Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT6713

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-04-2005
Datum publicatie
03-06-2005
Zaaknummer
01/90228 en 02/6238
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:AY7677, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:AY7677
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbendes beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur wordt verworpen. De stelling van de inspecteur dat geen sprake is van een boeking achteraf als bedoeld in artikel 220 van het CDW deelt de Douanekamer echter niet. Vaststaat dat de goederen voordat de uitnodigingen tot betaling zijn uitgereikt zijn vrijgegeven; dit brengt mee dat er, gelet op art. 74 CDW, al eerder een boeking heeft plaatsgevonden. Er is echter geen sprake van een door de douane gemaakte vergissing die belanghebbende redelijkerwijs niet kon ontdekken in de zin van artikel 220, tweede lid, letter b van het CDW. Het beroep met betrekking tot de heffing van douanerechten wordt ongegrond verklaard.

Met betrekking tot de heffing van omzetbelasting is de conclusie een andere: De omzetbelasting ter zake van de invoer van voor een aangewezen ondernemer bestemde goederen moet op aangifte worden voldaan door die ondernemer, de bestemming van onder een douaneregeling geplaatste goederen wijzigt pas op het tijdstip waarop de goederen worden geleverd in de zin van de Wet OB (HR 11 april 2003, nr. 37.897 (BNB 2003/210). De goederen waren in casu op het tijdstip van invoer nog niet door de fiscale eenheid aan de klant geleverd, dus was de bestemming op dat tijdstip niet gewijzigd. Dit brengt mee dat de omzetbelasting niet met toepassing van artikel 22 van de Wet OB van belanghebbende geheven had mogen worden. De uitnodigingen tot betaling van omzetbelasting konden daarom niet in stand blijven. Beroep met betrekking tot de heffing van omzetbelasting gegrond.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaken nrs. 01/90228 DK (voorheen nr. 0228/2001 TC) en 02/6238 DK

de dato 28 april 2005.

1. De procedure

1.1. Op 23 oktober 2001 is bij de Tariefcommissie een beroepschrift ingekomen van A, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aan-sprakelijkheid X B.V. te Z, belanghebbende, aangevuld bij brief van 23 november 2001.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst / Douanedistrict P (hierna: de inspecteur) van 19 september 2001, kenmerk xxxx, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de op het aanslagbiljet van 28 februari 2000 vermelde uitnodigingen tot betaling ten bedrage van in totaal f 22.600,20 aan douanerechten, ongegrond is verklaard.

1.2. Van belanghebbende is door de secretaris van de Tariefcommissie een griffierecht van f 450,-- geheven.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Op 11 juni 2002 is van belanghebbende een conclusie van repliek ingekomen, op 11 juli 2002 van de inspecteur een conclusie van dupliek.

1.3. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001 (Stb. 419) is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) in de plaats getreden van de Tariefcommissie.

1.4. Op grond van de onder 1.3. vermelde wet is de Douanekamer thans ook bevoegd ten aanzien van de uitnodigingen tot betaling van omzetbelasting ten bedrage van in totaal f 1.547.338,10, eveneens vermeld op het onder 1.1. vermelde aanslagbiljet. Het beroep te dier zake is op 23 oktober 2001 ingekomen bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. Het beroep was aldaar op 1 januari 2002 nog in behandeling. Ter zake is een griffierecht van € 204,20 geheven. De behandeling van dit beroep is onder nr. 02/6238 DK door de Douane-kamer overgenomen. Het reeds door de Tariefcommissie geheven griffierecht van f 450,-- voor de zaak 01/90228 DK is teruggestort. Op 16 september 2002 is van belanghebbende een conclusie van repliek ingekomen, op 20 november 2002 van de inspecteur een conclusie van dupliek.

1.5. De eerste mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 16 december 2003 alwaar gezeten mrs. F.H.M. Possen, E.M. Vrouwenvelder en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van mr. drs. T.A.J.S. Hesselink als griffier.

Aldaar zijn verschenen A, B en C van D als gemachtigden, E van F B.V., G van H B.V., I en K van K B.V. en L, alsmede namens de inspecteur M, N en O. Partijen hebben elk een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de Douanekamer en aan de wederpartij. De pleitnota van belanghebbende is voorzien van een bijlage. De inspecteur heeft van deze bijlage kennis kunnen nemen en zich erover kunnen uitlaten. De Douanekamer rekent deze pleitnota’s en de bijlage tot de stukken van het geding.

1.6. De Douanekamer heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde nadere informatie van partijen te verkrijgen. Ter zake heeft een briefwisseling met partijen plaatsgevonden. De Douanekamer heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting opnieuw wordt aangevangen en heeft partijen opgeroepen voor een nadere zitting.

1.7. De tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 6 juli 2004, alwaar gezeten mrs. F.H.M. Possen, E.M. Vrouwenvelder en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van mr. drs. T.A.J.S. Hesselink als griffier. Aldaar zijn verschenen A, B en C van D als gemachtigden, E van F B.V., G van H B.V., I en J van K B.V., alsmede namens de inspecteur, M, N en O. Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd aan de Douanekamer en aan de wederpartij. De pleitnota is voorzien van bijlagen. De inspecteur heeft van deze bijlagen kennis kunnen nemen en zich erover kunnen uitlaten. De Douanekamer rekent deze pleitnota met bijlagen tot de stukken van het geding.

1.8. De inspecteur heeft bij brief van 13 juli 2004 nadere stukken overgelegd waaronder een overzicht van de in geschil zijnde bedragen. Belanghebbende heeft van deze stukken kennis genomen en er zich bij brief van 19 juli 2004 over uitgelaten. Naar aanleiding van een verzoek van de Douanekamer heeft belanghebbende een toelichting verstrekt met betrekking tot het verzoek om vergoeding van proceskosten in de bezwaarfase. De inspecteur heeft hiervan kennis genomen en heeft zich er bij brief van 4 februari 2005 over uitgelaten. Belanghebbende heeft aangegeven prijs te stellen op een nadere zitting ter zake.

1.9. De derde mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 15 maart 2005, alwaar gezeten mrs. E.M. Vrouwenvelder, M.E. van Hilten en G.D. van Norden in tegenwoordigheid van mr. S. K. Grando als griffier en mr. L.H.W. Verdegaal als auditeur. Aldaar zijn verschenen A, B en C van D als gemachtigden, I van K B.V., alsmede namens de inspecteur M, N. Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd aan de Douanekamer en aan de wederpartij. De pleitnota van belanghebbende is voorzien van bijlagen. De inspecteur heeft van deze bijlagen kennis kunnen nemen en zich erover kunnen uitlaten. De Douanekamer rekent deze pleitnota en de bijlagen tot de stukken van het geding.

