Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT8541

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-06-2005
Datum publicatie
30-06-2005
Zaaknummer
98/90021 DK
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Met inachtneming van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 16 september 2004, nr. C-396/02, gewezen naar aanleiding van prejudiciele vragen van de Douanekamer, oordeelt de Douanekamer dat Verordening (EEG) nr. 396/92 geen belemmering vormt voor de indeling van de ingevoerde minitracs onder post 8704 10 19 van het GDT. De minitracs moeten onder voornoemde post worden ingedeeld. Het beroep van belanghebbende wordt gegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

In de zaak nr. 98/90021 DK (voorheen: 0021/98 TC)

de dato 22 juni 2005

1. De procedure

1.1. Op 30 januari 1998 is bij de Tariefcommissie een beroepschrift ingekomen van W van A te X, Duitsland, ingediend namens de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B. te Y, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict Y (hierna: de inspecteur) van 24 december 1997, nummer ..., waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de uitnodiging tot betaling van 1 september 1997, kenmerk ..., werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150,-- (€ 68,07) geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Op 29 juli 1998 is van belanghebbende een conclusie van repliek ingekomen. De inspecteur heeft op 18 september 1998 van de inspecteur een conclusie van dupliek ingediend.

1.3. De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 13 oktober 1998, samengesteld als volgt: mr. H.M.J.I. Steenbergen, voorzitter, mr. F.H.M. Possen, ondervoorzitter, H.J. Bokhorst, lid, mr. R.R. Winter, plaatsvervangend lid, en jhr. ing. K.J.L. Hesselt van Dinter, buitengewoon lid, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch, secretaris. Namens belanghebbende zijn verschenen mr. R.G.A. Tusveld en J.P. Verstraten van Price Waterhouse Coopers, als gemachtigden. Namens de inspecteur zijn verschenen drs. D.M.E. Vingerhoets-van Swieten en mr. A.R. Slaats. De gemachtigden en de inspecteur hebben een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

1.4. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van 13 oktober 1998 heeft de gemachtigde op 27 oktober 1998 nadere schriftelijke informatie overgelegd. De inspecteur heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt hierop schriftelijk te reageren.

1.5. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001 (Stb. 419) is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) in de plaats getreden van de Tariefcommissie.

1.6. Een tweede behandeling van de zaak -in verband met de gewijzigde samenstelling van de raadkamer- heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer op 4 juni 2002, samengesteld als volgt: mrs. Possen, Punt en Van Ballegooijen. Partijen hebben schriftelijk aangegeven niet op de zitting te zullen verschijnen.

1.7. Bij de uitspraak van 6 november 2002 (Douanerechtspraak 2002/82) heeft de Douanekamer het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof van Justitie) verzocht uitspraak te doen over de volgende vraag:

“Zijn vrachtauto’s, ontworpen voor gebruik in het terrein, en bestemd voor het transport en lossen van materialen, en daartoe in het bijzonder voorzien van een ingewikkelde, veelzijdige en precieze kiepfunctie, uitgesloten van het begrip dumper in post 8704 10 van het GDT?”.

1.8. Op 16 september 2004, nr. C-396/02, heeft het Hof van Justitie arrest in deze zaak gewezen, waarvan het dictum als volgt luidt:

“Het feit dat een voertuig met kiepbak is voorzien van een ingewikkelde, veelzijdige en precieze kiepfunctie, staat niet in de weg aan de indeling ervan als dumper in de zin van postonderverdeling 8704 10 van de gecombineerde nomenclatuur in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, in de versie van verordening (EG) nr. 3115/94 van de Commissie van 20 december 1994 en van verordening (EG) nr. 3009/95 van de Commissie van 22 december 1995”.

1.9. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op voornoemd arrest. De inspecteur heeft bij brief van 2 november 2004 gereageerd. Namens belanghebbende is op 15 november 2004 een reactie ontvangen.

1.10. Naar aanleiding van het arrest en mede in verband met een gewijzigde samenstelling van de raadkamer heeft op 21 april 2005 nogmaals een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zijn bij aangetekende brief uitgenodigd hierbij aanwezig te zijn, onder vermelding van de reden, de dag, het tijdstip en de plaats van de mondelinge behandeling. Partijen zijn bij die gelegenheid niet verschenen.

2. Het geschil

De Douanekamer zal met inachtneming van het sub 1.8 hiervoor vermelde arrest van het Hof van Justitie antwoord geven op de vraag of de Minitrac 1005 en de Minitrac 1302 moeten worden ingedeeld onder post 8704 10 19 van het GDT, zoals belanghebbende voorstaat, dan wel onder post 8704 21 91, gelijk de inspecteur verdedigt.

3. De reactie van belanghebbende op het arrest

Belanghebbende heeft enige vragen opgeworpen met betrekking tot de geldigheid van verordening (EEG) nr. 396/92.

Ten principale herhaalt belanghebbende haar standpunt dat de goederen moeten worden ingedeeld onder post 8704 10 van het GDT.

4. De reactie van de inspecteur op het arrest

Het Hof van Justitie heeft in rechtsoverweging 31 overwogen dat een voertuig aan twee voorwaarden moet voldoen om onder postonderverdeling 87014 10 van de gecombineerde nomenclatuur te worden ingedeeld: het moet een dumper zijn en het moet ontworpen zijn voor het gebruik in het terrein. Deze laatste voorwaarde is in casu geen probleem meer. Maar wel de vraag of er sprake is van een dumper. Volgens het Hof van Justitie bevat de gecombineerde nomenclatuur geen nadere precisering van de omschrijving van een “dumper”. De inspecteur gaat ervan uit dat de Douanekamer overeenkomstig de uitleg van het Hof van Justitie een uitspraak zal doen.

5. De rechtsoverwegingen

5.1. In de verwijzingsuitspraak van de Douanekamer lag reeds een voorkeur besloten voor indeling van de goederen onder post 8704 10 19 van het GDT. Uit het arrest van het Hof van Justitie volgt dat verordening (EEG) nr. 396/92 geen belemmering vormt voor die indeling, zodat die thans kan worden toegepast, met als gevolg dat de uitnodiging tot betaling niet in stand kan blijven.

5.2. Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep van belanghebbende gegrond moet worden verklaard.

6. De proceskosten

De Douanekamer acht termen aanwezig de inspecteur op grond van artikel 11b van de Tariefcommissiewet te veroordelen in de proceskosten, welke met toepassing van het Besluit proceskosten fiscale procedures worden vastgesteld op

5 (beroepschrift, 1x verschijnen ter zitting, 2x schriftelijke inlichtingen, prejudiciële procedure) x 2 (gewicht) x € 322 = € 3.220.

7. De beslissing

De Douanekamer:

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep, alsmede de uitnodiging tot

betaling van 1 september 1997, kenmerk 705160;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten, groot € 3.220, aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de inspecteur het griffierecht ad € 68,07 aan belanghebbende te

vergoeden.

Aldus gewezen in raadkamer op 22 juni 2005 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, mr. M.E. van Hilten en mr. A.J. Roke, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.