanstad op 21 oktober 1991 en door belanghebbende op 1 november 1991 (verder te noemen: de overeenkomst 1991), waarvan de aanhef en artikel 1, lid 1 en 2, als volgt luiden:

“Dat tussen de gemeente en het Provinciaal Waterleidingbedrijf van Noord-Holland een regeling is overeengekomen ter zake van de wijze waarop de waterleiding in deze gemeente wordt geëxploiteerd.

Dat de provincie Noord-Holland ter exploitatie van het waterleidingbedrijf de N.V. X Waterleidingbedrijf heeft opgericht.

Dat, onder opzegging van bovenbedoelde regeling, partijen verklaren als volgt te zijn overeengekomen:

Artikel 1

Lid 1

De N.V. X is gerechtigd om in de wegen, straten, pleinen, wateren, gronden enz. die toebehoren aan of onder beheer staan van de gemeente Zaanstad waterleidingwerken aan te leggen, te hebben, te onderhouden, te vernieuwen en te amoveren.

Lid 2

Ter zake van de aanleg, het hebben en houden en amoveren van waterleidingwerken gelden geen andere vergoedingen dan in deze overeenkomst genoemd.”

2.5. Ter voorbereiding van deze, ook met andere gemeenten in het verzorgingsgebied van belanghebbende te sluiten, overeenkomst is een ad-hoc-commissie gevormd, van welke commissie ook een jurist namens verweerders gemeente deel uitmaakte. De door de commissie d.d. 13 maart 1991 opgestelde toelichting bij de concept-overeenkomst bevat, voor zover hier van belang, de volgende passages:

“(..)

Er is uitvoerig stilgestaan bij de vraag of het in het onderhavige geval een publiekrechtelijke dan wel een privaatrechtelijke overeenkomst betreft. Hierbij kwamen onderwerpen als precario-verordening, aanlegvergunning en bestemmingsplanprocedure ter sprake. De door de ad-hoc-commissie onderschreven conclusie is dat op grond van de volgende overwegingen het aangaan van een privaatrechtelijke overeenkomst wordt geadviseerd:

1. gelet op het gegeven dat de N.V. X een non-profit-organisatie is met een wettelijk opgelegde en maatschappelijk belangrijke taak ligt precarioheffing niet voor de hand;”

(..)

Artikel 1 lid 1 betreft het door alle gesprekspartners onderschreven principiële recht van de N.V. X om op grond van de leveringsplicht waterleidingwerken in gemeentegrond/-water te mogen hebben.

(..)”

2.6. Het hoofd van de afdeling Heffing & invordering van verweerders gemeente heeft belanghebbende bij ongedateerde brief, bij belanghebbende ingekomen op 7 februari 2001, onder meer het volgende meegedeeld:

“(..)

Wat is er veranderd?

In de Verordening voor Precariobelasting is in artikel 6 letter c een vrijstelling opgenomen voor de gemeente zelf, openbare bedrijven van het Rijk en Provincie, en voor bedrijven van publiekrechtelijke lichamen die gas produceren of distribueren.

Uit onze informatie blijkt dat deze vrijstelling, tot nu toe op uw bedrijf van toepassing was. Om die reden was u voor eerdere belastingjaren niet belastingplichtig voor de Precariobelasting of de retributie voor objecten die bij de gemeente in beheer of onderhoud zijn.

Gemeente Zaanstad is van mening dat uw bedrijf nu niet meer valt onder de voornoemde vrijstelling. Dit komt omdat uw bedrijf (recentelijk) geprivatiseerd is. Particuliere bedrijven vallen niet onder de vrijstellingsregeling en zijn dus belastingplichtig. Ook als u als particulier bedrijf voor de gemeente werkzaamheden verricht, bent u belastingplichtig. Indien uw bedrijf voor het belastingjaar 2001 of later belastbaar is voor de Precariobelasting of de daarmee samenhangende retributies, zal door de gemeente daarvoor een belastingaanslag worden opgelegd. Met andere woorden: voor het bezit van voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond of voor het gebruik van gemeentebezittingen kunt u vanaf heden een belastingaanslag verwachten.

(..)”

3. Geschil

In geschil is of het verweerder vrijstond over het jaar 2003 een aanslag precariobelasting aan belanghebbende op te leggen.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het proces-verbaal van de zitting.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende doet haar standpunt dat aan haar geen aanslag precario kan worden opgelegd door verweerder steunen op de volgende, kort weergegeven argumenten:

a. zij dient te worden vrijgesteld van de heffing van precariobelasting onder toepassing van de vrijstellingsregels als opgenomen in de Verordening retributies en precariobelasting 2003 van verweerders gemeente (verder te noemen: de Verordening );

b. er is geen sprake van een situatie waarin de gemeente uitdrukkelijk of stilzwijgend veroorlooft of toelaat dat belanghebbende voorwerpen heeft onder, op of boven de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond of –water;

c. er is sprake van strijd met het vertrouwens- dan wel het rechtszekerheidsbeginsel, gelet op het bepaalde in de overeenkomst 1991.