1.10. De zaken zijn behandeld tezamen met de zaken die zijn geregistreerd onder de nummers 01/90226 DK, 02/6221 DK, 01/90227 DK, 02/6206 DK, 01/90229 DK, 02/6236 DK, 01/90230 DK en 02/6246 DK.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, douane-expediteur, heeft in de periode 20 augustus 1999 tot en met 13 december 1999 aangiften voor het vrije verkeer gedaan voor compact-discs en magneetbanden (hierna: goederen). Bij de aangiften heeft belanghebbende door middel van een aantekening in vak 44 en door vermelding van de code 4000 290 in vak 37 van de aangifte aanspraak gemaakt op toepassing van de vrijstelling als bedoeld in artikel 27 en 28 van Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (hierna: Verordening 918/83). In vak 8 van de aangifte is als geadresseerde vermeld Q B.V., in vak 9 van de aangifte als financieel verantwoordelijke R B.V. en in vak 15 als land van verzending/uitvoer Zwitserland. Bij de aangiften zijn overzichten gevoegd van de individuele personen aan wie de in pakketjes per individuele persoon verpakte goederen zijn geadresseerd alsmede van de aan hen in rekening gebrachte vergoeding. De goederen zijn vrijgegeven op de dag waarop de respectievelijke aangiften zijn gedaan of kort daarna.

2.2. De douane heeft de verificatie van de aangifte aangehouden in verband met een verschil van inzicht met belanghebbende inzake de aanspraak op toepassing van de vrijstelling van artikel 27 van Verordening 918/83. De douane heeft aan belanghebbende mededelingen aangehouden verificatie alsmede uitnodigingen tot betaling ad nihil uitgereikt. De inspecteur heeft na onderzoek besloten dat evenbedoelde vrijstelling toepassing mist, de verificatie beëindigd en de onder 1.1. en 1.4. vermelde bedragen aan douanerechten en omzetbelasting door middel van uitnodigingen tot betaling van belanghebbende geheven.

2.3. De onder 2.1. vermelde goederen betreffen door individuele klanten van K B.V. te Y - een zogenoemde boekenclub - bij K bestelde cd’s, cassettes en videobanden. 89,8 % van de aandelen van K BV zijn in handen van S AG te (...), Duitsland. K BV houdt (onder meer) 100% van de aandelen van R B.V. te Y. R BV heeft een vaste inrichting in Zwitserland. K BV en R BV maken deel uit van de fiscale eenheid voor de heffing van omzetbelasting “K B.V., T N.V. c.s.”.

2.4. De onder 2.3. vermelde fiscale eenheid beschikt over een aanwijzing als bedoeld in artikel 23 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB).

2.5. Met betrekking tot de bestellingen die klanten bij K B.V. plaatsen is in de Algemene Voorwaarden van K BV onder meer het volgende opgenomen:

“Artikel 5

(…)

b. Door het doen van een bestelling bij K , geeft u opdracht en machtigt u K BV zonodig de invoer, de verzending en de verzekering te verzorgen op uw naam en voor uw rekening. Voor elke bestelling worden daartoe verpakkings-, verzend- en verzekeringskosten in rekening gebracht, waarvan K BV de helft van de kosten vergoedt. Goederen worden alleen afgeleverd op het adres waaronder het lid staat ingeschreven bij K BV.

Artikel 6

a. Het lid zal bij de levering van de goederen controleren of deze met zijn opdracht overeenstemmen. Het lid heeft de mogelijkheid om elke zending binnen zeven werkdagen na ontvangst aan K BV te retourneren, mits (…).

(…)

Artikel 7

a. Geleverde goederen dienen binnen dertig dagen na ontvangst betaald te worden.

(…)

c. De door K BV geleverde goederen blijven haar eigendom totdat alle vorderingen van K BV volledig zijn betaald.”

2.6. Ingevolge een op 24 november 1998 gesloten overeenkomst, ingaande 1 juli 1998, tussen K BV en R BV draagt K BV alle orders en bestellingen van haar klanten over aan R BV. In deze overeenkomst is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“overwegende dat:

het moederbedrijf van K BV en R BV, S AG (…) bezig is haar logistieke bedrijfsproces aan de snelle wereldwijde veranderingen in de muziekindustrie en uitgeverijen aan te passen;

S heeft besloten een deel van de Europese postverzendingen aan eindgebruikers op één plaats te centraliseren;

daartoe een centraal distributiecentrum in Zwitserland is opgericht dat ten dienste staat aan alle S boeken en platenclubs in heel Europa;

de verplaatsing van een deel van de huidige nationale opslaglocaties naar het distributiecentrum in Zwitserland naar verwachting zal leiden tot kostenbesparingen door de schaalvoordelen, zowel op het vlak van de behandeling van de goederen, de distributie als de inkoop;

K BV produkten verkoopt van diverse clublabels aan haar leden die rechtstreeks vanuit het distributiecentrum te Zwitserland aan de afnemers worden verzonden;

(…)

de bestellingen die worden uitgeleverd via het distributiecentrum te Zwitserland, worden voor K BV uitgevoerd door R BV;

partijen in dat kader het volgende zijn overeengekomen

(…)

2. Alle orders/bestellingen die door klanten van K BV worden geplaatst en die zullen leiden tot een aflevering vanuit het distributiecentrum in Zwitserland worden hierbij door K BV overgedragen aan R BV.

3. R BV zal de desbetreffende zaken vanuit Zwitserland afleveren aan de cliënten onder de handelsnaam, waaronder de order/bestelling is geplaatst.

4. Levering van goederen door R BV aan klanten vanuit Zwitserland geschiedt ex magazijn Zwitserland.

(…)

6. De risico’s van vervoer van Nederland naar Zwitserland, verlies en beschadiging van de door R BV van K BV afgenomen en geretourneerde voorraad wordt gedragen door K BV.

(…)

8. R BV vormt een voorraad handelsgoederen die zij vanuit Zwitserland verwacht te gaan leveren. Zij koopt de goederen van K BV tegen de voor K BV op dat moment geldende inkoopprijs, en ontvangt ter zake hiervan een factuur van K BV.

