Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT6638

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-2005
Datum publicatie
02-06-2005
Zaaknummer
424/2005 OK
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Ondernemingskamer heeft op donderdag 2 juni 2005 ter openbare terechtzitting uitspraak gedaan op het jegens Taxi Centrale Amsterdam B.V. (advocaat: mr F. Kemp) door 229 certificaathouders, tevens taxiondernemers, (advocaat: mr L.F. Jagtenberg) aangespannen geding.

Zoals verzocht door de certificaathouders, heeft de Ondernemingskamer een onderzoek gelast naar het beleid en de gang van zaken van TCA, in het bijzonder over de periode vanaf 1 mei 2000.

De Ondernemingskamer heeft mr C.N. Peijster (advocaat te Amsterdam) en dr. mr C.J. Nyqvist (onder meer oud wethouder te Den Haag, oud president RvB VSN Groep en thans partner van een adviesbureau) aangesteld om het onderzoek te verrichten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 345
Burgerlijk Wetboek Boek 2 346
Burgerlijk Wetboek Boek 2 349
Burgerlijk Wetboek Boek 2 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2005/275
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

BESCHIKKING van 2 juni 2005 in de zaak met rekestnummer 424/2005 OK van

1. J.C. WISMAN,

wonende te Alkmaar,

2. M. OCHAN

wonende te Amsterdam,

3. A. KRANENBUNT,

wonende te Diemen,

4. M.C. NAGELKERKEN,

wonende te Amsterdam,

5. H. ZOLL,

wonende te Purmerend,

6. J.J. MANNI,

wonende te Amstelveen,

7. A. KLARENBEEK,

wonende te Diemen,

8. H.C. TIMMER,

wonende te Amsterdam,

9. E. STAM,

wonende te Almere,

10. W.H.G. MENS SR,

wonende te Amsterdam,

11. J.C. HOOGENDIJK,

wonende te Amsterdam,

12. S. METMOPST,

wonende te Amsterdam,

13. T.H. MOLENWIJK,

wonende te Almere,

14. J. JANSEN-BOMMEL,

wonende te Amsterdam,

15. J. BODIE,

wonende te Amsterdam,

16. S.A. KUIPERS,

wonende te Amsterdam,

17. H. PARMESSAR,

wonende te Amsterdam,

18. W.L.P. JORIS,

wonende te Amsterdam,

19. P.M. TH. KUIN,

wonende te Amsterdam,

20. K.N. VAN DE BROEK,

wonende te Amsterdam,

21. J. VAN DER VEEN,

wonende te Amsterdam,

22. P.F.J. DE MEERE,

wonende te Almere,

23. M. HIESELAAR,

wonende te Diemen,

24. M. WILLEMSE,

wonende te Amsterdam,

25. W.H. MELGERS,

wonende te Pingjum,

26. O. BROUWER,

wonende te Zaandam,

27. J. GERRISSEN,

wonende te Purmerend,

28. R.C. ZANT,

wonende te Amsterdam,

29. VAN DER KOFT,

wonende te Alkmaar,

30. O. VAN DER GENUGTEN,

wonende te Amsterdam,

31. M.M. BAKKER-WILLEM,

wonende te Amsterdam,

32. C. HOVINGA,

wonende te Amsterdam,

33. ZUIDERHOEK,

wonende te Amsterdam,

34. ATIF ISCHAM,

wonende te Amsterdam,

35. J. BUURMAN,

wonende te Amsterdam,

36. L. MAKKUS,

wonende te Amsterdam,

37. F.T. VAN ANDEL,

wonende te Diemen,

38. I.L. DEN OS,

wonende te Sellingen,

39. M.R. FOKKER,

wonende te Amsterdam,

40. D. VAN DER WIJK,

wonende te Amsterdam,

41. R.F. HAIGHTON,

wonende te Amsterdam,

42. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TAXI BEDRIJF B.V.,

gevestigd te Purmerend,

43. H. HOL,

wonende te Hoorn,

44. R.K.J. BOS,

wonende te Almere,

45. A.M. KUIPERS,

wonende te Zaandijk,

46. M.F. HAGELSE,

wonende te Amsterdam,

47. R. RIETVELS,

wonende te Purmerend,

48. C.V. AMSTEL,

gevestigd te Zaandam,

49. S. BOZAG,

wonende te Amsterdam,

50. DEUN,

wonende te Koog aan de Zaan,

51. S.W. DEUN,

wonende te Koog aan de Zaan,

52. R. DE LIEFDE,

wonende te Landsmeer,

53. H.V. ASSELT,

wonende te Nieuw-Vennep,

54. J.W. VAN EIF,

wonende te Amsterdam,

55. E. JAGERMAN,

wonende te Amsterdam,

56. MARX,

wonende te Amstelveen,

57. P.V. HOUTEN,

wonende te Amsterdam,

58. A. CROESE,

wonende te Amsterdam,

59. R. DINGELHOFF,

wonende te Amsterdam,

60. P. TIMMEL,

wonende te Weesp,

61. ROELFSEMA,

wonende te Almere,

62. H.V. KREVELEN,

wonende te Amsterdam,

63. L.M. WIJSMAN,

wonende te Almere,

64. T. VAN DER MEULEN,

wonende te Amsterdam,

65. PRINS,

wonende te Almere,

66. C.J.A. MINNES,

wonende te Amsterdam,

67. EDELENBOS,

wonende te Amsterdam,

68. H.J. EDELENBOS,

wonende te Amsterdam,

69. G. METHORST,

wonende te Amsterdam,

70. J.W. HAZEWINDUS,

wonende te Amsterdam,

71. M. SARI,

wonende te Amsterdam,

72. L.A. SCHUITEN,

wonende te Almere,

73. D.K.J. KROESE,

wonende te Almere,

74. C. BOSCH,

wonende te Purmerend,

75. ROOF,

wonende te Amsterdam,

76. M.R. KALLAN,

wonende te Diemen,

77. H.P. REALVINK,

wonende te Amsterdam,

78. A. ADDI,

wonende te Amsterdam,

79. E. DIEPGROND,

wonende te Almere,

80. M.J. BAKKTAS,

wonende te Amsterdam,

81. R. VAN DER LINDE,

wonende te Amsterdam,

82. L.J.T. STRIJK,

wonende te Amsterdam,

83. H. HOEKMAN,

wonende te Amsterdam,

84. OUDEBOON,

wonende te Amsterdam,

85. M.G. GROEST,

wonende te Purmerend,

86. M.C. RAVENSWAAY,

wonende te Amsterdam,

87. R.C.M. KOMPONMAN,

wonende te Almere,

88. R. THIEL,

wonende te Amsterdam,

89. A.W. KALLMAN,

wonende te Amsterdam,

90. MOL,

wonende te Amsterdam,

91. M. HENDRIKS,

wonende te Amsterdam,

92. A. KADIER,

wonende te Amsterdam,

93. C.F. ALDENDORF,

wonende te Lelystad,

94. Z. DALDAL,

wonende te Amsterdam,

95. A.R. POLDERVAART,

wonende te Amsterdam,

96. I.H. PLIEGER,

wonende te Amsterdam,

97. T.H.G. WIENHOLDS,

wonende te Almere,

98. F. VAN DE ASSEM,

wonende te Zwanenburg,

99. M.T.R. KOUWENBURG,

wonende te Almere,

100. M.T.R. KOUWENBURG,

wonende te Almere,

101. TIENEL,

wonende te Amsterdam,

102. C. MEESTER,

wonende te Lelystad,

103. B. VISSER,

wonende te Amsterdam,

104. P. ALTELAAR,

wonende te Amsterdam,

105. A. NOORDHOF,

wonende te Everdingen,

106. M.A. VAN BRITSOM,

