Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT8047

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-05-2005
Datum publicatie
22-06-2005
Zaaknummer
319/05
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderontvoering. Teruggeleiding. Gewone verblijfplaats.

Wetsverwijzingen
Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, 's-Gravenhage, 25-10-1980 3, geldigheid: 2005-05-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 19 mei 2005 in de zaak met rekestnummer 319/05 van:

de Directie Justitieel Jeugdbeleid, Afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Justitie, belast met de taak van CENTRALE AUTORITEIT, als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202),

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

zowel optredend voor zichzelf, CENTRALE AUTORITEIT,

als namens [de vader], tot april 2004 wonende te [woonplaats], Spanje,

APPELLANTE in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep.

t e g e n

[... ],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANTE in incidenteel hoger beroep,

procureur: mr. J.P. van der Kooij.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep en geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep worden hierna respectievelijk de Centrale Autoriteit en de moeder genoemd.

1.2. De Centrale Autoriteit is in hoger beroep gekomen van de beschikking van 16 februari 2005 van de rechtbank te Alkmaar, met rekestnummer 76595/ FA RK 04-855.

1.3. De moeder heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij eveneens hoger beroep ingesteld.

1.4. De zaak is op 20 april 2005 ter zitting behandeld.

2. De feiten

2.1. De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad. Zij woonden vanaf mei 2001 samen in Nederland en van [...] maart 2003 tot [...] januari 2004 [in woonplaats] te Spanje. Uit hun relatie zijn geboren [de zoon] [in] 2002 te [plaats in Nederland] en [de dochter] [in] 2003 te [plaats in Spanje].

2.2. De moeder is op 15 januari 2004 naar Nederland gegaan met de kinderen. In april 2004 is ook de vader naar Nederland gekomen.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de Centrale Autoriteit de teruggeleiding van [de zoon] en [de dochter] te bevelen en daarbij een tijdstip aan te geven waarop uiterlijk aan dit bevel moet zijn voldaan, afgewezen.

3.2. De Centrale Autoriteit verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, alsnog haar inleidend verzoek toe te wijzen vóór een door het hof redelijk te achten datum.

3.3. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en de Centrale Autoriteit te veroordelen in de kosten van het geding.

4. Beoordeling van het hoger beroep

In principaal appel:

4.1. Het hoger beroep van de Centrale Autoriteit richt zich op de toepassing door de rechtbank van artikel 3 van het (Haags) Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: HKV) wat betreft het in dit artikel voorkomende begrip gewone verblijfplaats. De Centrale Autoriteit is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de gewone verblijfplaats van [de zoon] en [de dochter] in Spanje ligt en niet in Nederland. Zij wijst daarbij op de criteria duur van het verblijf en met name op de bedoeling van betrokkenen. Duur en bedoeling zijn vervolgens van invloed op de maatschappelijke binding. Volgens de Centrale Autoriteit is de gewone verblijfplaats van de kinderen, gelet op de bedoeling van de ouders zich daar definitief te vestigen en de maatschappelijke band die zij met Spanje hebben opgebouwd, in Spanje.

De moeder heeft het voorgaande gemotiveerd betwist. Volgens haar lag een definitieve vestiging in Spanje niet in de bedoeling van betrokkenen, ze hebben daar immers ook geen baan gezocht, maar leefden van haar vermogen. Van een maatschappelijk band is volgens haar geen sprake, althans niet van een hechtere band dan die tijdens een vakantie wordt opgebouwd.

4.2. Ten aanzien van de in principaal appel gerezen vraag, of gesproken kan worden van een gewone verblijfplaats van de kinderen in Spanje ten tijde van het vertrek van de moeder, in de zin van artikel 3 HKV, gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden:

Vanaf [...] maart 2003 tot [...] januari 2004 hebben de ouders met hun beide kinderen, waarvan de jongste in die periode is geboren, verbleven [in woonplaats te Spanje]. Blijkens de bevindingen van het hof hadden de ouders ieder hun eigen intenties ten aanzien van dit verblijf.

De vader, van Amerikaanse nationaliteit, is met zijn gezin verhuisd om zich daar definitief te vestigen en om met de moeder een nieuwe start in hun relatie te maken. Alle bezittingen zijn meeverhuisd.

Het ging de moeder, Nederlandse, om een tijdelijk verblijf, waarbij geleefd werd van een kapitaal van haar. Betrokkenen hebben zich van tijdelijke woonruimte voorzien: de huur is aangegaan voor zes maanden en is met een zelfde termijn verlengd. Geen van beiden heeft in Spanje gewerkt. Er zijn geen cursussen of opleidingen gevolgd. Geen van beiden beheerst de Spaanse taal. De moeder is ingeschreven gebleven in de gemeente [woonplaats in Nederland]. Zij heeft Nederlandse bankrekeningen aangehouden en een Nederlandse ziektekostenverzekering.

Deze feitelijke constellatie is onvoldoende om aan te nemen dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in de periode dat zij daar verbleven in Spanje was, in de zin die het verdrag hieraan toekent. Dit betekent dat er geen grond bestaat om een bevel tot teruggeleiding van de kinderen, als door de Centrale Autoriteit verzocht, te geven. De beschikking waarvan beroep dient op de hierboven gegeven gronden te worden bekrachtigd.

In incidenteel appel:

4.3. Met betrekking tot het incidenteel appel overweegt het hof dat de Centrale Autoriteit, zijnde de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten dient te worden verwezen, zowel van de eerste termijn als in hoger beroep.

4.4. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

In principaal appel:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

In incidenteel appel:

veroordeelt de Centrale Autoriteit in de kosten van de procedure in eerste aanleg, aan de zijde van de moeder tot dusver begroot op € 190,- voor verschotten, zijnde griffierecht, en op € 904,- voor salaris van de procureur van de moeder, te betalen aan de griffier van de rechtbank te Alkmaar op grond van artikel 243 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

veroordeelt de Centrale Autoriteit in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de moeder tot dusver begroot op € 244,- voor verschotten zijnde griffierecht, en op € 2.682,- voor salaris van de procureur van de moeder.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.M.A. Gerritzen-Gunst, M.J. van Zutphen en R.C. Gisolf in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2005.