Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT8150

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-05-2005
Datum publicatie
23-06-2005
Zaaknummer
03/3243
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:AZ7994, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:AZ7994
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 18, eerste lid, onderdeel c, Wet op de omzetbelasting 1968.

Artikel 450ter UCDW

Goederen, in België geplaatst onder de regeling extern communautair douanevervoer, vervoerd naar Nederland en aldaar gestolen. De Belgische douane nodigde belanghebbende uit tot betaling van onder meer omzetbelasting wegens niet-rechtmatige beëindiging van voormelde regeling. Onttrekking aan het douanetoezicht in Nederland. Nederlandse douane gerechtigd tot heffing van omzetbelasting en niet gebonden aan door Belgische douane vastgestelde waarde. Artikel 450ter UCDW op de juiste wijze toegepast.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 03/03243 DK

de dato 31 mei 2005

1. De procedure

1.1. Op 19 augustus 2003 is bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) een beroep-schrift ingekomen van A te Q namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V.B.A. te Z (België), belanghebbende. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 9 oktober 2003.

Het beroep is gericht tegen de in één geschrift vervatte uitspraken van het hoofd van de Belastingdienst/Douane P (hierna: de inspecteur) van 10 juli 2003, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen na te melden uitnodigingen tot be-taling ten bedrage van in totaal € 152.354,07 gedeeltelijk gegrond werd verklaard.

1.2. Van belanghebbende is door de griffier een griffie-recht van € 232 geheven.

De inspecteur heeft op 8 januari 2004 een verweerschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 19 april 2005.

Ter zitting is verschenen de gemachtigde van belanghebbende. Namens de inspecteur is verschenen B.

De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

Namens de inspecteur zijn ter zitting producties overgelegd: een brief van 23 juli 2002 van de Belastingdienst/Douane R, gericht aan het Douanekantoor S, een “Verzoek tot nasporing” van 15 mei 2002 van het Douanekantoor S en een proces-verbaal van 13 juli 2001 van de politie T, met een bijlage waarop vermeld goederen. De gemachtigde van belanghebbende heeft van deze stukken kennis kunnen nemen en heeft zich daarover kunnen uitlaten.

De Douanekamer rekent de pleitnota en de door de inspecteur overgelegde producties tot de gedingstukken.

2. De feiten

2.1. Op 10 juli 2001 heeft belanghebbende bij de douane te S (België) aangifte gedaan tot plaatsing van goederen, die werden aangeduid als ?20 bags of y, (hierna: de goederen) onder de regeling extern communautair douanevervoer. Het kantoor van vertrek, S, gaf een document T1 af. De goederen waren bestemd voor C BV te Q.

De goederen werden in een container per vrachtauto van D te Q naar Nederland vervoerd. Op 10 juli 2001 om 19.00 uur parkeerde de chauffeur de vrachtauto op de E-straat in de Qse haven. Toen de chauffeur op 11 juli 2001 om 12.15 uur terugkeerde, was de auto verdwenen. Blijkens het in 1.3 vermelde proces-verbaal van 13 juli 2001 van de Politie T heeft een werknemer van D aangifte van diefstal van voormelde vrachtauto en container – met daarin de goederen – gedaan.

2.2.1. Bij brief van 20 december 2001 werd belanghebbende door de Belgische douane ervan in kennis gesteld dat deze niet beschikte over het bewijs van de beëindiging van de regeling extern communautair douanevervoer. Belanghebbende werd daarop in de gelegenheid gesteld bewijs inzake de rechtmatige beëindiging te leveren. Hiertoe deelde belanghebbende de Belgische douane bij brief van 4 februari 2002, voor zover hier van belang, mede dat de container in Nederland was gestolen, dat de goederen het grondgebied van België hadden verlaten en dat de BTW derhalve niet van haar kon worden geheven.

2.2.2. Op of omstreeks 14 mei 2002 richtte de Belgische douane met toepassing van artikel 366 van de Verordening (EEG), nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 (hierna: UCDW) een ‘Verzoek tot nasporing’ tot de Nederlandse douane.