wonende te Amsterdam,

107. M. HAMMON,

wonende te Amsterdam,

108. HENRY,

wonende te Amsterdam,

109. WOLLAERT,

wonende te Amsterdam,

110. L.H. HARDONK,

wonende te Amsterdam,

111. M. KRISTAL,

wonende te Amsterdam,

112. P. POOI,

wonende te Amsterdam,

113. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B.V. VAN DER MEIJDEN,

gevestigd te Amsterdam,

114. S. ARNHEN,

wonende te Amsterdam,

115. A.J. LALOLI,

wonende te Amsterdam,

116. R.G. ALIEE,

wonende te Duivendrecht,

117. J. POST,

wonende te Almere,

118. P.M. GERRITSMA,

wonende te Amsterdam,

119. R.T. BISSCHOP,

wonende te Almere,

120. B.W.A. BISSCHOP,

wonende te Almere,

121. H.A. KRUIS,

wonende te Diemen,

122. MENS,

wonende te Amsterdam,

123. H.H. DURING,

wonende te Amsterdam,

124. P.H.H. EMMEN,

wonende te Almere,

125. SIBBE-BULT,

wonende te Volendam,

126. R. WIJNBERG,

wonende te Amsterdam,

127. A.D.J. MIDDENDORP,

wonende te Amsterdam,

128. F. SARTON,

wonende te Amsterdam,

129. J. DE IRE,

wonende te Amsterdam,

130. F.M. KERSBERGEN,

wonende te Duivendrecht,

131. D.J. VAN IMMERSEEL,

wonende te Amsterdam,

132. T.H. NANNE,

wonende te Amsterdam,

133. M.A.J. OLIESLAGERS,

wonende te Badhoevedorp,

134. B. VOGELS,

wonende te Amsterdam,

135. S. LAURILES,

wonende te Amsterdam,

136. G. VAN RAVENZWAAY,

wonende te Almere

137. G. VAN RAVENZWAAY,

wonende te Almere,

138 R. VAN KOLLEM,

wonende te Amsterdam,

139. H. LAKERVELD,

wonende te Diemen,

140. GAFFAR,

wonende te Amsterdam,

141. S. KARAMI,

wonende te Amsterdam

142. P. VAN DE LINDEN,

wonende te Amsterdam

143. J.J. TEILERS,

wonende te Amsterdam

144. DE OUDE,

wonende te Amsterdam

145. W. GOEDKOOG,

wonende te Amsterdam

146. H. ROEPER,

wonende te Purmerend,

147. LAKERVELD,

wonende te Almere,

148. M. AYTEKIN,

wonende te Amsterdam,

149. K. VENGER,

wonende te Amsterdam,

150. G. GULIEN,

wonende te Amsterdam,

151. A.R. OOSTERHUIS,

wonende te Amsterdam,

152. JERRY ATELAAR,

wonende te Amsterdam,

153. TIMMERMAN,

wonende te Amsterdam,

154. M. SCHRODER,

wonende te Amsterdam,

155. G. KOOIJ,

wonende te Purmerend,

156. G.J. VERWEIJ,

wonende te Amsterdam,

157. N. SONTAG,

wonende te Vijfhuizen,

158. S. DE WAAL,

wonende te Amsterdam,

159. G. GAAVLANDT,

wonende te Almere,

160. DE VRIES,

wonende te Amsterdam,

161. V. SAGAR,

wonende te Amsterdam,

162. U. CULHAC,

wonende te Hoofddorp,

163. T.O. WUYLS,

wonende te Amsterdam,

164. R. DE VRIES,

wonende te Amsterdam,

165. R. VERHOEF,

wonende te Amsterdam,

166. R.A. VAN EGMOND,

wonende te Heerhugowaard,

167. R. DE VOS,

wonende te De Bilt,

168. P.C. VAN KAMPEN,

wonende te Almere,

169. M. OVERING,

wonende te Amsterdam,

170. O.M. HENNEMAN,

wonende te Zandvoort,

171. P. DE RUITER,

wonende te Amstelveen

172. J.P. DE VRIES,

wonende te Almere,

173. R. BELMER,

wonende te Almere,

174. R.M.A. GAFFAR,

wonende te Amsterdam,

175 L. VAN VELZEN,

wonende te Amsterdam,

176. F. DE GOEDE,

wonende te Zwanenburg,

177. L. KANT-KRUIS,

wonende te Hoorn,

178. H. BERGER,

wonende te Amsterdam,

179. J.M DE NOBEL,

wonende te Amsterdam,

180. F.A. HEIN,

wonende te Amsterdam,

181. H.F. VAN LIESHOUT,

wonende te Purmerend,

182. J.P. HOORN,

wonende te Amsterdam,

183. C. BAADOUCI,

wonende te Amsterdam,

184. R. OLIJ,

wonende te Assendelft,

185. V. KAYADIB,

wonende te Amsterdam,

186. J. HOLSCHER,

wonende te Wirdum,

187. E. VAN KUIK,

wonende te Amstelveen,

188. H. NABARRO,

wonende te Amstelveen,

189. P.J. STREELDER,

wonende te Putten,

190. W.A. HONDEVELDT,

wonende te Amsterdam,

191. D. JACOBS,

wonende te Amsterdam,

192. AIB BEN,

wonende te Amsterdam,

193. P.H. WILLEMSE,

wonende te Amsterdam,

194. S.A. DELDAR,

wonende te Amsterdam,

195. SOENASTO,

wonende te Amsterdam,

196. A. DE GRAAUW,

wonende te Almere,

197. J.H. DE GRAAUW,

wonende te Amsterdam,

198. SIKKING,

wonende te Kortenhoef,

199. D.J.J. POUT,

wonende te Amsterdam,

200. L. VAN DER WOERT,

wonende te Amsterdam,

201. C. PIEARD,

wonende te Purmerend,

202. A.A. KAPELLEN,

wonende te Almere,

203. J. FORREN,

wonende te Amsterdam,

204. P. MARTENS,

wonende te Amsterdam,

205. A.M. BALVERS,

wonende te Amsterdam,

206. J.G. HUSSEM,

wonende te Almere,

207. R. WIP,

wonende te Amsterdam,

208. E. PASTOR,

wonende te Amsterdam,

209. R. NIERAP,

wonende te Amsterdam,

210. R. VAN LEMMEREN,

wonende te Amsterdam,

211. SPORN,

wonende te Amsterdam,

212. A.G. HALSEMA,

wonende te Amsterdam,

213. C.H.J. STROEVEN,

wonende te Amsterdam,

214. MEIJERS,

wonende te Amsterdam,

215. B. BOZOVIE,

wonende te Amsterdam,

216. I. MESIER,

wonende te Amsterdam,

217. R.H. OTTERMANN,

wonende te Amsterdam,

218. F. SNABILIE,

wonende te Amsterdam,

219. A.A.C. BINS,

wonende te Almere,

220. P.J.C. RUIJGROK,

wonende te Amsterdam,

221. J.G. PLOMP,

wonende te Amsterdam,

222. J.J. PAS,

wonende te Amsterdam,

223. W.E. VAN KUYK,

wonende te Amsterdam,

224. J.J. BREEN,

wonende te Amsterdam,

225. A. GORTER,

wonende te Amsterdam,

226. M. LANGEREIS,

wonende te Amsterdam,

227. D.J. VAN SEBEN,

wonende te Almere,

228. R. GUITONEAU,

wonende te Amsterdam,

229. C. HIRSCHMAN,

wonende te Amsterdam,

VERZOEKERS,

advocaat: MR. L.F. JAGTENBERG,

procureur: MR. I.M.C.A. REINDERS FOLMER,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TAXI CENTRALE AMSTERDAM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER,

advocaat en procureur: MR. F. KEMP,

e n t e g e n

1. de stichting

STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR TAXI CENTRALE AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