9. De door R BV geleverde goederen die door de klanten retour gestuurd worden, worden verwerkt door K BV en worden door K BV teruggenomen in haar voorraad. R BV wordt ter zake hiervan door K BV via rekening courant gecrediteerd voor de op dat moment geldende inkoopprijs.

10. De betalingen voor orders uitgevoerd door R BV vinden plaats via een bankrekening van K BV. K BV crediteert R BV voor deze betalingen via rekening courant.

(…)

12. Het risico van niet betalen door klanten van R BV wordt gedragen door K BV, die op haar beurt R BV daarvoor crediteert via rekening-courant.”

2.7. Blijkens een tot de gedingstukken behorend uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel gebruikt R BV als handelsnamen (onder meer) “K BV” en “K2”.

2.8. De onder 2.1. vermelde goederen zijn in Zwitserland verzendklaar gemaakt. Ieder pakketje is voorzien van de adresgegevens van de klant van K BV die het desbetreffende goed heeft besteld en bij het pakketje is een acceptgiro ten name van K2 gevoegd waarmee de klant na ontvangst kan betalen. Op de acceptgiro staat naast de prijs voor het goed afzonderlijk een bedrag vermeld voor verzendkosten. De goederen zijn als groepagezending aangeboden aan een vervoerder en onder geleide van een T-document vervoerd naar Nederland. Na de invoer zijn de goederen vervoerd naar een distributiecentrum van Q B.V. te W. Vanuit dit distributiecentrum zijn de goederen vervolgens door Q B.V. bezorgd bij de individuele klanten van K BV.

2.9. Tot de stukken behoort een brief van de Belastingdienst/Douanepost V, gedateerd 28 oktober 1996, aan U waarin voor zover hier van belang het volgende staat vermeld:

“Bij de door u mondeling uitgelegde handelsconstructie, waarbij compact-discs, die via de media rechtstreeks vanuit een derde land zijn verkocht aan particulieren binnen de Europese Unie, worden aangebracht bij de douane en waarvoor aldaar een verzoek voor toepassing van voornoemd artikel wordt gedaan, kan vrijstelling van rechten bij invoer en omzetbelasting worden verleend. Bedoelde compact-discs dienen allen individueel vanuit een derde land gefactureerd, verzendklaar verpakt en geadresseerd te zijn. De goederen mogen niet als groupagezending door eenzelfde afzender vanuit een derde land naar eenzelfde geadresseerde in de Europese Unie worden gezonden.

Het feit dat de compact-discs, die voldoen aan voornoemde voorwaarden, uit efficiency-overwegingen als groupagezendingen naar de Europese Unie worden verzonden door één afzender om vervolgens na de invoer verder te worden verzonden naar diverse geadresseerden, ontmoet mijnerzijds geen bezwaar. Het gegroupeerde vervoer van de compact-discs vanaf het douanekantoor naar de firma (...), vanwaar de goederen na enkel ontdoen van de grote verpakkingseenheid naar de individuele geadresseerden worden verzonden, verricht mijns inziens geen inbreuk in de vereiste van het rechtstreeks verzenden.”

2.10. Tot de stukken behoort voorts een brief van de Belastingdienst/Douanepost P2, gedateerd 15 juni 1998, aan F B.V. waarin voor zover hier van belang het volgende staat vermeld:

“Op uw vraag m.b.t. de vrijstelling van rechten bij invoer en omzetbelasting voor goederen met een te verwaarlozen waarde, als bedoeld in artikel 27 van Verordening (EEG) nr. 918/83 juncto artikel 101 lid 2 van de Douaneregeling, kan ik het volgende mededelen.

De handelsconstructie betreft de verzending van o.m. compact-discs door een onderneming vanuit een derde land en die rechtstreeks worden zijn verkocht aan particulieren binnen de Europese Unie. Bedoelde compact-discs dienen allen individueel vanuit een derde land te worden gefactureerd, verzenklaar verpakt en geadresseerd te zijn. Het feit dat de compact-discs, die voldoen aan de voorwaarden, uit efficiency-overwegingen als groupagezending naar de Europese Unie worden verzonden door één afzender, om vervolgens na de invoer verder te worden verzonden naar de diverse geadresseerden, verricht mijns inziens geen inbreuk in de vereiste van het rechtstreeks verzenden.

(…)

Met betrekking tot de aangifte voor het vrije verkeer keur ik goed dat voor een groupagezending, zoals deze bij het douanekantoor wordt aangebracht, één schriftelijke aangifte wordt ingediend, mits bij de aangifte een lijst wordt gevoegd waaruit blijkt welke goederen voor welke geadresseerde bestemd zijn. Hierbij dient tevens de intrinsieke waarde van de zending per geadresseerde te worden opgenomen. Op de aangifte wordt in het tweede deelvak van vak 37 de vrijstellingscode 290 vermeld en in vak 44 van de aangifte “verzoek toepassing artikel 27 Verordening (EEG) nr. 918/83.””

2.11. Q B.V. heeft aan de Belastingdienst/Douanepost P3 in een brief van 25 juni 1998 onder meer het volgende bericht:

“Een firma in Zwitserland heeft ons verzocht om de invoer voor de Nederlandse markt te verzorgen. (…) Om de invoer van bovengenoemde goederen - gelet op de intrinsieke waarde per zending - zo vereenvoudigd mogelijk te kunnen laten plaatsvinden, verzoek ik u om gebruik te mogen maken van de vrijstelling van invoerrecht en omzetbelasting op grond van artikel 27 VO(EEG)918/83 en artikel 101 van de Douaneregeling.”

Onder aan deze brief heeft de Belastingdienst/Douane P3, met dagtekening 3 juli 1998, de volgende akkoord verklaring gegeven:

“Hierbij bevestig ik dat u de in uw brief omschreven zendingen op de door u omschreven wijze onder de douaneregeling “in het vrije verkeer brengen” kunt plaatsen bij het douanekantoor Amsterdam (…).”

