Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT8635

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-06-2005
Datum publicatie
04-07-2005
Zaaknummer
03/1224 DK
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij ruil van ‘oude’ sieraden verkregen ‘nieuwe’ sieraden vormen geen terugkerende goederen in de zin van artikel 185, eerste lid, CDW jo. artikel 21, aanhef en onderdeel a, Wet op de omzetbelasting 1968. Beroep op vrijstelling ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 03/1224 DK

de dato 23 juni 2005

1. De procedure

1.1. Op 6 maart 2003 is bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) een beroepschrift ingekomen van A, woonachtig te Z (Denemarken), ingediend namens zijn echtgenote X, belanghebbende, aangevuld bij brieven van 27 mei en 7 juli 2003. Het beroepschrift is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/ Douane West/ kantoor Hoofddorp Saturnusstraat (hierna: de inspecteur) van 23 januari 2003, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de afwijzende beschikking op een verzoek om kwijtschelding van douanerechten en omzetbelasting van 14 augustus 2002 gedeeltelijk ongegrond werd verklaard.

1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 13 januari 2005.

Ter zitting zijn verschenen belanghebbendes gemachtigde, tot zijn bijstand vergezeld van B en C. Namens de inspecteur zijn verschenen D en E. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgelezen, waarvan de inhoud als hier opgenomen geldt.

1.3. Tijdens de zitting heeft de voorzitter aangegeven de zitting in de Nederlandse taal te zullen voeren, en is de griffier gevraagd een en ander samen te vatten in de Engelse taal. Nu partijen tegen deze gang van zaken geen bezwaar hebben gemaakt, heeft het horen van belanghebbbende plaatsgevonden zonder bijstand van een tolk.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende woont in Denemarken. Op 5 augustus 2002 is zij tezamen met haar echtgenoot en andere familieleden met het vliegtuig rechtstreeks vanuit Canada op de luchthaven Schiphol in Nederland aangekomen. In de aankomsthal op de luchthaven zijn zij de ‘groene doorgang’ gepasseerd, waarna een douaneambtenaar de goederen, die belanghebbende bij zich had, heeft gecontroleerd. Bij deze controle zijn twaalf gouden armbanden aangetroffen, verpakt in een sieradenetui van een juwelier uit Singapore. De inspecteur heeft dezelfde dag aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling uitgereikt voor € 24,80 aan douanerechten en een voor € 193,23 aan omzetbelasting. Omdat de aldus gevorderde belastingen niet aanstonds na die uitreiking is betaald, zijn de sieraden door de douane in bewaring genomen.

2.2.Bij brieven van 14 en 26 augustus 2002 heeft belanghebbende schriftelijk verzocht om teruggaaf van de sieraden.

2.3.Tot de gedingstukken behoren:

- een kopie van de uitnodiging voor een bruiloft in Canada;

- een kopie van een lijst met sieraden voorzien van een stempel van de Deense douane ten name van “F”;

- twee kopieën van facturen van een Singaporese juwelier, met de nummers 1358 en 1364, beide niet gedateerd;

- een kopie factuur van dezelfde Singaporese juwelier, nummer 1799, gedagtekend 22 augustus 2001 ten name van “F”;

- een kopie van een uitnodiging voor een huwelijk in Duitsland;

- kopieën van gedeelten uit het paspoort van “F” ten blijke dat zij in Singapore is geweest in de periode liggend tussen 11 en 24 augustus 2001.

2.4. Bij beschikking van 30 augustus 2002 heeft de inspecteur het verzoek om kwijtschelding van verschuldigde rechten afgewezen. Belanghebbende heeft op 19 september 2002 bezwaar gemaakt tegen de beschikking, welk bezwaar bij brief van 28 oktober 2002 nog is aangevuld. Bij de in 1.1. vermelde uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en teruggaaf verleend van € 6,15 aan douanerechten en € 47,88 aan omzetbelasting.