2. HENDRICUS JOSEPHUS GRIJPINK,

wonende te Monnickendam,

3. JOHANNES FRANCISCUS MARIA JANMAAT,

wonende te Duivendrecht,

4. GERARD VAN GELDEREN,

wonende te Amsterdam,

BELANGHEBBENDEN,

advocaat en procureur: MR. F. KEMP.

1. Het verloop van het geding

1.1 Verzoekers hebben bij op 11 maart 2005 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht - zakelijk weergegeven en naar de Ondernemingskamer begrijpt -

1) een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van verweerster (hierna TCA te noemen) in de gehele omvang daarvan, maar in het bijzonder over de afgelopen vijf jaren;

2) bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding

a) H.J Grijpink (hierna Grijpink te noemen) te schorsen als bestuurder van TCA, althans te bevelen dat deze geen besluiten mag nemen zonder voorafgaande toestemming van de te benoemen onderzoeker;

b) J.F.M. Janmaat en G. van Gelderen (hierna Janmaat onderscheidenlijk Van Gelderen te noemen) de toegang te ontzeggen tot de kantoren van TCA gedurende de periode van het onderzoek;

c) een tijdelijke bestuurder te benoemen;

d) de te benoemen bestuurder het stemrecht op de aandelen in het geplaatste kapitaal van TCA te geven;

e) TCA te bevelen zekerheid te stellen voor uit het spaarfonds verdwenen gelden, althans haar te bevelen onmiddellijk te verklaren waar deze gelden gebleven zijn;

f) enige andere maatregel te treffen zoals de Ondernemingskamer vermeent te behoren;

3) TCA te veroordelen in de kosten van het geding.

1.2 TCA en belanghebbenden sub 1 tot en met 3 hebben bij op 5 april 2005 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht verzoekers in hun verzoek niet ontvankelijk te verklaren dan wel het verzoek af te wijzen en verzoekers te veroordelen in de kosten van het geding.

1.3 TCA en belanghebbenden sub 1 tot en met 3 hebben bij op 11 april 2005 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift het eerder ingediende verweerschrift gewijzigd en de Ondernemingskamer hetzelfde verzoek gedaan als zij bij hun eerdere verweerschrift hadden gedaan.

1.4 Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 21 april 2005, alwaar de advocaten de standpunten van partijen nader hebben toegelicht, beiden aan de hand van aan de Ondernemingskamer overgelegde pleitaantekeningen en onder overlegging van - op voorhand aan de Ondernemingskamer gezonden - nadere producties.

2. De vaststaande feiten

2.1 TCA is opgericht op 27 april 1995 en heeft volgens haar statuten ten doel - kort weergegeven - het verrichten van diensten ten behoeve van het personenvervoer in en rond Amsterdam, tot welke diensten in ieder geval worden gerekend het exploiteren van een mobilofooncentrale en een telefooncentrale en eventueel het ten behoeve van bij TCA aangesloten taxiondernemingen exploiteren van bedrijfsvergunningen taxivervoer, alsmede het oprichten van, deelnemen in en besturen van ondernemingen en vennootschappen met een soortgelijke of aanverwante doelstelling. TCA zette na haar oprichting de activiteiten voort van de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Centraal Bureau voor Taxi's (hierna CBT te noemen), te weten het instandhouden van een taxicentrale ten behoeve van de aangesloten taxichauffeurs.

2.2 Het maatschappelijk kapitaal van TCA bedroeg bij haar oprichting NLG 635.000 (bestaande uit 635 aandelen van elk nominaal NLG 1.000). Het volledige aandelenkapitaal werd geplaatst bij CBT. Vervolgens heeft CBT bij akte van 27 april 1995 de aandelen in TCA ter certificering overgedragen aan de stichting Stichting Administratiekantoor Taxicentrale Amsterdam (hierna Stichting AK TCA te noemen). Stichting AK TCA heeft certificaten van aandelen in TCA uitgegeven aan taxiondernemers die beschikken over een van overheidswege uitgegeven taxivergunning, een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten met CBT en een samenwerkingsovereenkomst zouden sluiten met TCA. Na statutenwijzing bij akte van 29 november 2000 bedraagt het geplaatste en gestorte kapitaal van TCA € 292.688,10, verdeeld in 1935 aandelen, elk met een nominale waarde van € 151,26. Van deze aandelen zijn er 1920 in het bezit van Stichting AK TCA en de door haar daartegenover uitgegeven 1920 certificaten zijn, zo blijkt over het jaarverslag van TCA over 2003, in handen van ondernemers die in Amsterdam een taxi exploiteren. De resterende 15 aandelen worden gehouden door Stichting Derdengelden Bos.

2.3 Sinds 1 juni 1996 is Grijpink alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder van TCA. Het bestuur van Stichting AK TCA wordt door middel van coöptatie benoemd en bestaat thans uit Janmaat (sinds 21 april 1995), Th.M.J. Jansen (sinds 1 januari 2000; hierna Jansen te noemen), A.H. Spaan (sinds 15 oktober 2001), N.W. Cramer (sinds 29 oktober 2001), C.J. Zonneveld (sinds 14 februari 2002) en E. Kahraman (sinds 4 januari 2005). Van Gelderen maakte tot 2004 deel uit van het bestuur van Stichting AK TCA. Thans is hij voor TCA werkzaam als manager.

2.4 Reeds gedurende een aantal jaren is sprake van een controverse tussen TCA, met name in de personen van Grijpink, Janmaat en Van Gelderen, en een aantal bij TCA aangesloten taxiondernemers-certificaathouders over een aantal onderwerpen in de relatie tussen TCA en de certificaathouders. Een aantal van deze ondernemers, in het bijzonder Den Hartog en Meester, heeft voorts in een strafrechtelijk onderzoek door of op vordering van het Openbaar Ministerie en tegenover de pers verklaringen afgelegd die belastend zijn voor Grijpink, Janmaat en Van Gelderen.

2.5 Nadat op 23 februari 2001 gerechtelijke vooronderzoeken waren geopend zijn Grijpink, Janmaat en Van Gelderen op 27 februari 2001 in voorlopige hechtenis genomen op grond van verdenking ter zake van een aantal strafbare feiten, waaronder oplichting, valsheid in geschrift en deelneming aan een misdadige organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Deze onderzoeken lopen nog steeds. Een door de raadslieden van genoemde personen aan het Openbaar Ministerie gedaan verzoek de vervolging te staken en een kennisgeving van niet verdere vervolging te doen uitgaan is niet gehonoreerd.