2.12. Tot de stukken behoort voorts een brief van de Belastingdienst/Douanepost P2, Douanekantoor P, gedateerd 17 januari 2000, aan F B.V.. waarin voor zover hier van belang het volgende staat vermeld:

“Bij brief van 15 januari 1998 (…) heeft u (…) een antwoord gekregen op een mondelinge vraag inzake toepassing van de vrijstelling voor zendingen met een te verwaarlozen waarde, als bedoeld in artikel 27 Verordening (EEG) nr. 918/83. (…) In meerdere gesprekken heeft de Douane van het aangiftepunt (…) u (…) medegedeeld dat de zendingen die door u worden aangegeven, niet voldoen aan de handelssituatie waarvoor deze brief is opgesteld. Dit heeft inmiddels geleid tot een aantal navorderingen en correcties op bedoelde aangiften. Daarnaast leidt voortschrijdend inzicht van de Douane over onderhavige materie tot het standpunt dat de inhoud van deze brief niet meer opportuun is. (…) Gezien de lopende procedures over de vrijstelling voor zendingen met een te verwaarlozen waarde, het feit dat de brief verwijst naar een specifieke vraag waarop door de Douane een antwoord is gegeven en het voortschrijdend inzicht van de Douane terzake, wijs ik met nadruk op het feit dat een verwijzing naar de inhoud van deze brief geen recht geeft op vrijstelling voor de door u aangegeven zendingen.”

3. Het geschil

In geschil is of de uitnodigingen tot betaling terecht zijn opgelegd. Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de volgende vragen:

i Heeft belanghebbende recht op toepassing van de vrijstelling als bedoeld in artikel 27 van Verordening 918/83, hetgeen belanghebbende bepleit doch de inspecteur betwist?

ii Indien vraag i in de door de inspecteur voorgestane zin wordt beantwoord: Staan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur aan de vaststelling van de onderhavige douaneschuld in de weg, hetgeen belanghebbende stelt doch de inspecteur betwist?

iii Heeft belanghebbende, indien het beroep gegrond wordt verklaard, recht op een integrale vergoeding van proceskosten en het door haar gevraagde bedrag aan schadevergoeding, hetgeen belanghebbende stelt doch de inspecteur betwist?

Niet is in geschil dat indien en voor zover de uitnodigingen tot betaling terecht zijn vastgesteld, deze tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat de ten invoer aangegeven zendingen kwalificeren voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 27 van Verordening 918/83. De desbetreffende pakjes zijn besteld door de geadres-seerden en rechtstreeks aan hen verzonden vanuit Zwitserland. De omstandigheid dat verzamelaangiften zijn gedaan staat niet aan toepassing van de vrijstelling in de weg.

4.2. Belanghebbendes subsidiaire stelling houdt in dat sprake is van een boeking achteraf en dat niet tot deze boeking achteraf mag worden overgegaan omdat sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten die belanghebbende niet kon ontdekken. Belanghebbende verwijst in dit verband naar drie overgelegde brieven. Belanghebbende heeft voorts te goeder trouw gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte voldaan. Indien en voor zover belanghebbende geen vertrouwen aan evenvermelde brieven kon ontlenen omdat deze brieven niet aan haar zijn gericht geldt dat het gelijkheidsbeginsel in de weg staat aan het uitreiken van uitnodigingen tot betaling aan belanghebbende.

4.3. Belanghebbende verzoekt om, ingeval het beroep gegrond wordt verklaard, een integrale vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, zowel in de bezwaarfase als in de beroepsfase. Met betrekking tot de vergoeding van de werkelijke kosten in de beroepsfase verwijst belanghebbende naar prejudiciële vragen gesteld door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch in de uitspraak van 24 juli 2003, nr. 00/00296, (onder meer gepubliceerd in VN 2003/52.23) welke zaak bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is geregistreerd onder zaaknummer C-376/03. Met betrekking tot het verzoek om vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten in de bezwaarfase verwijst belanghebbende onder meer naar het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 10 juni 1998, nr. AFZ 98/1467 (onder meer gepubliceerd in BNB 2000/291). De kosten komen gelet op dit besluit in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Het inroepen van rechtsbijstand is voorts in redelijkheid geschied en de kosten zijn niet buitensporig hoog.

4.4. Tijdens de eerste mondelinge behandeling heeft belanghebbende daaraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd.

De distributie van goederen vindt binnen het S-concern plaats vanuit Zwitserland. Om bedrijfseconomische redenen en dus niet om fiscale redenen is gekozen voor distributie vanuit één centrale opslagplaats. De goederen kunnen zowel afkomstig zijn uit Nederland als uit andere landen. De verpakking, etiketten en facturen worden in Zwitserland gemaakt. In andere lidstaten van de EU wordt de aanspraak op toepassing van de vrijstelling gehonoreerd. Het gebruik van de vrijstelling is onderwerp van gesprek in Brussel.

Er is ten onrechte door K BV omzetbelasting op aangifte voldaan ter zake van de bijdrage die K BV ontvangt in de verzendkosten voor zendingen vanuit Zwitserland. De gemachtigde zal nagaan hoe een en ander precies is gegaan. De gemachtigde zegt voorts toe de contracten tussen de Zwitserse zusterorganisatie en K BV te verstrekken alsmede de algemene voorwaarden van K BV. Daaruit blijkt welke partijen zich waartoe en jegens wie hebben verbonden. Voorts zal worden toegelicht hoe de feitelijke gang van zaken is, vanaf het moment dat de klant een pakketje bestelt tot het moment waarop het pakketje wordt afgeleverd.

Met betrekking tot de wijze waarop aangifte wordt gedaan geldt dat bij de aangiften immer overzichten worden verstrekt van de individuele personen aan wie de goederen zijn geadresseerd alsmede van de aan hen in rekening gebrachte vergoeding.

Met betrekking tot de brief van 15 juni 1998 waar belanghebbende zich op beroept geldt het volgende. Medio 1998 heeft de heer E van F B.V. bij de belastingdienst mondeling geïnformeerd naar de mogelijkheden om kleine pakketjes met vrijstelling van omzetbelasting in te voeren. De belastingdienst heeft toen eigener beweging schriftelijk gereageerd. De desbetreffende inlichtingen/toezeggingen brengen mee dat het de belastingdienst niet vrijstaat thans na te vorderen.

4.5. Tijdens de tweede mondelinge behandeling heeft belanghebbende aan haar standpunten nog het volgende toegevoegd.

De inspecteur heeft gelijk dat er geen sprake is van contractsoverneming door R BV in de zin van artikel 159 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Er is geen akte opgemaakt inzake de overdracht van de rechtsverhouding. Uit de overeenkomst tussen K BV en R BV blijkt dat de orders en bestellingen worden overgedragen door K BV aan R BV. De individuele klant behoudt een betalingsverplichting jegens K BV. Of K BV over een aanwijzing als bedoeld in artikel 23 van de Wet OB beschikt zal worden nagegaan.