De nasporingsprocedure had voor de Belgische douane niet als resultaat dat de aangifte als gezuiverd kon worden aangemerkt en evenmin dat de plaats waar de douaneschuld was ontstaan, kon worden vastgesteld. De Belgische douane merkte daarom op grond van artikel 215, eerste lid, derde gedachtestreepje, van de Verordening (EEG), nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) België aan als plaats waar de douaneschuld en andere schulden waren ontstaan. Een en ander werd geformaliseerd in een brief van de Dienst Invordering van het Ministerie van Financiën van België (hierna: Dienst Invordering) van 22 juli 2002 aan belanghebbende. Medegedeeld werd voorts dat opeisbaar waren:

“- BTW € 1.844,77

- boete BTW € 180,00

- boete douane € 125,00

Totaal € 2.149,77

=======”

Voor de berekening van de BTW had de Dienst Invordering zich gebaseerd op een waarde van de goederen ten bedrage van € 8.784,06.

2.2.3. Met dagtekening 23 juli 2002 zond de Nederlandse douane aan het Douanekantoor S een brief met de volgende inhoud:

“Naar aanleiding van uw verzoek tot nasporing d.d. 14 mei 2001, deel ik u het volgende mee.

Voor de voortzetting van het onderzoek, verzoek ik u om een kopij van de afgestempelde T1 document afgegeven te S na te zenden.

Bovendien verzoek ik u om mij diverse kopijen van de factuur e.d. en eventueel de naam v.d. persoon belast met het vervullen van de formaliteiten na te zenden.

Mocht er van uw zijde nog eventuele inlichtingen zijn m.b.t. het bovenstaande T1, dan zie ik deze informatie per omgaande tegemoet..

Uit de nagezonden gegevens van 03 juli 2002 is gebleken dat de goederen in Q zijn ontvreemd.

Daarom verzoek ik u om mij m.b.t. afgegeven T1 document en een nieuwe TC20 inclusief de benodigde kopijen mee te sturen.

Tegelijkertijd verzoek ik u om mij de benodigde borggegevens te verstrekken.

Dit betekent dat de invorderingsprocedure in Nederland gestart kan worden.”

2.2.4. Bij brief van 7 november 2002 deelde de Dienst Invordering belanghebbende het volgende mede:

“Het bovengenoemd dossier werd door onze dienst afgehandeld.

De afhandeling geldt enkel voor de overtreding aangehaald in de beslissing van de dienst invordering.

D.w.z. de administratie beschouwt deze zaak als gesloten en geen enkele vervolging zal worden ingesteld, tenzij er nieuwe elementen zouden opduiken of indien blijkt dat er een duidelijke vergissing in het spel is.’

Bijgevolg vervalt mijn vordering van 22/07/2002.”

2.3.1. Met dagtekening 8 oktober 2002 deed de inspecteur belanghebbende de in het geding zijnde uitnodigingen tot betaling toekomen, waarvan de inhoud – voor zover hier van belang – als volgt luidt:

“hierbij deel ik u mede dat bovengenoemde aangifte geheel of gedeeltelijke ongezuiverd is gebleven. Uit de mij ter beschikking staande gegevens blijkt dat u de aangever bent dan wel de persoon die de goederen heeft aanvaard in de wetenschap dat deze onder de regeling douanevervoer zijn geplaatst. Ingevolge artikel 96 van het Communautair Douanewetboek (CDW) bent u verplicht alle bepalingen van deze douaneregeling na te leven. Derhalve bent u ten gevolge van de (gedeeltelijke) niet-zuivering douanerechten, omzetbelasting verschuldigd op grond van artikel 203, subsidiair artikel 204 van het CDW juncto artikel 18 van de Wet op de omzetbelasting 1968.”

De omzetbelasting is daarbij berekend op € 132.103,20, gerelateerd aan een waarde ad € 695.280 voor de goederen. De douanerechten (rechten bij invoer) zijn berekend op € 20.250,87.

2.3.2. Tegen de onder 1.1 vermelde uitnodingen tot betaling heeft belanghebbende bezwaar aangetekend.

Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft op 28 mei 2003 een hoorzitting plaatsgehad.

2.3.3. Bij de bestreden uitspraken heeft de inspecteur de uitnodigingen tot betaling herrekend. Uitgaande van een waarde van $ 374.652 en een wisselkoers van 0,8513 heeft de inspecteur de douanewaarde op € 440.094 berekend. Op grond hiervan heeft de inspecteur de te betalen omzetbelasting tot € 86.126,43 en het te betalen douanerecht tot € 13.202,82 verminderd.