2.6 TCA heeft een 100%-dochtervennootschap, Blokband Taxi Amsterdam B.V. (hierna BTA te noemen). BTA is in 1998, na de wijziging van de Wet personenvervoer, bij welke wijziging het vergunningenstelsel werd afgeschaft, opgericht om na de deregulering extra taxi's te kunnen laten rijden. De overeenkomsten met certificaathouders worden door TCA voor onbepaalde duur aangegaan, terwijl BTA alleen tijdelijke overeenkomsten sluit met certificaathouders van TCA.

2.7 De bij TCA aangesloten taxiondernemers-certificaathouders zijn op grond van artikel 5 van de zogenaamde franchisevoorwaarden (in de versie van 31 augustus 2004) een maandelijkse bijdrage aan TCA verschuldigd. Het bedrag daarvan wordt jaarlijks vastgesteld. TCA kan bepalen dat een gedeelte daarvan wordt toegevoegd aan het spaarfonds. Het spaarfonds wordt in de franchisevoorwaarden omschreven als:

het door TCA te beheren en uit de door de certificaathouders aan TCA verschuldigde bijdragen te vormen fonds, waaruit toekomstige voor TCA en/of de certificaathouders en/of de vervoerders relevante en in financieel opzicht substantiële investeringen geheel of gedeeltelijk kunnen worden gefinancierd.

2.8 Vanaf de oprichting van TCA was van de bijdragen van de certificaathouders een bedrag van NLG 180 per maand bestemd voor het spaarfonds. Vanaf 2000 is dat bedrag verlaagd tot NLG 100. Uit de hierna opgenomen gegevens valt af te leiden dat het bedrag nadien ook lager is geweest dan NLG 100 (€ 45,38). Ook de taxiondernemers die via BTA bij TCA zijn aangesloten, dragen bij aan het spaarfonds. In de jaarrekeningen van TCA over 2002 en 2003 zijn met betrekking tot het spaarfonds (in de jaarrekening in het eigen vermogen opgenomen als bestemmingsreserve) de volgende gegevens vermeld:

2001 2002 2003

stand per 1 januari

bijdrage aangeslotenen

rente deposito spaarfonds € 1.714.246

€ 913.078

€ 51.362 € 471.200

€ 8.755

€ 51.487 € ( 58.301)

€ 345.600

€ 9.598

€ 2.678.686 € 531.442 € 296.897

bestedingen per saldo

dotatie latente belastingverplichtingen € (1.887.909)

€ (319.577) € (586.722)

€ (3.021) € (481.793)

€ 1.419.249

stand per 31 december € 471.200 € (58.301) € 1.234.353

Bij deze gegevens is in de jaarstukken, zowel die over 2002 als die over 2003, de volgende toelichting gegeven:

(…) Tevens is besloten dat de aldus gereserveerde gelden op een aparte depositorekening bij de ING Bank N.V. dienen te worden gestort. De ontvangen rente hierover wordt eveneens toegevoegd aan de reserve. Voor zover de reserve niet overeenkomstig de(..) doelstelling zal worden aangewend dient terugbetaling plaats te vinden aan de aangeslotenen.

In de jaarrekeningen over de jaren 2002 en 2003 is vermeld dat onder de liquide middelen depositorekeningen zijn begrepen tot een bedrag van € 205.242 (2002), onderscheidenlijk € 349.768 (2003), welke bedragen zullen worden aangewend voor investeringen ten behoeve van aangeslotenen. TCA heeft een procedure gevoerd inzake de wijze waarop bij de fiscale winstberekening rekening moet worden gehouden met het spaarfonds. Deze procedure is door de uitspraak van de Hoge Raad van 17 september 2004 (nummer 40 120, BNB 2004, 412, LJ-nummer: AR2319) in voor TCA positieve zin afgelopen. In verband hiermee is in de jaarrekening over 2003 rekening gehouden met een vrijval van de terzake opgenomen voorziening voor belastingverplichtingen (ad € 1.419.249).

2.9 Blijkens de jaarrekeningen zijn in de jaren 2001, 2002 en 2003 ten bedrage van achtereenvolgens € 45.378, € 68.968 en € 66.659 juridische kosten ten laste van TCA gekomen. Als toelichting is daarbij in de jaarrekening over het jaar 2002 opgenomen (in de jaarrekening over het jaar 2003 is de toelichting - afgezien van het daarin vermelde jaartal - gelijkluidend):

Eind 2002 bestaat een aantal juridische geschillen, waaronder geschillen die met name aangeslotenen of bestuursleden aangaan, en waarvan [TCA] de kosten draagt (o.a. RVI, Bedrijfsvereniging, Schiphol en justitie). Afgezien van de kosten van juridische bijstand zal de afloop van de procedures het resultaat noch het vermogen van de vennootschap beïnvloeden.

2.10 Blijkens een transcriptie van een vraaggesprek heeft Grijpink op vragen van een journalist in het programma Radio 1-journaal van 5 mei 2004 verklaard:

Kijk ik ben aangeklaagd omdat ik directeur ben van TCA omdat ik mijn nek uitgestoken heb voor dezelfde chauffeurs die commentaar leveren op straat en dan is het ook een denk ik normale zaak dat het bedrijf voor die kosten opdraait.

2.11 Voor het aannemen van ritten en het uitgeven daarvan aan de voertuigen beschikt de telefoon-mobilofooncentrale van TCA over het systeem RASTA (Rit Afhandelings Systeem Taxicentrale Amsterdam). In dit systeem worden de ritopdrachten zowel mondeling als volledig geautomatiseerd aangenomen. De uitgifte naar het dichtstbijzijnde voertuig geschiedt geautomatiseerd via dataverkeer naar de terminal in het betreffende voertuig.

2.12 TCA verzorgt de administratieve afhandeling van ritten die op rekening worden gereden. Daartoe worden rekeningen verstuurd naar de circa 3500 debiteuren en worden de ritten verrekend met de desbetreffende aangesloten taxiondernemers.

2.13 Bij brief van 14 januari 2005 heeft de advocaat van verzoekers zich gewend tot het bestuur van TCA. Deze brief luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

Namens een aantal certificaathouders, hierna "cliënten" vraag ik uw aandacht voor het navolgende.

Bij cliënten zijn ernstige twijfels gerezen over het gevoerde beleid binnen de TCA. De cijfers geven verlies weer, terwijl er geen enkel inzicht bestaat in de door de directie van de TCA genomen en nog te nemen maatregelen. (…)

Cliënten zijn wel geconfronteerd geworden met een "franchise-constructie", waarvan voorwaarden eenzijdig door de TCA zijn ingevoerd en waarvan de voorwaarden nog even regelmatig eenzijdig worden gewijzigd. Geen der cliënten is vooraf om medewerking of een mening gevraagd: van instemming kan derhalve nimmer sprake zijn geweest.

(…)

Daarnaast zijn cliënten bijzonder verontrust door alle publicaties van de afgelopen jaren rond de directie van de TCA. Daarbij wordt gedoeld op de bankrekeningen op Cyprus, Steunbeer B.V. en (het witwassen in) de kinderopvang.