Belanghebbende herhaalt haar stelling dat destijds abusievelijk omzetbelasting op aangifte is voldaan ter zake van de verzendkosten voor zover deze betrekking hebben op vanuit Zwitserland verzonden goederen. Het distributiecentrum in Zwitserland is een vaste inrichting van R BV.

Met betrekking tot zendingen die door de klanten retour worden gezonden merkt belanghebbende op dat deze zendingen geen onderwerp van geschil vormen.

Uit het overleg in Brussel met betrekking tot de onderhavige vrijstelling volgt dat de vrijstelling wordt gehandhaafd en dat het maximum bedrag wellicht zelfs zal worden verhoogd. Met betrekking tot de andere lidstaten van de EU waar goederen als de onderhavige op dezelfde wijze worden ingevoerd geldt dat toepassing van de vrijstelling wordt gehonoreerd. Belanghebbende vermeldt in dit verband Duitsland en Oostenrijk.

4.6. Tijdens de derde mondelinge behandeling heeft belanghebbende aan haar standpunten nog het volgende toegevoegd.

Er kan vanuit worden gegaan dat er zowel in de onderhavige zaken als in de zaken 01/90227 DK en 02/6206 DK een mededeling aangehouden verificatie is uitgereikt en een uitnodiging tot betaling ad nihil.

De brieven van 28 oktober 1996, 15 juni 1998, 25 juni 1998 en 17 januari 2000 die in de verschillende procedures, welke voor uw Hof gevoegd behandeld worden, zijn overgelegd in het kader van het beroep op het vertrouwensbeginsel, maar mogelijk niet in alle dossiers daadwerkelijk zijn bijgevoegd, moeten worden geacht deel uit te maken van het dossier in elk van bedoelde zaken.

Het verzoek om schadevergoeding betreft de kosten voor rechtsbijstand die zijn gemaakt in de bezwaarfase. Belanghebbende verzoekt in dit verband om vergoeding van, uiteindelijk, na overleg met de inspecteur, een bedrag van € 58.994,38. Dit bedrag dient evenredig tussen de drie bij de onderhavige zaken betrokken douane-expediteurs te worden verdeeld. In overleg met de inspecteur is het bedrag van € 5.507,44 dat betrekking heeft op het vierde kwartaal van het jaar 1999 vervallen. Dat in het eerste kwartaal van 2000 een vrij hoog bedrag is gedeclareerd komt doordat in dat tijdvak de eerste uitnodigingen tot betaling zijn opgelegd en daarover veel overleg is gevoerd met de betrokken partijen. Het bedrag van € 58.994,38 betreft voor het belangrijkste deel declaraties van de gemachtigde aan K BV. Daarnaast is voor een veel geringer bedrag gedeclareerd aan derden; in ieder geval is niet gedeclareerd aan de belanghebbenden in deze zaken. De betrokken douane-expediteurs hebben K BV als hun opdrachtgever in vrijwaring geroepen. K BV heeft de opdracht aan de betrokken adviseur verstrekt en de declaraties zijn derhalve aan K BV gericht. Belanghebbende voert aan dat het toch vreemd zou zijn dat de kosten niet voor vergoeding in aanmerking zouden komen louter omdat niet aan de belang-hebbenden is gedeclareerd maar aan K BV. In feite worden de procedures namens de douane-expediteurs gevoerd omdat zij schuldenaar zijn van de douaneschuld.

Belanghebbende heeft aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de gewijzigde samenstelling van de Douanekamer ten opzichte van de eerdere zittingen.

4.7. De grieven tegen de verschuldigdheid van omzetbelasting zijn dezelfde als die zijn genoemd in het beroepschrift dat is ingediend bij de Tariefcommissie tegen de verschuldigdheid van de douanerechten.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. De inspecteur is van mening dat de vrijstelling van artikel 27 van Verordening 918/83 niet van toepassing is. Aan de voor toepassing van de vrijstelling geldende voorwaarde van rechtstreekse verzending is niet voldaan. De goederen worden in opdracht van K BV naar Nederland verzonden. Er is geen sprake van een zelfstandige relatie tussen de individuele bestellers en de in Zwitserland gevestigde afzender.

5.2. Met betrekking tot belanghebbendes stelling dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden betoogt de inspecteur ten eerste dat geen sprake is van een boeking achteraf zodat toetsing aan één van de uitsluitingsgronden van artikel 220, tweede lid, letter b, van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) niet aan de orde is. Zo dit anders mocht zijn bestrijdt de inspecteur dat evenbedoeld artikel in casu in de weg staat aan boeking achteraf. Er is geen sprake van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf. De door belanghebbende overgelegde brieven zijn niet aan haar gericht. Belanghebbende heeft bovendien door uit de desbetreffende brieven te concluderen dat de vrijstelling ook in haar situatie van toepassing is onzorgvuldig gehandeld.

5.3. Met betrekking tot belanghebbendes verzoek om, ingeval het beroep gegrond wordt verklaard, een integrale vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase voert de inspecteur aan dat niet de betrokken belanghebbenden maar K BV de desbetreffende kosten heeft betaald en de drie betrokken expediteurs derhalve geen schade lijden. Daarenboven betoogt de inspecteur dat niet is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets; het inroepen van rechtsbijstand was niet redelijk en de kosten zijn buitensporig hoog.

5.4. Tijdens de eerste mondelinge behandeling heeft de inspecteur daaraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd.

Van belang is dat er in casu geen relatie bestaat tussen de buitenlandse afzender R BV en de klant. Er is uitsluitend sprake van een binnenlandse koopovereenkomst. De inspecteur verwijst in dit verband naar het eigendomsvoorbehoud dat K BV maakt blijkens de algemene voorwaarden ingeval de klant niet betaalt. Met betrekking tot de brieven die belanghebbende heeft overgelegd geldt dat niet is gebleken dat deze betrekking hebben op een identieke situatie als de onderhavige. Bovendien zijn deze brieven, behoudens in de zaken die bij het Hof zijn geregistreerd onder de nummers 01/90230 DK en 02/6246 DK, gericht aan andere expediteurs dan belanghebbende. Ook uit de brief van 17 januari 2000 van de Douane kan worden afgeleid dat de door belanghebbende overgelegde brieven betrekking hebben op specifieke situaties en dat daarenboven de Douane geen beleid voerde om in alle soortgelijke situaties aanspraak op toepassing van de vrijstelling te honoreren. Deze brief betreft geen intrekkingsbrief. De term “voortschrijdend inzicht” is verkeerd gekozen. Overigens is de inspecteur van mening dat de uitsluitingsgronden van artikel 220 van het CDW ook voor de heffing van omzetbelasting bij invoer onverkort van toepassing zijn. De nationale beginselen van behoorlijk bestuur missen toepassing. Artikel 220 van het CDW behelst de algemene bevoegdheid tot navorderen van omzetbelasting bij invoer; er bestaat geen ander artikel op grond waarvan omzetbelasting bij invoer kan worden nagevorderd. Dat brengt mee dat de in dat artikel genoemde voorwaarden en beperkingen onverkort van toepassing zijn.