2.3.4. Bij brief van 12 januari 2004 heeft de inspecteur bij ambtshalve genomen beschikking de uitnodiging tot betaling betreffende het douanerecht met € 13.202,82 tot nihil en de uitnodiging tot betaling betreffende de omzetbelasting met € 2.508,57 tot € 83.617,86 (zijnde 19% van € 440.094) verminderd.

3. Het geschil

Uiteindelijk is tussen partijen in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur belanghebbende terecht heeft uitgenodigd tot betaling van omzetbelasting ter zake van de onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht.

Bij bevestigende beantwoording van deze vraag is voorts in geschil of de te betalen omzetbelasting dient te worden berekend op € 83.617,86, zoals de inspecteur voorstaat, dan wel op € 1.844,77, zoals belanghebbende voorstaat.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur haar niet

mocht uitnodigen tot betaling van omzetbelasting, omdat de Belgische autoriteiten op de juiste wijze hebben vastgesteld dat de schuld in België was ontstaan. Zij hebben vastgesteld dat de waarde van de goederen € 8.784,06 bedraagt en dat daarover € 1.844,77 omzetbelasting is verschuldigd. Dan biedt het CDW geen mogelijkheid de omzetbelasting op een later tijdstip door een andere autoriteit op een ander, hoger bedrag te laten vaststellen. Aangezien de procedure door de Belgische douane niet met inachtneming van artikel 450ter UCDW aan de Nederlandse douane is overgedragen, zijn de Belgische autoriteiten nog steeds heffingsbevoegd.

Indien de Douanekamer beslist dat de Nederlandse douane belanghebbende wel mocht uitnodigen tot betaling van omzetbelasting, dan moet het te betalen bedrag op het door de Belgische douane berekende bedrag worden vastgesteld.

Overigens dient de uitnodiging tot betaling geheel te worden vernietigd, omdat zij onvoldoende is gemotiveerd. De uitnodiging is namelijk primair op artikel 203 en subsidiair op artikel 204 CDW gebaseerd. De motivering ziet slechts op de subsidiaire grondslag. Nu in de bestreden uitspraak de grondslag ex artikel 204 CDW is verlaten en de motivering met betrekking tot de grondslag ex artikel 203 CDW niet is geheeld, dient de uitnodiging tot betaling te worden vernietigd.

4.2. Ter zitting heeft de gemachtigde, zakelijk weergegeven, nog het volgende toegevoegd:

De in het beroepschrift onder ‘Het geschil’ aangegeven punten 3.4. en 3.5. vervallen, aangezien aan het bezwaar inzake de douanerechten inmiddels geheel is tegemoet gekomen.

Het ging de Belgische autoriteiten om de bepaling van de plaats van de onttrekking. Zij dachten dat die niet kon worden bepaald. Dan zou er sprake zijn van niet-zuivering, zodat België bevoegd zou zijn. Wellicht is er later informatie gekomen voor een andere opvatting, waardoor er aanleiding zou zijn een 450ter UCDW procedure in te leiden. Het gaat te ver om te stellen dat die procedure is gevolgd. In geschil is derhalve of, gelet op het niet volgen van de geëigende procedure van 450ter UCDW, de Nederlandse autoriteiten heffingsbevoegd zijn; of, zo zij heffingsbevoegd zijn, zij gehouden zijn uit te gaan van de douanewaarde van € 8.784,06 zoals deze door de Belgische autoriteiten is vastgesteld, en of schending van het motiveringsvereiste meebrengt dat de uitnodiging tot betaling dient te worden vernietigd.

Waarschijnlijk komt de omzetbelasting wel voor aftrek in aanmerking. Niet bekend is of de afnemer van de goederen recht op aftrek zou hebben.

De commerciële inkoopfactuur met betrekking tot de goederen is door belanghebbende tijdens de hoorzitting van 28 mei 2003 overgelegd.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Er is sprake van diefstal in Nederland van goederen die in België onder de regeling extern communautair douanevervoer waren geplaatst. Door de diefstal is sprake van onttrekken van goederen aan een douaneregime zoals bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel c, Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB).