Cliënten zijn voorts verplicht voor zo ongeveer alle benodigde goederen en diensten gebruik te maken van de door TCA dwingend opgelegde bedrijven: verplichte winkelnering. Onduidelijk is of dat goedkoper is voor cliënten, terwijl de aangewezen bedrijven opvallend vaak nauwe banden met het TCA bestuur dan wel lid van het TCA bestuur zijn. Voorbeelden zijn het kopen/inbouwen van het Rasta systeem, software-update, kledingaankoop a € 1000,00 per jaar tbv de Schipholritten.

(…)

Specifiek zijn er nog de volgende vraagpunten:

a) Hoe zit het met het certificatenregister: is dat bijgehouden zodat er eenduidig is wie de precieze certificaathouders zijn?

b) is er bekend hoeveel BTA nummers er zijn en zo ja waar zijn die geregistreerd?

c) Hoe is het verloop van het Spaarfonds geweest? Hoeveel staat er nu nog gereserveerd?

d) de jaarcijfers over de jaren voor 2003 zijn nimmer goedgekeurd, althans niet herbezien na de tuchtrechtelijke veroordeling van de betreffende accountant. Gaat de directie daar wat mee doen?

e) Over het jaar 2000 is helemaal geen accountantsverklaring?

f) de cijfers over 2002 en 2003 zijn weliswaar voorzien van een waarheidsgetrouwheid verklaring, maar geven geen inzichten op een aantal essentiële punten:

- een specificatie van de juridische kosten

- de door de TCA ontvangen boetebedragen worden niet verantwoord

- de ontvangen provisies inzake de RASTA/STERGAM worden niet verantwoord

- de post advieskosten wordt niet gespecificeerd

- de post doorbelaste kosten Stichting Administratiekantoor TCA wordt niet verantwoord

- er zijn geen jaarrekeningen van de Stichting

Kan dat alsnog?

g) Ten aanzien van de cijfers over 2003: de uitgewerkte winst/verliesrekeningen ontbreken, zodat niet nagegaan kan worden hoe de post “overige bedrijfskosten a 2.672,999 is samengesteld. Kunnen deze alsnog toegezonden worden, voorzien van een accountantsverklaring?

h) Gelet op het geleden verlies zouden cliënten graag geïnformeerd worden over de door de directie van de TCA te nemen maatregelen om het tij te doen keren. Welke zijn dat en wanneer wordt daar resultaat van verwacht?

Vanzelfsprekend staat het u vrij meer informatie verstrekken dan gevraagd.

Bovenstaande vragen zijn voor een vennootschap die zijn zaken op orde heeft niet al te moeilijk om te beantwoorden zodat ik uw antwoord graag binnen 14 dagen tegemoetzie.

(…).

2.14 Bij brief van 25 januari 2005 heeft de advocaat van TCA geantwoord dat TCA doende is de informatie te verzamelen voor de beantwoording van de gestelde vragen en dat hij, alvorens tot beantwoording over te kunnen gaan, moest vernemen namens wie de advocaat van verzoekers optrad.

2.15 Bij brief van 26 januari 2005 heeft de advocaat van verzoekers de advocaat van TCA geantwoord dat zij op dat moment 250 certificaathouders vertegenwoordigde, onder wie Meester en Den Hartog. Voorts schreef zij:

In mijn brief aan de TCA heb ik een termijn van 2 weken genoemd: ik heb er geen bezwaar tegen dat dat er 3 worden, maar niet veel meer. Intussen behoud ik mij alle rechten voor.

2.16 Bij brief van 14 maart 2005 heeft de advocaat van TCA de brief van de advocaat van verzoekers van 14 januari 2005 beantwoord. Deze brief luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

(…) cliënte (is) bereid de door u gestelde vragen naar beste inzicht en vermogen te beantwoorden. Er valt immers niets te verbergen. Wel spreekt cliënte haar verbazing uit dat de gestelde vragen, welk toch algemeen van aard zijn, niet middels de geëigende kanalen aan haar zijn voorgelegd. (…)

Cliënte hecht eraan (…) nog het volgende te benadrukken. Het is een toenemende zorg van cliënte dat daar waar de taxicentrale een steeds beter functionerende, professionele organisatie wordt (zij beschikt over een keurmerk; zij is de modernste centrale van Europa, zij beschikt over taxibel; men kan boeken via internet; taxi4me; klantmanagers etc. etc.) de kwaliteit van een deel van de aangesloten chauffeurs duidelijk bij die ontwikkeling achterblijft. Daardoor ontstaat er een hiaat tussen de dienstverlening van de centrale en die van een deel van de chauffeurs.

(…)

1. Uw cliënten (…) zijn niet "geconfronteerd" geworden met een "franchise-constructie". In casu is sprake van reeds jaren bestaande algemene voorwaarden welke van toepassing zijn op de diverse relaties die een taxiondernemer met mijn cliënte kan onderhouden: de samenwerkings-, de exploitatie- en/of de chauffeursovereenkomst. Reeds sedert enkele jaren zijn deze algemeen geldende voorwaarden genaamd "franchise-voorwaarden". Immer is in artikel 2 bepaald dat de directie van TCA een voorgenomen wijziging van de voorwaarden kan voorleggen aan het bestuur van [Stichting AK TCA; Ondernemingskamer]. Eerst na goedkeuring door dit bestuur treedt een wijziging in werking. Er is derhalve geen sprake van eenzijdige wijziging van de voorwaarden. Instemming van individuele certificaathouders was en is derhalve niet vereist. Bovendien vindt wijziging niet regelmatig plaats.

2. Cliënte heeft (…) wel degelijk een visie op de toekomst ontwikkeld. Een en ander is neergelegd in het plan "Accepting the challenge" (…).

(…)

4. Het verbaast dat juist uw cliënten verontrust zijn door alle publicaties van de afgelopen jaren rond de directie van mijn cliënte. Uw cliënten zijn immers juist in het merendeel van de gevallen de aangevers daarvan gebleken. (…)

5. Er is geen sprake van (verplichte) winkelnering en evenmin van (verborgen) provisies. (…) De huidige inbouwer van het RASTA-systeem is aangewezen na diverse inschrijvingen van verschillende inbouwers. (…)

6. a. De Stichting ATA houdt een certificaathoudersregister bij. (…)

b. Ja, uiteraard is bekend hoeveel BTA nummers er zijn. Cliënte houdt de registratie bij.

(…).

Voor het overige verwees de advocaat van TCA naar een bijgevoegde brief van de accountant van TCA. Daarin werd wat het verloop van het spaarfonds betreft een gecomprimeerde weergave opgenomen van de gegevens met betrekking tot de jaren 2002 en 2003 die ook zijn vermeld in de jaarrekeningen, zoals hiervoor in 2.8 weergegeven. Voorts werd in de brief onder meer het volgende vermeld:

De zeer gedetailleerde uitwerking van deze vraag kan ik (…) niet verzorgen, maar kan melden dat de angst bij de vraagsteller lijkt te zijn dat deze post tevens juridische kosten betreft van enkele tegen TCA bestuurders lopende juridische zaken. Voor zover wij dat hebben kunnen nagaan, bevatten de juridische kosten slechts die kosten die direct gerelateerd zijn aan TCA. Wij begrepen dat de bestuurders zelf ook juridische kosten betalen.