In alle zaken is bij de aangifte een overzicht gevoegd waarop de individuele klanten staan vermeld alsmede de aan hen in rekening gebrachte vergoeding.

Indien er een veroordeling van de proceskosten zou volgen verzoekt de inspecteur deze vast te stellen conform de criteria van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De inspecteur betwist dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van evenbedoeld besluit.

5.5. Tijdens de tweede mondelinge behandeling heeft de inspecteur aan zijn standpunten nog het volgende toegevoegd.

Met betrekking tot belanghebbendes stelling dat R BV degene is die ex warehouse de goederen levert aan de klanten, geldt dat er geen sprake is van contracts-overneming door R BV. Ingevolge artikel 159, Boek 6, van het Burgerlijk Wetboek kan een rechtsverhouding slechts met medewerking van de wederpartij worden overgedragen aan een derde, en dat dient te geschieden bij een tussen haar en de derde opgemaakte akte. In casu is dat niet gebeurd. Er is slechts sprake van een rechtsverhouding tussen de klant en K BV. Ook uit de omstandigheid dat retourzendingen plaats dienen te vinden aan K BV blijkt dat slechts sprake is van een contractuele relatie tussen de klant en K BV en niet tussen de klant en R BV. De heffing van belasting met betrekking tot retourzendingen is echter niet in geschil. Met betrekking tot de verzendkosten aanvaardt de inspecteur belanghebbendes stelling dat ter zake van de daarmee gemoeide bedragen abusievelijk omzetbelasting op aangifte is voldaan.

De inspecteur is niet bekend of in andere lidstaten - belanghebbende vermeldt Oostenrijk en Duitsland - toepassing van de vrijstelling wordt gehonoreerd. Bij zijn weten vindt er geen overleg plaats op communautair niveau en is het ministerie dus ook niet bij een dergelijk overleg betrokken.

5.6. Tijdens de derde mondelinge behandeling heeft de inspecteur aan zijn standpunten nog het volgende toegevoegd.

De inspecteur bevestigt dat er zowel in de onderhavige zaken als in de zaken 01/90228 DK en 02/6238 DK een mededeling aangehouden verificatie is uitgereikt en een uitnodiging tot betaling ad nihil.

De inspecteur is het eens met belanghebbende dat de vier in het kader van het beroep op het vertrouwensbeginsel overgelegde brieven geacht moeten worden deel uit te maken van ieder afzonderlijk dossier.

Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding is niet in geschil dat dit verzoek, gelet op de overgelegde declaraties, een bedrag van € 58.994,38 betreft. De inspecteur is van mening dat geen recht bestaat op schadevergoeding omdat de belanghebbenden in deze zaken geen schade lijden; de kosten van rechtsbijstand zijn immers gedeclareerd aan K BV. Daarenboven geldt dat in casu geen sprake is geweest van “handelen tegen beter weten in” van de belastingdienst. Gelet op de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 11 december 2002, nr. 01/2885 (onder meer gepubliceerd in VN 2003/37.9) dient ook ingeval een uitspraak op bezwaar wordt vernietigd na beroep te worden getoetst of sprake is van “handelen tegen beter weten in”. Dat is in casu niet het geval.

Met betrekking tot de zogeheten dubbele redelijkheidstoets is de inspecteur van mening dat de gemaakte kosten van rechtsbijstand hoog zijn.

Met betrekking tot belanghebbendes beroep op een vergoeding van de integrale proceskosten voor de beroepsfase - gelet op het Gemeenschapsrecht - verwijst de inspecteur naar het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2004, nr. C03/114HR (onder meer gepubliceerd in VN 2005/5.4). Uit dit arrest blijkt, aldus de inspecteur, dat de forfaitaire regeling inzake de vergoeding van proceskosten niet in strijd is met gemeenschapsrecht en dat het voorts geen verschil maakt of het bevonden standpunt van de Staat in strijd is met het nationaal recht of met het gemeenschapsrecht.

De inspecteur heeft aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de gewijzigde samenstelling van de Douanekamer ten opzichte van de eerdere zittingen.

5.7. Met betrekking tot de verschuldigdheid van omzetbelasting geldt mutatis mutandis hetzelfde als met betrekking tot de verschuldigdheid van douanerechten.

6. De rechtsoverwegingen

A. De heffing van douanerechten (zaak 01/90228 DK)

6.1. Met betrekking tot de toepassing van de vrijstelling als bedoeld in artikel 27 van Verordening 918/83.

6.1.1. Ingevolge artikel 27 van Verordening 918/83 zijn, voor zover hier van belang, van rechten bij invoer vrijgesteld zendingen bestaande uit goederen met een te verwaarlozen waarde die uit een derde land rechtstreeks aan een geadresseerde in de Gemeenschap worden gezonden. Onder ‘goederen met een te verwaarlozen waarde’ wordt verstaan goederen waarvan de intrinsieke waarde niet meer dan 22 ecu per zending bedraagt.

6.1.2. De Douanekamer begrijpt belanghebbendes stelling aldus dat de klant van K BV geacht moet worden de geadresseerde te zijn in de zin van evenbedoelde bepaling en dat zulks, gelet op de overige feiten en omstandigheden, meebrengt dat de vrijstelling van artikel 27 van Verordening 918/83 (verder: de vrijstelling) van toepassing is. Tussen partijen is niet in geschil dat ingeval deze stelling juist is, aan de voorwaarde inzake de intrinsieke waarde van de goederen wordt voldaan en dat ingeval K BV geacht moet worden de geadresseerde te zijn, hetgeen de inspecteur verdedigt, aan evenvermelde voorwaarde niet wordt voldaan.

6.1.3. De Douanekamer deelt de hiervoor onder 6.1.2. weergegeven opvatting van belanghebbende niet. De Douanekamer acht in dit verband het volgende van belang.

6.1.3.1. Uit de door belanghebbende ingediende aangifte valt niet af te leiden dat de klant van K BV (verder: de klant) op enigerlei wijze betrokken is, in welke hoedanigheid ook, bij het doen van de desbetreffende aangifte. De klant kan derhalve ook niet als schuldenaar van de douaneschuld in de zin van artikel 201, derde lid, van het CDW worden aangemerkt. Dat bij de aangifte een lijst is overgelegd waarop vermeld staan de namen van de klanten bij wie de goederen uiteindelijk dienen te worden afgeleverd en dat op de pakketjes stickers zijn aangebracht met naam en adres van de klant acht de Douanekamer in dit verband niet relevant.

6.1.3.2. Evenmin valt uit de door belanghebbende overgelegde contracten af te leiden dat de individuele klant ten tijde van de invoer degene is voor wie de goederen zijn bestemd in die zin dat de klant op dat moment de macht heeft om als eigenaar over de goederen te beschikken. Uit de overgelegde contracten blijkt naar het oordeel van de Douanekamer daarentegen, dat K BV ten tijde van de invoer degene is voor wie de goederen zijn bestemd. Uit de contracten volgt immers dat de goederen ex warehouse (in Zwitserland) worden geleverd door R BV en dat K BV degene is die de goederen vervolgens levert aan de klant, welke levering in ieder geval niet plaatsvindt vóór of op het tijdstip van de invoer. Dat de klant K BV blijkens de algemene voorwaarden vermeld onder 2.5. heeft gemachtigd om zonodig de invoer op zijn naam en voor zijn rekening te verzorgen doet aan het vorenstaande niet af nu deze machtiging niet meebrengt dat de klant optreedt als opdrachtgever van belanghebbende noch dat hij anderszins - bijvoorbeeld in financiële zin - bij het doen van de aangifte is betrokken.

6.1.4. De Douanekamer concludeert dat gelet op alle feiten en omstandigheden in onderling verband bezien, niet de klant als de geadresseerde in de zin van artikel 27 van Verordening 918/83 dient te worden aangemerkt doch dat K BV de geadresseerde is. De onderhavige goederen worden derhalve naar het oordeel van de Douanekamer niet rechtstreeks aan de klant als geadresseerde gezonden in de zin van artikel 27 van Verordening 918/83.

6.1.5. Uit al hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de vrijstelling van artikel 27 van Verordening 918/83 voor wat betreft de heffing van douanerechten in de onderhavige situatie toepassing mist en dat in zoverre het gelijk aan de inspecteur is.

6.2. Met betrekking tot schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

6.2.1. Belanghebbendes subsidiaire stelling houdt in dat de inspecteur met het uitreiken van de litigieuze uitnodigingen tot betaling heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

6.2.2. Met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel geldt dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door belanghebbende overgelegde brieven van 28 oktober 1996, van 15 juni 1998 en van 25 juni 1998 betrekking hebben op situaties die gelijksoortig zijn aan de onderhavige. Met name heeft belanghebbende tegenover de betwisting daarvan door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat ook evenbedoelde brieven betrekking hadden op een situatie waarin de uiteindelijke klant kocht van een in Nederland gevestigde leverancier. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel moet reeds daarom - wat hier verder ook van zij - worden verworpen.

6.2.3. Voorts geldt dat de voorwaarden waaronder ten aanzien van douanerechten, die een exclusief Europeesrechtelijke grondslag hebben, van navordering moet worden afgezien, zijn neergelegd in artikel 220, tweede lid, letter b, van het CDW. De Douanekamer zal belanghebbendes beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur verstaan als een beroep op vermeld artikel 220, tweede lid, letter b, van het CDW. Ingevolge deze bepaling wordt niet tot boeking achteraf overgegaan ingeval het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken, wanneer zij het gevolg zijn van een actieve gedraging van de douaneautoriteiten zelf, en waarbij de belastingschuldige te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan.

6.2.4. De stelling van de inspecteur dat geen sprake is van een boeking achteraf als bedoeld in artikel 220 van het CDW deelt de Douanekamer niet. De Douanekamer merkt op dat vaststaat dat de goederen alvorens de litigieuze uitnodigingen tot betaling zijn uitgereikt zijn vrijgegeven en dat zulks meebrengt dat er, gelet op artikel 74 van het CDW, al eerder een boeking heeft plaatsgevonden. In dit verband merkt de Douanekamer nog op dat op het moment van vrijgeven van de goederen, aan belanghebbende een mededeling aangehouden verificatie alsmede een uitnodiging tot betaling ad nihil is uitgereikt.

6.2.5. Belanghebbendes beroep op de onder 6.2.3. vermelde uitsluitingsgrond van artikel 220, tweede lid, letter b, van het CDW voor boeking achteraf faalt naar het oordeel van de Douanekamer echter reeds omdat in verband met een verschil van inzicht tussen de douane en belanghebbende inzake het toepassingsbereik van de vrijstelling van artikel 27 van Verordening 918/83, bij het vrijgeven van de goederen de verificatie was aangehouden, en zulks was meegedeeld aan belanghebbende. De douane heeft derhalve van meet af aan een voorbehoud gemaakt ter zake van de toepassing van de vrijstelling, van welk voorbehoud belanghebbende op de hoogte was gesteld. Alsdan is geen sprake van een door de douane gemaakte vergissing die belanghebbende redelijkerwijs niet kon ontdekken in de zin van artikel 220, tweede lid, letter b van het CDW.

6.3. Conclusie met betrekking tot de heffing van douanerechten:

6.3.1. Uit hetgeen hiervoor onder 6.1.1. tot en met 6.2.5. is overwogen volgt dat belanghebbendes stellingen inzake de heffing van douanerechten falen. Het beroep dient mitsdien met betrekking tot de heffing van douanerechten ongegrond te worden verklaard.

B. De heffing van omzetbelasting (zaak 02/6238 DK)

6.4.1. Uit de overgelegde contracten volgt dat de goederen ex warehouse (in Zwitserland) worden geleverd door R BV en dat K BV degene is die de goederen vervolgens aan de klant levert. Zowel K BV als R BV maken voor de heffing van omzetbelasting deel uit van de fiscale eenheid K BV., T N.V. c.s., welke fiscale eenheid beschikt over een aanwijzing als bedoeld in artikel 23 van de Wet OB. Met betrekking tot het tijdstip waarop evenvermelde fiscale eenheid de goederen levert in de zin van de Wet OB, leidt de Douanekamer uit de algemene voorwaarden vermeld onder 2.5. af, dat dit niet ligt vóór of op het tijdstip van de invoer.