Ten gevolge van de diefstal is een omzetbelastingschuld in Nederland ontstaan waarvoor belanghebbende als aangever door de Nederlandse douane terecht is aangesproken. In haar brief van 4 februari 2002 aan de Belgische douane heeft belanghebbende zelf melding gemaakt van het feit dat de goederen in Nederland waren gestolen en dat er derhalve geen Belgische omzetbelasting in rekening kon worden gebracht. Op grond van de diefstal heeft de Belgische douane de invordering aan Nederland overgedragen. De Belgische douane heeft belanghebbende ook medegedeeld dat zij niet tot invordering overging.

Ook al zouden de relevante feiten omtrent de onttrekking aan het licht zijn gekomen ná het instellen door de Belgische douane van de invordering, dan nog zou de bevoegdheid aan Nederland toekomen en zou de invordering moeten worden overgedragen (vgl. artikel 450ter UCDW).

De douanewaarde van de goederen moet worden gesteld op de transactiewaarde. Bij de vaststelling van de douanewaarde is gebruik gemaakt van de commerciële inkoopfactuur die betrekking heeft op de gestolen goederen. De Nederlandse douane is niet gebonden aan de door de Belgische douane vastgestelde waarde. Bovendien blijkt uit de brief van 23 juli 2002 dat de Belgische douane niet over de desbetreffende factuur beschikte. Ook uit een factuur die betrekking heeft op een vergelijkbare zending, blijkt dat de waarde vele malen hoger ligt dan de door de Belgische douane gehanteerde waarde.

De stelling van belanghebbende dat de uitnodiging tot betaling onvoldoende is gemotiveerd, kan haar niet baten. De term niet-zuivering ziet zowel op de onttrekking ex artikel 203 CDW als op het niet voldoen aan de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 204 CDW. Daarbij komt dat in de bezwaarfase uitgebreid is ingegaan op de grondslag.

5.2. Ter zitting heeft de inspecteur, zakelijk weergegeven, hieraan nog het volgende toegevoegd:

De brief van 22 juli 2002 van de Belgische Douane is enigszins onduidelijk. De brief van 7 december 2002 houdt een definitief bericht in dat de invordering niet is doorgezet. Zij is overgedragen aan Nederland. Voor de toepassing van artikel 450ter UCDW bestaan geen strakke vormvoorschriften. Met de brief van 23 juli 2002 heeft de Nederlandse douane aan de Belgische douane bericht dat zij de invordering heeft overgenomen. De Belgische douane is dan niet meer bevoegd.

6. De rechtsoverwegingen

6.1.1. Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet OB vormt het in Nederland onttrekken van goederen aan de regeling extern communautair douanevervoer het belastbare feit invoer in de zin van de Wet OB.

In zijn arrest van 11 juli 2002, C-371/99 (Liberexim, onder meer gepubliceerd in BNB 2003/158) heeft het Hof van Justitie onder verwijzing naar het arrest van 1 februari 2001, C-66/99 (Wandel) het begrip onttrekking in de zin van artikel 7, derde lid, van de Zesde Richtlijn omschreven als elk handelen of nalaten dat tot gevolg heeft dat de bevoegde douaneautoriteit, al is het maar tijdelijk, geen toegang heeft tot onder douanetoezicht staande goederen en de in de communautaire wetgeving voorziene controles niet kan uitvoeren. Volgens het communautaire recht dient het bepaalde in artikel 18, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet OB te worden uitgelegd conform het bepaalde in artikel 7, derde lid, van de Zesde Richtlijn.

Voorts heeft het Hof van Justitie in het arrest C-371/99 overwogen dat de onttrekking plaats vindt op het grondgebied van de lidstaat waar de (...) handeling wordt verricht die als onttrekking aan het douanetoezicht kan worden aangemerkt.

6.1.2. Gelet op het onder 6.1.1. overwogene volgt uit de onder 2.1. vastgestelde feiten dat de goederen op 10 dan wel 11 juli 2001 in Nederland aan het douanetoezicht zijn onttrokken en derhalve op de voet van artikel 18, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet OB in Nederland zijn ingevoerd. Belanghebbende is daarom in beginsel terecht door de Nederlandse douane aangesproken tot betaling van omzetbelasting.