Voorts wordt gesteld dat door TCA ontvangen boetebedragen niet worden verantwoord. Dit is een onjuiste constatering. (…)

Ons is niet bekend dat provisies RASTA/STERGAM worden genoten. (…)

De vraag of er jaarrekeningen van de Stichting zijn, kan bevestigend worden beantwoord.

(…)

Bij deze vraag wordt geïnformeerd naar de maatregelen die de directie van de vennootschap heeft genomen om het geleden verlies gedurende afgelopen 2 jaren om te buigen in een nihil exploitatie of een exploitatie met een positief exploitatieresultaat.

In de voorgaande 2 jaren (2002 en 2003) zijn de bijdragen die de aangeslotenen verschuldigd zijn aan TCA verlaagd. Deze verlaging vond zijn weerslag in de algehele malaise waarin de taxi branche zich bevond. Een verlaging van de bijdrage zou het “leed” voor de chauffeurs kunnen verzachten. Door de negatieve exploitatie uitkomst bij TCA over de voorgaande jaren, is inmiddels besloten de bijdrage te verhogen. Het effect van deze verhoging zal eerst echt goed zichtbaar zijn in de exploitatie over het jaar 2005. [Voorts] doet de directie er alles aan om de markt in Amsterdam te beschermen voor haar aangeslotenen. (…).

3. De gronden van de beslissing

3.1 De Ondernemingskamer stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat verzoekers voldoen aan het vereiste van art. 2:346 aanhef en onder b BW dat zij houders zijn van - in casu - certificaten, die gezamenlijk ten minste een tiende gedeelte van het geplaatste kapitaal van TCA vertegenwoordigen. TCA heeft weliswaar opmerkingen geplaatst bij de aan het verzoekschrift gehechte lijst van certificaathouders en daarover opgemerkt dat het opgegeven aantal van 290 (van de zijde van verzoekers nader gesteld op 285) te hoog is aangezien sommigen van de in de lijst genoemde personen gezamenlijk een certificaat houden en voorts dat een aantal certificaatnummers ontbreekt en enkele namen verkeerd zijn ingevoerd, doch zij heeft vervolgens erkend dat verzoekers in ieder geval 223 certificaten van aandelen in TCA houden. Het verzoek is, gelet op hetgeen is vastgesteld in 2.2 hiervoor, ingediend door certificaathouders die meer dan een tiende gedeelte van dat kapitaal verschaffen.

3.2 Bij pleidooi heeft TCA de stelling betrokken dat verzoekers niet ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun verzoek, aangezien aan het onder 3.1 bedoelde vereiste dient te zijn voldaan bij gelegenheid van het in art. 2:349 lid 1 BW bedoelde schriftelijk kenbaar maken van de bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken, in dier voege dat voor ontvankelijkheid van verzoekers nodig is dat blijkt dat de advocaat van verzoekers ten tijde van het verzenden van de brief aan TCA van 14 januari 2005 optrad namens certificaathouders die meer dan een tiende gedeelte van het geplaatste aandelenkapitaal vertegenwoordigen. Dit betoog is niet juist. Zoals de Hoge Raad reeds besliste op 6 oktober 1993 (NJ 1994, 300), moet worden vooropgesteld dat, gelet op de strekking van de onderhavige bepalingen, aan de eis van genoemd artikel is voldaan, indien op grond van de inhoud van de schriftelijke bezwaren, alsmede de omstandigheden waaronder en de wijze waarop zij naar voren zijn gebracht, voor de betrokken vennootschap duidelijk moest zijn dat deze bezwaren de grondslag zouden kunnen vormen voor een door een voldoende aantal aandeelhouders ondersteund verzoek tot het instellen van een enquête. In het onderhavige geval is aan deze eis voldaan. In de in 2.13 aangehaalde brief van 14 januari 2005 heeft de advocaat van verzoekers het bestuur van TCA "namens een aantal certificaathouders" medegedeeld dat "ernstige twijfels (zijn) gerezen over het gevoerde beleid" en heeft zij TCA een termijn van veertien dagen gesteld om de vragen te beantwoorden - en dus de bezwaren te onderzoeken onderscheidenlijk de gevraagde opening van zaken te geven - en, waar van toepassing, maatregelen in het vooruitzicht te stellen. Aldus beantwoordt de brief aan alle eisen die in art. 2:349 lid 1 BW worden gesteld aan het tevoren schriftelijk kenbaar maken van de bezwaren, welk kenbaar maken is vereist, willen de verzoekers kunnen worden ontvangen in hun verzoek. De Ondernemingskamer merkt daarbij nog op dat aan de eis die de Hoge Raad in zijn vorenvermelde beschikking heeft geformuleerd temeer is voldaan doordat de advocaat van TCA bij brief van 25 januari 2005 de advocaat van verzoekers heeft verzocht de door haar vertegenwoordigde certificaathouders te benoemen onder vermelding van ieders certificaatnummer(s), waarop de advocaat van verzoekers bij brief van 26 januari 2005 de advocaat van TCA heeft geantwoord dat zij "op dit moment" 250 certificaathouders vertegenwoordigde.

3.3 TCA heeft de ontvankelijkheid van verzoekers voorts betwist met de stelling dat zij redelijkerwijze niet de gelegenheid heeft gehad de in de brief van 14 januari 2005 kenbaar gemaakte bezwaren te onderzoeken. Zij heeft in dat verband aangevoerd dat de advocaat van verzoekers in de brief van 14 januari 2005 TCA een termijn van twee weken heeft gegund, dat mr. R.A. IJsendijk, kantoorgenoot van de advocaat van TCA, bij brief van 25 januari 2005 heeft geantwoord dat het verzamelen van de gevraagde gegevens, waarvoor een accountant dient te worden geraadpleegd, enkele weken zal vergen, dat in de brief van 14 januari 2005 vooral vragen worden gesteld en nauwelijks bezwaren worden geuit, dat de advocaat van verzoekers bij brief van 26 januari 2005 schreef dat zij er geen bezwaar tegen had dat de termijn van beantwoording drie weken zou worden maar niet veel meer en dat de vragen volledig zijn beantwoord bij brief van 14 maart 2005. Voorts heeft TCA aangevoerd dat door het uitblijven van een reactie van de zijde van verzoekers op de brief van 14 maart 2005 zij niet de gelegenheid heeft gehad om maatregelen te nemen. De Ondernemingskamer is van oordeel dat verzoekers ontvankelijk zijn en stelt daarbij voorop dat door de brief van de advocaat van verzoekers van 14 januari 2005 is voldaan aan de eis dat de bezwaren tevoren schriftelijk kenbaar zijn gemaakt. Het betoog van TCA gaat er ook aan voorbij dat, naar haar advocaat bij pleidooi heeft verklaard, de woordvoerder van verzoekers de bezwaren al vier jaar heeft geuit. Deze verklaring kan niet anders worden verstaan dan als in te houden dat het bestuur van TCA reeds ver vóór 14 januari 2005 bekend was met de in de brief van die datum verwoorde vraagpunten en bezwaren. Daaruit volgt dat zij voorbereid kon zijn op de situatie dat haar zou worden verzocht over een en ander opheldering en uitleg te geven en dat zij niet kan volhouden te zijn overvallen door de aard van de vraagstelling en de aangevoerde bezwaren en daardoor geruime tijd nodig te hebben voor de daarop te geven respons. De Ondernemingskamer wijst er in dat verband ook op dat de advocaat van TCA in zijn brief van 14 maart 2005 opmerkte dat de vragen die aan TCA zijn voorgelegd "algemeen van aard zijn". Nu verzoekers hun verzoekschrift bij de Ondernemingskamer hebben ingediend op 11 maart 2005, bijna twee maanden na de brief van de advocaat van de verzoekers aan TCA, kan niet worden gezegd dat aan TCA niet een redelijke termijn is gelaten om een onderzoek in te stellen en naar aanleiding daarvan te reageren op de bezwaren van verzoekers. De omstandigheid dat verzoekers niet hebben gereageerd op de brief van de advocaat van TCA van 14 maart 2005 - die dus is verzonden na de indiening van het onderhavige verzoekschrift - staat aan de ontvankelijkheid van het verzoek niet in de weg. Voorts was de advocaat van verzoekers niet gehouden om, alvorens het verzoekschrift bij de Ondernemingskamer in te dienen en op straffe van niet-ontvankelijkheid van verzoekers, na haar mededeling bij brief van 26 januari 2005 van de voor beantwoording van de brief van 14 januari 2005 gestelde termijn, bij uitblijven van een antwoord TCA alsnog erop te wijzen dat beantwoording van de vragen te lang uitbleef.

