Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT8791

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-07-2005
Datum publicatie
06-07-2005
Zaaknummer
23-004787-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ceteco-affaire. De verdachte heeft zich in zijn functie als ambtenaar van de provincie Zuid-Holland samen met een ander schuldig gemaakt aan het stelselmatig valselijk opmaken van nota's door op deze nota's te laten vermelden dat zij betrekking hadden op bemiddelingskosten terwijl enkel sprake is geweest van het geven van advies. Tevens heeft hij door deze valse nota's te paraferen en te zenden naar de met uitbetaling belaste afdeling binnen de provincie Zuid-Holland, de provincie bewogen tot betaling van deze zogenaamde bemiddelingskosten aan medeverdachte [..]. Daarenboven heeft de verdachte in zijn hoedanigheid als ambtenaar steekpenningen aangenomen en ter verhulling daarvan een overeenkomst van geldlening samen met een ander vals opgemaakt en in zijn administratie bewaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

rolnummer: 23-004787-04

datum uitspraak: 5 juli 2005

TEGENSPRAAK (raadsman gemachtigd)

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen -na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 26 oktober 2004- op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 12 april 2002 in de strafzaak onder parketnummer 09-754101-99 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

Procesgang

De rechtbank te 's-Gravenhage heeft de verdachte op 12 april 2002 vrijgesproken van het onder 3 primair tenlastegelegde en veroordeeld terzake van het onder 1, 2, 3 subsidiair 4 en 5 tenlastegelegde.

De verdachte en het openbaar ministerie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft in hoger beroep bij arrest van 7 mei 2003 het vonnis vernietigd, opnieuw recht gedaan en de verdachte vrijgesproken van het onder 2 primair, 2 subsidiair en 3 primair tenlastegelegde en veroordeeld terzake van het onder 1, 3 subsidiair, 4 en 5 tenlastegelegde.

De advocaat-generaal en de verdachte hebben tegen het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 26 oktober 2004 de bestreden tussenbeslissing van 5 maart 2003 en de bestreden einduitspraak van 7 mei 2003 van het gerechtshof te 's-Gravenhage vernietigd, doch de laatste uitsluitend wat betreft de beslissing ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde alsmede de strafoplegging en de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam verwezen teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 19 maart 2002 en 4 april 2002 en, na verwijzing, op de terechtzitting van dit hof van 21 juni 2005.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in hoger beroep van 21 juni 2005 op vordering van de advocaat-generaal toegestane wijziging tenlastelegging.

Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.

Geldigheid van de inleidende dagvaarding

Met betrekking tot feit 2 primair zal het hof de dagvaarding partieel nietig verklaren voorzover het het gestelde achter de eerste drie gedachtestreepjes betreft, daar deze feitelijkheden op zichzelf niet als het aannemen van een valse hoedanigheid noch als listige kunstgrepen dan wel als samenweefsel van verdichtsels kunnen worden aangemerkt, ook niet in onderling verband en samenhang bezien of met hetgeen daarop aansluitend onder het vierde gedachtestreepje is gesteld, zodat de tenlastelegging op deze punten niet redengevend is voor hetgeen de verdachte wordt verweten, en derhalve op deze onderdelen onbegrijpelijk is.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op tijdstippen in de periode van 1 april 1998 tot en met 1 september 1999 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen de provincie Zuid-Holland heeft bewogen tot de afgifte één of meer geldsbedragen aan zijn, verdachtes, mededader de vennootschap onder firma [..];

die listige kunstgrepen -zakelijk weergegeven en in onderling verband en samenhang- bestonden hieruit dat:

--zijn, verdachtes, mededader, de vennootschap onder firma [..] ten

behoeve van haarzelf telkens een nota opstelde waarin ten laste van de provincie Zuid-Holland een of meer geldsbedragen werden gedeclareerd en die nota telkens zond ter attentie van hem, verdachte, in zijn hoedanigheid van provinciaal ambtenaar van de provincie Zuid-Holland naar de provincie Zuid-Holland;

het betrof de navolgende nota's:

1) Courtage-nota nota nr. : 9902504 dd 5 februari 1999 (dossier Rijksrecherche 2.3.3.1. c), en

2) Courtage-nota nota nr. : 9903516 dd 24 maart 1999 (dossier Rijksrecherche 2.3.3.2. c), en

3) Courtage-nota nota nr. : 9903515 dd 18 maart 1999 (dossier Rijksrecherche 2.3.3.3. c), en

4) Courtage-nota nota nr. : 9812483 dd 7 december 1998 (dossier Rijksrecherche 2.3.3.4. d), en

5) Courtage-nota nota nr. : 9904527 dd 26 april 1999 (dossier Rijksrecherche 2.3.3.5. c), en

6) Courtage-nota nota nr. : 9906545 dd 11 juni 1999 (dossier Rijksrecherche 2.3.3.6. c), en

7) Courtage-nota nota nr. : 9807429 dd 13 juli 1998 (dossier Rijksrecherche 2.3.3.7 c), en

8) Courtage-nota nota nr. : 9808439 dd 11 augustus 1998 (dossier Rijksrecherche 2.3.3.8. c), en

9) Courtage-nota nota nr. : 9809451 dd 17 september 1998 (dossier Rijksrecherche 2.3.3.9. c), en

10) Courtage-nota nota nr. : 9810460 dd 9 oktober 1998 (dossier Rijksrecherche 2.3.3.10. c), en

11) Courtage-nota nota nr. : 9811473 dd 3 november 1998 (dossier Rijksrecherche 2.3.3.11. c). en

12) Courtage-nota nota nr. : 9811474 dd 6 november 1998 (dossier Rijksrecherche 2.3.3.12. c), en

13) Courtage-nota nota nr. : 9810461 dd 16 oktober 1998 (dossier Rijksrecherche 2.3.3.13. c), en

14) Courtage-nota nota nr. : 9810463 dd 22 oktober 1998 (dossier Rijksrecherche 2.3.3.14. c), en

15) Courtage-nota nota nr. : 9811476 dd 17 november 1998 (dossier Rijksrecherche 2.3.3.15. c),

(hierboven wordt met "dossier Rijksrecherche" telkens bedoeld het dossier "Rijksrecherche Den Haag Zaaknummer 19990268");

--hij, verdachte, en die vennootschap onder firma [..] telkens opzettelijk in strijd met de waarheid in die hierboven genoemde en aan hem, verdachte, en de provincie Zuid-Holland verzonden nota's vermeldden dat de door middel van die nota's bij de provincie Zuid-Holland in rekening gebrachte bedragen telkens betrekking hadden op courtagekosten met betrekking tot in die nota's met zoveel woorden aangegeven door de provincie Zuid-Holland gesloten leenovereenkomst(en) en/of financiële constructie(s)

tussen die provincie Zuid-Holland enerzijds en een of meer derden anderzijds, zulks terwijl die gedeclareerde en in rekening gebrachte bedragen telkens in het geheel geen betrekking hadden op door die vennootschap onder firma [..] verrichte bemiddelingswerkzaamheden met betrekking tot tussen de provincie Zuid-Holland en haar wederpartij(en) bij die in die nota's genoemde leenovereenkomst(en) en/of financiële constructie(s);

--deze manier van declareren en het op deze wijze opstellen van die

nota's telkens door hem, verdachte, was voorgesteld aan die vennootschap onder firma [..] en telkens plaatsvond op basis van en na door hem, verdachte, aan die vennootschap onder firma [..] verstrekte gegevens met betrekking tot die leenovereenkomst(en) en/of die financiële constructie(s);

--hij, verdachte, telkens listiglijk die nota's -- na binnenkomst ervan bij de provincie Zuid-Holland - ter goedkeuring en ter uitbetaling door de provincie Zuid-Holland van zijn goedkeurende paraaf heeft voorzien, en

hij, verdachte, telkens listiglijk de op die nota's betrekking hebbende en voor de financiële administratie van de provincie Zuid-Holland voor uitbetaling aan

derden noodzakelijk boekings- en betalingsopdrachten heeft ingevuld en van zijn, verdachte's, goedkeurende paraaf heeft voorzien, en

hij, verdachte, listiglijk die geparafeerde betaling-/ boekingsopdrachten ter verdere (financiële) afwerking/bewerking en uitbetaling heeft doorgezonden naar een daarvoor aangewezen ambtelijke afdeling en persoon binnen de provincie Zuid-Holland;

in ieder geval heeft hij, verdachte, binnen het ambtelijk apparaat van de provincie Zuid-Holland listiglijk bevorderd en vanuit zijn ambtelijke positie bewerkstelligd, dat de op die nota's aangegeven bedragen (met spoed) door de provincie Zuid-Holland werden betaald aan die vennootschap onder firma [..];

waardoor die provincie Zuid-Holland -- telkens -- werd bewogen tot het betalen van één of meer geldsbedragen aan die vennootschap onder firma [..];