6.2.1. Belanghebbende ontkent op zich zelf niet dat sprake is van een onttrekking aan het douanetoezicht als vermeld onder 6.1.2. Zij stelt echter dat de vordering inzake de omzetbelasting al is ingesteld door de Belgische douane, dat uit de brief van 7 november 2002 van de Belgische douane niet blijkt dat die invordering is gestaakt, en dat de in artikel 450ter UCDW voorgeschreven procedure niet is gevolgd. De Nederlandse douane was daarom volgens belanghebbende niet gerechtigd de in het geding zijnde uitnodiging tot betaling uit te reiken.

6.2.2. Naar het oordeel van de Douanekamer kan hetgeen is vermeld in de brieven van 23 juli 2002 van de Nederlandse douane en van 7 november 2002 van de Dienst Invordering (Belgische douane) slechts leiden tot de slotsom dat de Nederlandse douane en de Belgische douane het standpunt hebben ingenomen dat de Nederlandse douane bevoegd was tot het vorderen van omzetbelasting wegens onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht in Nederland. De Douanekamer is daarom van oordeel dat artikel 450ter UCDW op de juiste wijze is toegepast en dat de Nederlandse douane heffingsbevoegd is.

De onderwerpelijke grief van belanghebbende treft derhalve geen doel.

6.3. In artikel 19 Wet OB is bepaald dat de belasting wordt berekend over de douanewaarde. De inspecteur heeft zich voor de bepaling van de douanewaarde gebaseerd op de commerciële factuur die door belanghebbende zelf is overgelegd en waarvan de juistheid op zich zelf door belanghebbende ook niet wordt bestreden. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat moet worden uitgegaan van de waarde die de Belgische douane had gehanteerd ter bepaling van de Belgische omzetbelasting.

De Douanekamer vermag niet in te zien dat een douanewaarde die is gebaseerd op een factuur ter zake van de inkoop van de litigieuze goederen, niet juist is. Dit oordeel wordt nog versterkt door de omstandigheid dat belanghebbende op geen enkele wijze heeft aangegeven op grond waarvan de Belgische douane is uitgegaan van een waarde van € 8.784,06. Voorts vindt de stelling van belanghebbende dat de Nederlandse douane in een geval als het onderhavige geen hogere waarde mag hanteren dan die gehanteerd door de Belgische douane, geen steun in het recht.

6.4. De grief van belanghebbende dat de uitnodiging tot betaling dient te worden vernietigd vanwege onvoldoende motivering, beperkt zich tot de uiteindelijk nog in geschil zijnde omzetbelasting.

Naar het oordeel van de Douanekamer is uit de passage omtrent de verplichting voor belanghebbende alle bepalingen van de douaneregeling na te leven, alsmede uit de vermelding omtrent de verschuldigdheid van omzetbelasting door belanghebbende op grond van artikel 18 Wet OB voldoende duidelijk geworden dat sprake was van een belastbaar feit in de zin van de Wet OB.

Overigens is gesteld noch gebleken dat belanghebbende op enigerlei wijze in haar processuele postitie zou zijn geschaad ten gevolge van de in haar ogen ontoereikende motivering van de uitnodigingen tot betaling.

Deze grief van belanghebbende treft derhalve evenmin doel.

6.5. Op grond van al het vorenoverwogene is het gelijk aan de inspecteur. De uitspraak kan echter niet in stand blijven, aangezien de uitnodigingen tot betaling tijdens de beroepsfase bij de in 2.3.4 vermelde beschikking zijn verminderd en het beroep in zoverre gegrond is.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de ten behoeve van belanghebbende gemaakte proceskosten voor de behandeling van het beroep als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), welke met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op 2 (beroepschrift en verschijnen ter zitting) x 1,5 (gewicht van de zaak) x € 322 = € 966.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- handhaaft de uitnodigingen tot betaling zoals deze hangende het geding ambtshalve zijn verminderd tot € 83.617,86 aan omzetbelasting en tot nihil aan douanerechten;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten, vastgesteld op € 966 en wijst de Staat der Nederlanden aan dit bedrag te voldoen;

- gelast de Staat der Nederlanden het gestorte griffierecht ad € 232 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus vastgesteld op 31 mei 2005 door mrs. J.W.M. Tijnagel, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder en J.J.A.M. Kennis, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando, griffier en mr. V.M. Maat als auditeur.

De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de indiener de Hoge Raad verzoeken de wederpartij te veroordelen tot betaling van de proceskosten.