3.4 Ten slotte heeft TCA zich in het kader van de ontvankelijkheidsvraag beroepen op rechtsverwerking aan de zijde van verzoekers. Zij heeft in dat verband aangevoerd dat, zoals hiervoor reeds is opgemerkt, de woordvoerder van verzoekers de bezwaren al vier jaar geuit heeft en dat deze heeft verklaard dat behandeling van de kwesties rond TCA door het Openbaar Ministerie zijn voorkeur had boven een procedure ten overstaan van de Ondernemingskamer. Voorts hebben verzoekers, zo heeft TCA vervolgens gesteld, vier jaar stilgezeten door geen gebruik te maken van de hen ten dienste staande structuren binnen de organisatie van TCA, zoals de jaarlijkse vergadering van certificaathouders en hun maandelijkse bijeenkomsten, om TCA en de Stichting AK TCA verantwoording te laten afleggen van het beleid. De Ondernemingskamer verwerpt dit verweer van TCA. De gedingstukken laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat tussen de in 2.4 omschreven "kampen" er geen misverstand over kon bestaan dat tussen hen verschil van inzicht bestond en bestaat over diverse aspecten van de bedrijfsvoering van TCA. Voorts gaat het daarbij niet slechts over een enkele aangelegenheid die zich in het verleden heeft afgespeeld, maar over een bij voortduring bestaande onenigheid die in de alledaagse bedrijfsvoering steeds weer aanknopingspunten oplevert voor verharding van standpunten en nadere stappen. Voorts neemt de Ondernemingskamer in aanmerking dat de omstandigheid dat tegen Grijpink, Janmaat en Van Gelderen een strafrechtelijk onderzoek werd ingesteld voor verzoekers in alle redelijkheid aanleiding kon zijn om niet aanstonds daarnaast nog een eigen procedure te entameren over kwesties die geheel of ten dele ook voorwerp waren onderscheidenlijk zijn van het strafrechtelijk onderzoek. Mede in aanmerking nemende dat bedoeld strafrechtelijk onderzoek kennelijk slechts geringe voortgang kent en dat - ook overigens - niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan TCA in redelijkheid erop mocht vertrouwen dat verzoekers niet van het hen toekomende recht om een verzoek tot het instellen van een onderzoek als bedoeld in artikel 2:345 BW gebruik zouden (willen) maken, verwerpt de Ondernemingskamer dan ook het beroep op rechtsverwerking.

3.5 Verzoekers hebben voor hun verzoek tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken diverse gronden aangevoerd. Een van die gronden betreft de onduidelijkheid met betrekking tot het spaarfonds dat door TCA wordt aangehouden en dat wordt gevoed door een gedeelte van de maandelijks door de certificaathouders verschuldigde bijdrage.

3.6 Omtrent deze grond overweegt de Ondernemingskamer het volgende. Verzoekers hebben gesteld dat in de loop der jaren door de certificaathouders aan het spaarfonds moet zijn gedoteerd een bedrag van circa NLG 13.250.000 (€ 6.012.588). Op grond van hetgeen in het geding omtrent deze bijdragen is gesteld en gebleken komt deze stelling de Ondernemingskamer niet onaannemelijk voor. De omvang van dit bedrag is door TCA ook niet (gemotiveerd) bestreden. Volgens de jaarrekeningen bedroeg het saldo van het spaarfonds ultimo 2001, 2002 en 2003 achtereenvolgens € 471.200, negatief € 58.301 en € 1.234.353. Volgens de jaarrekeningen over de jaren 2002 en 2003 behoorden ter zake van het spaarfonds tot het vermogen van TCA depositorekeningen tot een bedrag van € 205.242 (2002), onderscheidenlijk € 349.768 (2003). Naar verzoekers hebben gesteld en TCA niet heeft bestreden heeft TCA niet bijgedragen aan de aanschaf en inbouw van RASTA-apparatuur in de voertuigen van de certificaathouders. In de jaren 2001, 2002 en 2003 zijn blijkens de jaarrekeningen aan het spaarfonds bedragen onttrokken ter grootte van achtereenvolgens € 1.887.909, € 586.722 en € 481.793. Blijkens de jaarrekeningen van TCA worden de mutaties in het spaarfonds verantwoord in het eigen vermogen van TCA door middel van de daarvan deel uitmakende bestemmingsreserve. De uit het spaarfonds bekostigde investeringen worden evenwel, naar uit de jaarstukken valt op te maken en ter terechtzitting van de zijde van TCA is bevestigd, niet op de balans van TCA geactiveerd. Een en ander betekent dat, hoewel uit de door TCA gegeven definitie van het spaarfonds voortvloeit dat daaruit substantiële investeringen ten behoeve van TCA of haar certificaathouders worden bekostigd, uit de jaarstukken van TCA niet, althans onvoldoende, valt af te leiden op welke wijze de aan het spaarfonds gedoteerde gelden zijn besteed. Verzoekers hebben daarover TCA om opheldering gevraagd. Hoewel in de desbetreffende vraagstelling in de brief van 14 januari 2005, naar de letter genomen, werd geïnformeerd naar het verloop van het spaarfonds, kan in redelijkheid niet worden volgehouden dat verzoekers slechts geïnteresseerd waren in de reeds in de jaarrekening opgenomen standen van en mutaties in het fonds. De Ondernemingskamer stelt derhalve vast dat TCA noch in haar jaarverslagen, noch in haar antwoord op de vragen van de advocaat van verzoekers opening van zaken heeft gegeven waar het gaat om de besteding van de door de certificaathouders in het spaarfonds bijeengebrachte gelden.