6.4.2. Ingevolge artikel 23 van de Wet OB moet de omzetbelasting welke is verschuldigd ter zake van de invoer van goederen bestemd voor een aangewezen ondernemer in afwijking van het bepaalde in artikel 22 van de Wet OB op aangifte worden voldaan door die ondernemer.

6.4.3. In zijn arrest van 11 april 2003, nr. 37.897 (BNB 2003/210) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de omzetbelasting ter zake van de invoer van voor een aangewezen ondernemer bestemde goederen op aangifte moet worden voldaan door die ondernemer, alsmede dat de bestemming van onder een douaneregeling geplaatste goederen eerst wijzigt op het tijdstip waarop de goederen worden geleverd in de zin van de Wet OB. Aangezien zoals hiervoor overwogen, de goederen in het onderhavige geval op het tijdstip van invoer nog niet door evenbedoelde fiscale eenheid aan de klant waren geleverd, was de bestemming op dat tijdstip niet gewijzigd. Dit brengt mee dat de omzetbelasting niet met toepassing van artikel 22 van de Wet OB van belanghebbende geheven had mogen worden. De uitnodigingen tot betaling van omzetbelasting kunnen derhalve niet in stand blijven.

6.4.4. Het beroep met betrekking tot de heffing van omzetbelasting dient gegrond te worden verklaard.

7. De proceskosten en schadevergoeding

Ten aanzien van de zaak nr. 00/90228 DK (douanerechten)

7.1. Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en belanghebbende niets heeft aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat sprake is van bijzondere omstandigheden acht de Douanekamer geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten noch voor een toekenning van een schade---vergoeding.

Ten aanzien van zaak nr. 02/6238 DK (omzetbelasting)

7.2. De Douanekamer acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) worden de te vergoeden kosten bepaald op een forfaitair bedrag. Indien en voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat er aanleiding is de kosten op een hoger bedrag vast te stellen op de voet van artikel 2, derde lid, van het Besluit volgt de Douanekamer hierin belanghebbende niet. Belanghebbende heeft niets aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit, die afwijking van de forfaitaire vaststelling van de te vergoeden proceskosten rechtvaardigen. De Douanekamer beschouwt deze zaak en de zaken met kenmerk 02/6221 DK, 02/6206 DK, 02/6236 DK en 02/6246 DK als samenhangende zaken in de zin van het Besluit. De Douanekamer stelt de aan belanghebbende te vergoeden proceskosten, met inachtneming van het Besluit, vast op 4,5 (punten per proceshandelingen te weten beroepschrift 1 + repliek 0,5 + verschijnen zitting 1 + schriftelijke inlichtingen 0,5 + nadere zitting 0,5 + schriftelijke inlichtingen 0,5 + nadere zitting 0,5) x € 322 (waarde per punt) x 2 (gewicht van de zaak) x 1,5 (aantal samenhangende zaken) ofwel € 4.347 waarvan een vijfde, ofwel € 869,40 voor de onderhavige zaak.

7.3. Voor zover belanghebbende, onder verwijzing naar de door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch gestelde prejudiciële vragen bij uitspraak van 24 juli 2003, nr. 00/00296 (onder meer gepubliceerd in VN 2003/52.23), bedoelt te stellen dat het gemeenschapsrecht zich verzet tegen een forfaitaire proceskostenregeling als onder 7.2. bedoeld, in het geval een burger in het gelijk moet worden gesteld wegens een schending van het gemeenschapsrecht door een lidstaat geldt dat deze stelling faalt, reeds omdat het gelijk van belanghebbende in deze zaak geen verband houdt met een schending van het gemeenschapsrecht. Daarenboven geldt dat het in beginsel geen verschil maakt of een onjuist bevonden standpunt van de Staat in strijd is met nationaal of Europees recht (zie HR 17 december 2004, nr. C03/114HR, onder meer gepubliceerd in VN 2005/5.4).

7.4. De Douanekamer verstaat de stellingen van belanghebbende met betrekking tot de vergoeding voor proceskosten in de bezwaarfase aldus dat zij op grond van artikel 8:73 van de Awb schade claimt bestaande uit de kosten die zijn gemaakt in de bezwaarfase ter zake van de door een gemachtigde verleende rechtsbijstand.

7.5. De Douanekamer overweegt hieromtrent als volgt. Indien de belastingdienst een besluit neemt en handhaaft dat naderhand door de rechter wordt vernietigd begaat de belastingdienst een onrechtmatige daad jegens de belastingplichtige. Zelfs indien de belastingdienst geen enkel verwijt treft moet worden aangenomen dat deze onrechtmatige daad voor rekening van de belastingdienst komt, behoudens ingeval zich bijzondere omstandigheden voordoen. Van een bijzondere omstandigheid is in casu niet gebleken.

7.6. Ter zitting van 15 maart 2005 is evenwel komen vast te staan dat belanghebbende geen kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase heeft gemaakt; de in dit verband door belanghebbendes gemachtigde opgevoerde kosten zijn gemaakt ter zake van werkzaamheden verricht in opdracht en voor rekening van belanghebbendes opdrachtgever K BV. Belanghebbende lijdt derhalve door het onrechtmatig handelen van de belastingdienst geen schade.

7.7. Op grond van het vorenoverwogene is de Douanekamer van oordeel dat er geen gronden zijn de Staat der Nederlanden op de voet van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding aan belanghebbende van de kosten van rechtsbijstand in verband met het bezwaar.

8. De beslissing

I. Met betrekking tot zaak nr. 01/90228 DK (douanerechten)

De Douanekamer verklaart het beroep ongegrond.

II. Met betrekking tot zaak nr. 02/6238 DK (omzetbelasting)

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de omzetbelasting;

- vernietigt de uitnodigingen tot betaling van omzetbelasting;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 869,40 en wijst de Staat der Nederlanden aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen; en

- gelast de Staat der Nederlanden het gestorte griffierecht ad € 204,20 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus vastgesteld op 28 april 2005 door mrs. E.M. Vrouwenvelder, M.E. van Hilten en G.D. van Norden, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier en mr. L.H.W. Verdegaal als auditeur.

De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.