Hetgeen onder 2 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank te 's-Gravenhage heeft de verdachte veroordeeld ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 subsidiair, 4 en 5 tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis alsmede een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 240 uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 2 primair en subsidiair en 3 primair tenlastegelegde en hem veroordeeld ten aanzien van de feiten 1, 3 subsidiair, 4 en 5 tot een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 240 uur, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Na verwijzing door de Hoge Raad heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld terzake van medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, alsmede de eerder door het hof te 's-Gravenhage bewezengeachte feiten tot een werkstraf van 240 uur bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden en ontzetting van het recht tot het bekleden van ambten voor de duur van 4 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in zijn functie als ambtenaar van de provincie Zuid-Holland samen met een ander schuldig gemaakt aan het stelselmatig valselijk opmaken van nota's door op deze nota's te laten vermelden dat zij betrekking hadden op bemiddelingskosten terwijl enkel sprake is geweest van het geven van advies. Tevens heeft hij door deze valse nota's te paraferen en te zenden naar de met uitbetaling belaste afdeling binnen de provincie Zuid-Holland, de provincie bewogen tot betaling van deze zogenaamde bemiddelingskosten aan medeverdachte [..]. Daarenboven heeft de verdachte in zijn hoedanigheid als ambtenaar steekpenningen aangenomen en ter verhulling daarvan een overeenkomst van geldlening samen met een ander vals opgemaakt en in zijn administratie bewaard.

Door aldus te handelen heeft de verdachte het vertrouwen dat in hem als ambtenaar mocht worden gesteld -mede ten behoeve van zijn eigen positie- ernstig beschaamd en het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van financiële bescheiden en schriftelijke overeenkomsten moet kunnen worden gesteld schade toegebracht.

In het voordeel van de verdachte laat het hof meewegen dat de bewezen verklaarde feiten zich hebben afgespeeld binnen de context van het Besluit van Gedeputeerde Staten van 1995 inzake intensivering van de treasury ("het bankiersbesluit"). Omtrent dit besluit heeft de Commissie Van Dijk onder meer geoordeeld dat het naar inhoud ondeugdelijk en extreem riskant was, dat maatregelen om het besluit adequaat uit te voeren niet zijn genomen en dat bij de uitvoering van het besluit vele regels en voorschriften werden geschonden. Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat als gevolg van ondeugdelijke besluitvorming en een volstrekt ontoereikende controle de verdachte in een positie is gebracht, waarin hij solitair kon opereren, niet werd gecoacht en ook achteraf niet voldoende werd gecontroleerd. Toen de eerste positieve resultaten bekend werden, werd de verdachte daarvoor geprezen en beloond, maar kritische vragen werden niet gesteld. Zo kon een klimaat ontstaan waarin de verdachte zijn eigen gang kon gaan en waarin niemand zich afvroeg of hij nog voldoende op zijn taak berekend was.

Voorts houdt het hof rekening met het feit dat de verdachte oneervol is ontslagen en dat aannemelijk is dat hij meer dan enig andere voor (de uitvoering van) het "bankiersbesluit" verantwoordelijke (ex)functionaris van de provincie Zuid-Holland in de schijnwerpers is komen te staan en zeer lange tijd met de gevolgen - waaronder zeker ook ingrijpende financiële gevolgen- van een en ander geconfronteerd zal worden. De verdachte is hierdoor al behoorlijk gestraft, hetgeen naar het oordeel van het hof een matigend effect heeft op de thans op te leggen straf.

Tussen het moment van de huiszoeking bij verdachte en de behandeling in hoger beroep bij dit hof zijn meer dan 5 jaar verstreken. Hoewel daarmee - gelet op de concrete omstandigheden van dit geval - geen sprake is van een onredelijke termijn als bedoeld in art 6 lid 1 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, moet wel vastgesteld worden dat verdachte daardoor lang in onzekerheid heeft verkeerd. Ook met dit aspect houdt het hof rekening bij de strafoplegging.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatiedienst van 12 mei 2005 is verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof ziet geen aanleiding tot een ontzetting van het recht tot het bekleden van ambten, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, nu een terugkeer van de verdachte in enig ambt na hetgeen is voorgevallen en mede gelet op zijn leeftijd uiterst onwaarschijnlijk moet worden geacht.

Het hof acht, alles afwegende, straffen van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover thans nog aan de orde, en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 180 (honderdtachtig) uren.

Beveelt dat bij niet naar behoren verrichten van de taakstraf, deze wordt vervangen door hechtenis voor de duur van 90 (negentig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Dit arrest is gewezen door de 11e meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Scholten, Den Ottolander en Van Asperen de Boer-Delescen in tegenwoordigheid van mr. Van Zeggeren, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 juli 2005.

mr. Van Asperen de Boer-Delescen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.