3. Het geschil

Tussen partijen is in geding het antwoord op de vraag of ter zake van de invoer van de onderhavige goederen de vrijstelling van rechten bij invoer voor “terugkerende goederen” als bedoeld in artikel 185, lid 1, van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) juncto artikel 21, lid 1, aanhef en onder a van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) van toepassing is, welke vraag belanghebbende bevestigend en de inspecteur ontkennend beantwoordt.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. De armbanden zijn al sinds jaar en dag eigendom van belanghebbende. De armbanden zijn verkregen ter gelegenheid van haar huwelijk. Omdat de ontwerpen gedateerd raakten, werd in augustus 2001 in Singapore besloten ze te ruilen voor armbanden met een nieuw ontwerp. Dit is gedaan door de nicht van belanghebbende, de in 2.3. vermelde “F”. Een deel van de oude sieraden is bij die gelegenheid omgesmolten tot nieuwe sieraden. De facturen van de Singaporese juwelier zijn overgelegd, evenals een document ondertekend door de Deense douane dat bepaalde sieraden de Gemeenschap zijn uitgevoerd naar Singapore. Bij de terugreis vanuit Singapore naar Denemarken via Duitsland, heeft de Duitse douane tegen voornoemde nicht gezegd dat er geen douanerechten verschuldigd zouden zijn. Belanghebbende was zich er niet van bewust dat zij bij vertrek uit Denemarken en aankomst in Nederland de goederen had moeten aangeven.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. De vrijstelling voor terugkerende goederen kan worden verleend, indien komt vast te staan dat de goederen zich tijdens de uitvoer uit het douanegebied van de Gemeenschap in het vrije verkeer bevonden dan wel dat voor goederen afkomstig uit derde landen de verschuldigde rechten reeds zijn voldaan. Belanghebbende heeft geen bewijs geleverd dat de belastingen, verschuldigd bij het invoeren van de armbanden vanuit Singapore in het douanegebied van de Gemeenschap, al zijn voldaan. Dit houdt in dat zij evenmin heeft bewezen dat de goederen zich vóór vertrek naar Canada al op rechtmatige wijze in het vrije verkeer van de Gemeenschap bevonden. Deze omstandigheden moeten leiden tot de heffing zoals die heeft plaatsgevonden.

Ter zitting heeft de inspecteur gesteld dat de fictiebepaling van artikel 313, lid 1 Uitvoeringsverordening CDW geen toepassing kan vinden, omdat de douane de sieraden had aangetroffen op het moment dat ze in het douanegebied werden binnengebracht.

5.2. Het feit dat deze armbanden zouden zijn omgeruild tegen armbanden die al sinds jaren in het bezit waren van belanghebbende, is niet relevant voor de toepassing van de vrijstelling. De nieuwe armbanden hebben immers een nieuwe identiteit en kunnen wat de douanestatus betreft niet in de plaats van de oude, omgeruilde armbanden treden. Ter zitting heeft de inspecteur gesteld dat belanghebbende in dat geval een vergunning voor toepassing van de regeling passieve veredeling had kunnen vragen.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Terugkerende goederen

6.1.1. Op grond van artikel 185, lid 1, CDW worden communautaire goederen die, na uit het douanegebied van de Gemeenschap te zijn uitgevoerd, opnieuw in dit douanegebied worden binnengebracht en binnen een termijn van drie jaar in het vrije verkeer worden gebracht, op verzoek van de belanghebbende van rechten bij invoer vrijgesteld. Met overeenkomstige toepassing van deze bepaling bestaat ingevolge artikel 21, lid 1, aanhef en onder a, Wet OB aanspraak op vrijstelling voor de omzetbelasting bij invoer.

6.1.2. Het gebruik van de regeling “terugkerende goederen” met volledige vrijstelling van douanerechten komt belanghebbende niet toe, nu zij, tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de sieraden vóór uitvoer uit het douanegebied van de Gemeenschap communautaire goederen waren als bedoeld in artikel 4, lid 7, CDW, in samenhang met artikel 79 CDW. Uit de ter zitting door belanghebbende gegeven toelichting bij de facturen van de Singaporese juwelier, is de Douanekamer gebleken dat oude sieraden in Singapore zijn omgeruild voor nieuwe sieraden, waarmee is vast komen te staan dat de litigieuze sieraden niet dezelfde sieraden zijn als de sieraden die belanghebbende eerder jarenlang in haar bezit zegt te hebben gehad. Dit is niet anders wanneer vast zou komen te staan dat de ‘oude’ sieraden geheel of gedeeltelijk zijn verwerkt in de ‘nieuwe’ sieraden. Er bestaat geen juridische grondslag voor de stelling van belanghebbende dat de ‘nieuwe’ sieraden, verkregen in 2001, in de plaats zijn getreden van de ‘oude’ sieraden van belanghebbende, en dat deze daarmee de communautaire status zouden hebben overgenomen.

6.1.3. Uit het vorenstaande volgt dat in casu geen sprake is van ‘terugkerende goederen’, zodat de litigieuze vrijstelling niet van toepassing is.

6.2. De verschuldigdheid

6.2.1. Uit het sub 6.1. overwogene volgt dat de onderwerpelijke sieraden aan heffingen bij invoer onderworpen zijn. Belanghebbende heeft erkend dat bij aankomst in de Gemeenschap geen douanerechten en omzetbelasting zijn voldaan, zodat de uitnodiging tot betaling terecht is opgelegd.

6.2.2. Belanghebbende heeft verder de berekening van de heffingen, zoals die in de uitspraak op het bezwaar nader zijn vastgesteld, niet bestreden.

6.3. Conclusie

Op grond van het voorgaande komt de Douanekamer tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De beslissing

De Douanekamer verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 23 juni 2005 door Wet op de omzetbelasting 1968Wet op de omzetbelasting 1968, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando, griffier.

De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

De Douanekamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uit-spraak in geanonimiseerde vorm.

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden inge-steld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroorde-len in de proceskosten.