5.2. Het Hof zal zich beperken tot de bespreking van het argument onder c., nu het daarin grond ziet te komen tot vernietiging van de beslissing op bezwaar en de onderliggende aanslag.

5.3. Naar het oordeel van het Hof is de hiervoor onder punt 2.4. aangehaalde inhoud van de overeenkomst 1991 bezwaarlijk anders op te vatten dan als een ondubbelzinnige, schriftelijk vastgelegde en tussen belanghebbende en verweerders gemeente als zodanig uitdrukkelijk overeengekomen toezegging, dat voor de duur van deze overeenkomst belanghebbende niets anders verschuldigd zou zijn voor onder meer het hier aan de orde zijnde “hebben” van waterleidingwerken, dan de vergoedingen die in die overeenkomst worden genoemd. Het Hof stelt daarbij vast dat gesteld noch gebleken is dat de overeenkomst enige positieve bepaling bevat over het recht om precariorecht dan wel -belasting te heffen.

5.4. Verweerder huldigt het standpunt dat onder de in de overeenkomst gebezigde term “vergoedingen” geen precariobelasting gevat kan worden, omdat deze naar de aard geen vergoeding is voor enige prestatie, doch een belasting van overheidswege. Gedoeld zou vooral zijn op prijzen en genotsretributies die de gemeente zou kunnen heffen ter zake van (her)straatwerkzaamheden in verband met de waterleidingwerken.

5.5. Het Hof volgt verweerder hierin niet. Blijkens de toelichting op de ontwerpovereenkomst heeft de ad-hoc-commissie bezien of het nodig zou zijn ook nog een privaat- dan wel publiekrechtelijke bepaling op te nemen ten aanzien van de heffing van precario. Dat achtte men niet nodig, omdat een zodanige heffing niet voor de hand zou liggen. Daaruit kan niet afgeleid worden dat daarmee door partijen het heffen van precario in de toekomst in ongewijzigde omstandigheden mogelijk werd geacht. Men achtte juist een specifieke bepaling op dit punt onnodig, omdat daarvan geen sprake zou zijn. De bedoeling van partijen is daarmee naar het oordeel van het Hof duidelijk: belanghebbende zou publiekrechtelijk dan wel privaatrechtelijk niets anders verschuldigd zijn dan wat als zodanig in de overeenkomst is genoemd. De overweging in de toelichting dat belanghebbende een non-profit-organisatie is met een wettelijk opgelegde en maatschappelijk belangrijke taak geeft extra steun aan deze opvatting.

5.6. Vervolgens is jarenlang conform deze toezegging gehandeld. Eerst in 2001 volgt dan een schrijven van verweerder, waarin deze aangeeft, zo verstaat althans het Hof de inhoud van deze brief, dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, welke precarioheffing in de toekomst zouden rechtvaardigen. Van andere omstandigheden in 2001 dan die welke golden tijdens het afsluiten van de overeenkomst in 1991 is het Hof echter niet gebleken, laat staan van omstandigheden die niet nakoming van het overeengekomene zouden rechtvaardigen.

5.7. De overeenkomst bevat derhalve een toezegging waaraan verweerder nog steeds is gebonden en waarop belanghebbende gerechtvaardigd mocht vertrouwen en zich met succes in rechte kan beroepen. De beantwoording van de vraag of verweerder, ware deze toezegging niet gedaan, gerechtigd zou zijn om van belanghebbende precariobelasting te heffen, kan daarom achterwege blijven. Het bestreden besluit en de daarin gehandhaafde aanslag precariobelasting dienen te worden vernietigd, wegens strijd met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep van belanghebbende is gegrond.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is acht het Hof termen aanwezig verweerder op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Deze kosten dienen te worden berekend op de voet van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hiervan uitgaande stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij dat besluit opgenomen tarief op 2 (beroepschrift en verschijnen zitting) x € 322 x 1,5 (wegingsfactor) = € 966.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vernietigt de aanslag ;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 966 en wijst de gemeente Zaanstad aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende dient te voldoen;

- gelast de gemeente Zaanstad het gestorte griffierecht ad € 232 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 1 juli 2005 door mr. C. Schaap, voorzitter, mrs. P.M.F. van Loon en J.L. Bruinsma, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.