3.7 Voorts hebben verzoekers aangevoerd dat zij door TCA verplicht worden ongeveer alle voor de bedrijfsuitoefening benodigde goederen en diensten te betrekken van door TCA aangewezen bedrijven en dat onduidelijk is of deze bedrijven de goederen en diensten goedkoper leveren dan andere bedrijven en de aangewezen bedrijven opvallend vaak nauwe banden hebben met leden van het bestuur van TCA en Stichting AK TCA. In dit verband hebben zij genoemd de aankoop en inbouw in de taxi's van de RASTA-apparatuur (het inbouwstation wordt geëxploiteerd door Jansen, bestuurslid van de Stichting AK TCA), software updates, kleding tot een bedrag van € 1.000 per jaar voor de Schipholritten, verplichte aan te kopen bij Jansen, en de verplichte aankoop van auto's van het merk Mercedes bij Stergam B.V. In de brief van de advocaat van TCA van 14 maart 2005 is daarover geschreven dat van verplichte winkelnering en (verborgen) provisies geen sprake is. Gesteld wordt voorts dat de inbouwer van het RASTA-systeem is aangewezen na diverse inschrijvingen, waarbij hij de goedkoopste aanbieder bleek te zijn. Een en ander is echter niet gestaafd aan de hand van bescheiden en evenmin is daarmee verklaard om welke redenen door TCA een inbouwer van het systeem is aangewezen. Slechts ten aanzien van de relatie met Stergam B.V. wordt in de brief van 14 maart 2005 toelichting gegeven op voordelen die door TCA kennelijk bij Stergam B.V. zijn bedongen ten behoeve van bij TCA aangesloten kopers van een auto. Op de door verzoekers opgebrachte punten heeft TCA in haar verweerschrift en bij pleidooi geen nadere uitleg gegeven. Daarmee blijft naar het oordeel van de Ondernemingskamer door een blote algemene ontkenning door TCA en het uitblijven van adequate uitleg over hoe ten aanzien van een aantal door verzoekers genoemde aangelegenheden betrokkenheid bestaat van bestuurders van de TCA-organisatie in brede zin onderscheidenlijk ondernemingen die met deze personen zijn gelieerd, onduidelijkheid bestaan over de hier aan de orde gestelde mogelijke belangenvermenging. Het lag op de weg van TCA aan verzoekers omtrent de genoemde thema's meer openheid te verschaffen dan zij heeft gedaan.

3.8 Verzoekers hebben voorts om opheldering verzocht over de in de jaarrekeningen van TCA voorkomende post "juridische kosten". In de beantwoording van de brief van de advocaat van verzoekers van 14 januari 2005 heeft (de accountant van) TCA deze vraag - naar het oordeel van de Ondernemingskamer: terecht - aldus opgevat dat zij was ingegeven door de interesse van verzoekers in het antwoord op de vraag of daarin ook uitgaven waren begrepen ter zake van het strafrechtelijk onderzoek tegen Grijpink, Janmaat en Van Gelderen. In de beantwoording van deze vraag door de accountant heeft deze geschreven:

Voor zover wij dat hebben kunnen nagaan, bevatten de juridische kosten slechts die kosten die direct gerelateerd zijn aan TCA. Wij begrepen dat de bestuurders zelf ook juridische kosten betalen.

Tussen deze mededeling en de hiervoor in 2.9 weergegeven toelichting op de post juridische kosten in de jaarrekeningen van TCA onderscheidenlijk het hiervoor in 2.10 weergegeven radiovraaggesprek met Grijpink bestaat, minst genomen, enige spanning. De wens van verzoekers om helderheid te krijgen over de vraag of en zo ja in hoeverre de kosten van rechtsbijstand voor de zojuist genoemde personen op TCA drukken of hebben gedrukt is alleszins gerechtvaardigd. Deze helderheid is niet verschaft, nu TCA in antwoord op de vragen van verzoekers geen concrete antwoorden hebben gegeven, terwijl deze, zo is de Ondernemingskamer van oordeel, zonder noemenswaardige inspanning zouden kunnen worden gegeven. Ook op dit punt moet dus worden vastgesteld dat onvoldoende opening van zaken is gegeven door TCA.

3.9 Reeds op grond van hetgeen is overwogen in de rechtsoverwegingen 3.6 tot en met 3.8 moet worden geoordeeld dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid van TCA. Met betrekking tot de daar behandelde aangelegenheden hebben verzoekers aangegeven dat bij hen bezorgdheid leeft over de vraag of de bedrijfsvoering van TCA heeft plaatsgevonden en plaatsvindt op een wijze waarmee het belang van TCA en van degenen die bij haar zijn betrokken in hun hoedanigheid van certificaathouders, gediend is en wordt. Nu over die aangelegenheden door TCA geen dan wel onvoldoende openheid is verschaft, is een onderzoek als door verzoekers verzocht dan ook alleszins gerechtvaardigd.

3.10 De overige door verzoekers aangevoerde gronden behoeven, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen behandeling. Dienaangaande overweegt de Ondernemingskamer nog dat in het onderzoek ook de in punt 17 van het verweerschrift overigens vermelde vragen van verzoekers kunnen worden betrokken.

3.11 Voor het treffen van de door verzoekers gevraagde onmiddellijke voorzieningen acht de Ondernemingskamer - althans voorshands - onvoldoende aanleiding. Nu de kwesties die door verzoekers aan de orde zijn gesteld voor het grootste deel reeds lange tijd onderwerp zijn van de controverse tussen (althans een deel van de) verzoekers en de leiding van TCA en van een concrete actuele of recente gebeurtenis of omstandigheid, die aanleiding zou geven tot het juist thans ingrijpen in de leiding van TCA, niets is gesteld of gebleken, ziet de Ondernemingskamer geen reden om Grijpink te schorsen als bestuurder van TCA of anderszins maatregelen te treffen met betrekking tot het bestuur onderscheidenlijk het management van TCA. Om dezelfde redenen is er geen aanleiding om een voorziening te treffen met betrekking tot de uitoefening van het stemrecht op de aandelen in TCA. Voor het stellen van zekerheid of enige andere maatregel met betrekking tot het spaarfonds ziet de Ondernemingskamer eveneens onvoldoende aanleiding, aangezien onvoldoende vaststaat dat en zo ja in hoeverre sprake is van verdwenen gelden en van onjuistheid van de boekhoudkundige verwerking of onzorgvuldige onderbrenging van de middelen en dit een en ander nu juist mede onderwerp van het te bevelen onderzoek is. Het treffen van de verzochte onmiddellijke voorzieningen zou tegen deze achtergrond bovendien goeddeels een op dit moment weinig voor de hand liggend vooruitlopen zijn op de resultaten van dat onderzoek.

3.12 TCA zal, ten slotte, als de overwegend in het ongelijk te stellen partij, worden verwezen in de kosten van het geding.

4. De beslissing

De Ondernemingskamer:

beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Taxi Centrale Amsterdam B.V., gevestigd te Amsterdam, in het bijzonder vanaf 1 mei 2000 alsmede daarvoor indien de onderzoekers zulks geboden achten;

benoemt mr. C.N. Peijster te Amsterdam en dr. mr. C.J. Nyqvist te Utrecht teneinde het onderzoek te verrichten;

stelt het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vast op € 40.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;

bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van Taxi Centrale Amsterdam B.V. en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoekers zekerheid dient te stellen;

veroordeelt Taxi Centrale Amsterdam B.V. in de kosten van het geding, deze aan de zijde van verzoekers tot op heden begroot op € 2.973;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Willems, voorzitter, mr. Van Loon en mr. Mohr, raadsheren, mr. Rongen en drs. Baart RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. Van de Vorst-Glerum, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 2 juni 2005.

coll.: