Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT6417

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-04-2005
Datum publicatie
30-05-2005
Zaaknummer
03/2531 DK
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

6.2.1. Ingevolge de artikelen 92 en 96, eerste lid, van het CDW rust op belanghebbende als aangever voor de regeling extern communautair douanevervoer de verplichting de onder de regeling gebrachte goederen binnen de gestelde termijn samen met de vereiste documenten ongeschonden bij de douane aan te brengen op het kantoor van bestemming met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen.

Vaststaat dat het terugzendingsexemplaar van het document T1 niet werd terugontvangen door de Douanepost Zuivering en voorts dat uit het nasporingsonderzoek niet is gebleken dat de goederen op het kantoor van bestemming zijn aangebracht. Belanghebbende heeft derhalve niet voldaan aan de op haar rustende verplichtingen, verbonden aan de toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer.

In een dergelijk geval dient het bewijs van de regelmatigheid van het vervoer als bedoeld in artikel 378, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (hierna: UCDW, tekst tot 1 juli 2001) door de aangever te worden geleverd. De hiervoor toegelaten bewijsmiddelen zijn geregeld in artikel 380 van het UCDW.

6.2.2. Ter voldoening aan deze bewijslast heeft belanghebbende de sub 2.3. vermelde bescheiden overgelegd. Naar het oordeel van de Douanekamer heeft belanghebbende met de overgelegde bescheiden tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet, althans onvoldoende het bewijs van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer geleverd. Niet is komen vast te staan dat de goederen op het kantoor van bestemming te V zijn aangebracht dan wel onder toepassing van de vereenvoudigde regeling in de bedrijfsruimte van N B.V. te V zijn opgenomen en dat de begeleidende documenten zijn ingeleverd op het kantoor van bestemming. Voorts is niet komen vast te staan dat de goederen het grondgebied van de EU hebben verlaten. Uit de door belanghebbende overgelegde stukken kan niet worden afgeleid de goederen de Gemeenschap hebben verlaten. Belanghebbende heeft verder geen enkele mededeling gedaan over de plaats waar de overtreding of de onregelmatigheid zich heeft voorgedaan. Derhalve is niet komen vast te staan wat de uiteindelijke bestemming van deze goederen is geworden.

6.2.3. Ingevolge artikel 203 van het CDW ontstaat een douaneschuld bij invoer indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken. Uit de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) van 1 februari 2001, zaak C-66/99 (Wandel; UTC 2001/61) en van 12 februari 2004, zaak C-337/01 (Hamann; Douanerechtspraak 2004/29*) blijkt dat dit begrip onttrekking moet worden uitgelegd als elk handelen of elk nalaten dat tot gevolg heeft dat de bevoegde douaneautoriteit, al is het maar tijdelijk, geen toegang heeft tot onder douanetoezicht staande goederen en de in de communautaire wetgeving voorziene controles niet kan uitvoeren. Gelet op hetgeen onder 6.2.1. en 6.2.2. is overwogen, moet worden geoordeeld dat de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken en dat mitsdien een douaneschuld is ontstaan.

6.2.4. Belanghebbende is, naar volgt uit hetgeen onder 2.5. is vermeld, conform het bepaalde in artikel 379, tweede lid, van het UCDW in de gelegenheid gesteld om binnen 3 maanden na daartoe te zijn uitgenodigd het bewijs te leveren van de regelmatigheid van het douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of de onregelmatigheid is begaan. De douane is mitsdien bevoegd tot navordering van de geheven rechten over te gaan.

6.2.5. Nu belanghebbende de persoon was die de verplichtingen diende na te komen die voortvloeiden uit het gebruik van de douaneregeling, is zij bij schending daarvan op grond van artikel 203, derde lid, vierde gedachtestreepje, van het CDW, terecht door de inspecteur aangemerkt als schuldenaar.

6.3.1. Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB’68) vormt het in Nederland onttrekken van goederen aan - voor zover hier van belang - de regeling extern communautair douanevervoer het belastbare feit invoer in de zin van de omzetbelasting. In zijn arrest van 11 juli 2002, zaak C-371/99, Liberexim; onder meer gepubliceerd in Douanerechtspraak 2003/45*, heeft het Hof van Justitie voor wat betreft het begrip onttrekking in de zin van artikel 7, derde lid, van de Zesde richtlijn, verwezen naar de omschrijving gegeven in het hiervóór onder 6.2.3. vermelde arrest Wandel. Het bepaalde in artikel 18, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet OB’68 dient volgens het communautaire recht te worden uitgelegd conform het bepaalde in de Zesde richtlijn, meer in het bijzonder conform artikel 7, derde lid, van de Zesde richtlijn. Gelet op hetgeen in 6.2.1. tot en met 6.2.4. is overwogen, moet worden vastgesteld dat de goederen, ook in de zin van de omzetbelasting, aan het douanetoezicht zijn onttrokken.

6.3.2. Nu niet is komen vast te staan waar de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken, moet - gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 april 2003, nr. 37.519 (Douanerechtspraak 2003/42*) - worden geoordeeld dat ter zake van de invoer in Nederland omzetbelasting verschuldigd is .

6.3.3. Gelet op het bepaalde in artikel 22, eerste lid, van de Wet OB’68 is de uitnodiging tot betaling van omzetbelasting terecht aan belanghebbende uitgereikt.

Met betrekking tot de boete

Gelet op de vaststellingen sub 6.2.1. is de Douanekamer van oordeel dat de boete terecht is opgelegd.

Wetsverwijzingen
Douanewet 38
Wet op de omzetbelasting 1968 18
Wet op de omzetbelasting 1968 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 03/2531 DK

de dato 28 april 2005

1. De procedure

1.1. Op 6 juni 2003 is bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) een beroepschrift ingekomen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid N B.V. te V, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid M B.V. te T , belanghebbende.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Douane West/kantoor H (hierna: de inspecteur) van 9 mei 2003, kenmerk 01/498/6606/143, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de op één aanslagbiljet verenigde uitnodigingen tot betaling van 21 november 2001, kenmerk 0047.54.761-00.7.0714, ten bedrage van f 827,30 (€ 375,41) aan douanerechten, f 8.661,10 (€ 3.930,24) aan omzetbelasting en f 200,-- (€ 91) aan verzuimboete, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is een griffierecht van € 232 geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 10 februari 2005. Aan partijen is bij aangetekende brief van 14 december 2004, met vermelding van plaats en tijdstip, kennis gegeven van deze behandeling. Namens belanghebbende is niemand verschenen. Een bevestiging van ontvangst van de oproeping is door een medewerker van het kantoor van de gemachtigde op 15 december 2004 ondertekend. Namens de inspecteur zijn verschenen mr. R, tot bijstand vergezeld van en mr. ing. J.

De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 26 oktober 2000 heeft belanghebbende te Schiphol aangifte gedaan voor extern communautair douanevervoer op T1 onder nr. 42017047 voor “1 ctns ... delen van transportmiddelen zonder eigen beweegkracht” van Schiphol naar V. De goederen werden aangegeven onder post 8716 90 90 van het Gemeenschappelijk douanetarief (hierna: GDT); de aangegeven waarde bedroeg f 48.664,--. Als land van bestemming werd Rusland vermeld. Het totale gewicht bedroeg 1.452 kg bruto.

2.2. Bij de aangifte was een factuur, nr. IN20659-1, gevoegd van D Inc. te Salt Lake City (Verenigde Staten van Amerika). De factuur is gedagtekend 19 oktober 2000 en gericht aan D N te Moskou (Rusland). Op de factuur zijn de goederen als volgt omschreven:

“ Description Qty

Adapter 4

Elbow 90 DG. FP FP 2

Hose end, reusable ¼” 2

Hose end, reusable ½” 2

Hose end crimp ¼” JIC 2

3/16” x 1 ½” Roll PIN SST 6

Hose ½” Hydraulic SAE100R1 50

WARRANTY PARTS

Rockwell Rear Axles (...) 2

Wheel Seals 16

Hydraulic Steering Assist Hoses 8

PH Storage Solution 1

Buffer PH4.10 Solution 1

Buffer Color COD PH 7.0 1

Filling Solution Bottle 1

PH Solution Storage Bottle 2

Electrode Storage Bottle 1

Color Phast Strips PH.5-4, 5-1 2

Portable PH/Temp Meter W/Electrode 1

Electrode 2

Seal Oil, Blender 1 1/6” 4

Bearing, Flange 1 ¼” Hole 1

O-Ring, Body #060-079-001 1

O-Ring, Shaft #060-079-001 2

Sleeve SST #060-098-000 1

Oil Seal Cover #000030012 1

Hose ¼” Hydraulic SAE 100R2 40

Slurry Hose 1 ½” 16

TOTAL ... amount ... $ 17.370,19”.

2.3. Omdat het zogenoemde terugzendingsexemplaar van het T1-document niet was ontvangen, heeft de inspecteur bij brief van 21 april 2001 belanghebbende om inlichtingen gevraagd. Hierop heeft belanghebbende op 11 mei 2001 de volgende stukken overgelegd:

- een kopie van het carnet TIR met nr. MX30237187; het carnet TIR is op 27 oktober 200 door de douane district Roermond afgegeven en verwijst onder meer naar CMR-vrachtbrief nr. 751179. Als land van bestemming is Rusland vermeld. In vak 4, onder het kopje “Titulaire du carnet”, is vermeld:

“J&P Corporation Limited

LV 40003289206

Rainberga bulv. 15-7, Riga

LV-1002 Latvija”;

- de CMR-vrachtbrief van de vervoerder N B.V., nr. NL 751179; de vrachtbrief vermeldt in vak 5, onder het kopje bijgevoegde documenten: “Invoice 50410” en “Carnet Tir: MX30237187”; verder is op deze vrachtbrief nog aangetekend:

“1 Colli 1.455,00

Spares Cust. Codes:

400950500/843149800/B40399100/401693900”;

- de begeleidende “Loadinglist”.

2.4. Tot de gedingstukken behoort eveneens een afschrift van een factuur van M Inc aan W te Moskou van 20 september 2000. Daarin is het volgende vermeld:

“Invoice nr.: 50410

(...)

Nr Descr of goods Quantity Price DM Total

DM

1 Hose end ¼ adap 6 30.55 183.30

2 Hose end ½ elbow 4 23.56 94.24

3 Hose end ¼ crimp 2 15.48 30.96

4 Hose ½ hydra 50 20.50 1025.00

5 Hoses steering assist 8 25.41 203.28

6 Hose ¼ hydra 40 20.50 820.00

7 Hose slurru ½ 16 22.32 357.12

8 Hudro buffer bottle 8 19.25 154.00

9 O-Ring 3 17.5 52.50

10 Seal 4 29.00 116.00

11 Rear axles 2 1140 2280.00

Total: 5.316,40 DM

400950500 257 kg 2713,90 DM 340399100 49 kg 154.00 DM

843149800 1085 kg 2280,00 DM 401693900 63.5 kg 168.50 DM”.

2.5. Op 9 augustus 2001 is door de douane aan belanghebbende een

zogeheten kennisgeving niet-zuivering (hierna: kennisgeving) gezonden.

Hierin is voor zover hier van belang het volgende opgenomen:

“Uit een ingesteld onderzoek is gebleken dat de op het bovengenoemde

document aangegeven goederen, hun bestemming niet hebben gevolgd.

Ik stel u in de gelegenheid om binnen 3 maanden na dagtekening, (...), alsnog

het bewijs van regelmatigheid van het douanevervoer te leveren. De

regelmatigheid kunt u aantonen met bewijsmateriaal zoals bedoeld in artikel 380 TVo of u toont aan dat de goederen niet zijn geladen.”.

In de kennisgeving is op een daartoe aangebrachte sticker ook nog het volgende vermeld:

“Tevens stel ik u in de gelegenheid om binnen drie maanden het bewijs te

leveren van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is

begaan.”.

2.6. Belanghebbende heeft niet op deze kennisgeving gereageerd. De sub 1.1.

vermelde uitnodiging tot betaling is als volgt gemotiveerd:

“Bij een controle door de Douane is geconstateerd dat met betrekking tot de hiervoor omschreven en door u gedane aangifte de formaliteiten ter

beëindiging van de regeling niet dan wel niet tijdig zijn vervuld.

In verband hiermee is op grond van artikel 203 subsidiair artikel 204 van

Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad (CDW), juncto artikel 18 van de Wet op de omzetbelasting belasting verschuldigd.”.

3. Het geschil

In geschil is of de sub 1.1. vermelde bedragen aan omzetbelasting en

douanerechten alsmede het bedrag van de boete terecht zijn geheven.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Belanghebbende is van mening dat, nu het 5e exemplaar van het T-document is verloren gegaan, zij op voldoende en waterdichte manier heeft aangetoond, dat de zending de eindbestemming buiten de EU (Moskou) heeft bereikt. De zending maakte deel uit van een groupage zending. De andere zendingen in de groupage zijn wel conform gezuiverd. Voor de zending is in Valkenswaard een carnet TIR opgemaakt (nummer MX 30237187), welke was voorzien van een begeleidende laadlijst, waarop alle zendingen vermeld staan. Op de laadlijst staat ook het nummer van de vrachtbrief CMR, welke laatste voor ontvangst is afgetekend. Belanghebbende is van mening dat hiermee voldoende alternatieve bewijzen zijn overgelegd dat de zending daadwerkelijk de bestemming heeft bereikt.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. In het onderhavige geval is het terugzendingsexemplaar van het document T1 niet door de douane ontvangen en beschikt belanghebbende niet over een ontvangstbewijs waaruit blijkt dat het document samen met de goederen bij de douane van het kantoor van bestemming zijn aangebracht. Belanghebbende heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat het document bij de douane van het kantoor van bestemming is ingeleverd.

Na een uitgebreide vergelijking van de vermeldingen in het document T1 en het carnet TIR blijkt dat er geen overeenstemming bestaat tussen de gegevens van de goederen zoals vermeld in de aangifte T en die van het carnet TIR en de bij deze aangiften gebezigde facturen. Noch de goederenomschrijvingen en de daarvoor vermelde goederencodes, noch de aantallen stuks, noch de waarde van de goederen duiden op enige gelijkenis. Ook is opvallend dat de factuur met het nummer 50410, waarnaar in het carnet TIR wordt verwezen gedateerd is op 20 september 2000. Deze datum ligt voor de datum van 19 oktober die is vermeld op de factuur nummer IN20659-1, die bij de aangifte is gebruikt. Indien er sprake zou zijn van opeenvolgende verkopen dan zou de koper uit de eerste factuur (i.c. de firma W) als verkoper zijn vermeld in de tweede factuur. Dit is niet het geval. Een vergelijking van de gebruikte facturen duidt daarom evenmin op enige gelijkenis tussen de goederen vermeld in de aangifte T1 en het carnet TIR. De inspecteur acht het niet aannemelijk dat de goederen die zijn vermeld in het carnet TIR dezelfde goederen betreffen als vermeld in de aangifte T1. Het carnet TIR kan daarom niet dienen als bewijs van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer als bedoeld in artikel 380 van de Uitvoeringsverordening van het CDW. De goederen zijn dus onttrokken aan het douanetoezicht, waardoor een douaneschuld is ontstaan. Belanghebbende is als aangever de schuldenaar.

5.2. De inspecteur heeft ter zitting het volgende aan zijn stellingen toegevoegd.

Op 2 oktober 2000 zijn de statuten van W B.V. integraal gewijzigd in M B.V. te Tilburg; vanaf die datum heeft belanghebbende haar huidige naam. Het bedrijf is verder hetzelfde gebleven.

De feiten die tot het ontstaan van de schuld hebben geleid, hebben zich voorgedaan ten tijde van het CDW zoals dat gold vóór de wijziging van 1 juli 2001. Dit betekent dat het oude recht van toepassing is. Abusievelijk is in de uitspraak verwezen naar artikelen uit het CDW die eerst na bovenvermelde datum in werking zijn getreden.

6. De rechtsoverwegingen

Vooraf en ambtshalve

6.1. De Douanekamer heeft geen reden te twijfelen aan de verklaringen van de inspecteur inzake de naamswijziging van belanghebbende per 2 oktober 2000. Daarvan uitgaande stelt de Douanekamer vast dat de uitnodiging tot betaling van 21 november 2001 terecht ten name van M B.V. is gesteld.

6.2. Ten aanzien van de heffing van douanerechten

6.2.1. Ingevolge de artikelen 92 en 96, eerste lid, van het CDW rust op belanghebbende als aangever voor de regeling extern communautair douanevervoer de verplichting de onder de regeling gebrachte goederen binnen de gestelde termijn samen met de vereiste documenten ongeschonden bij de douane aan te brengen op het kantoor van bestemming met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen.

Vaststaat dat het terugzendingsexemplaar van het document T1 niet werd terugontvangen door de Douanepost Zuivering en voorts dat uit het nasporingsonderzoek niet is gebleken dat de goederen op het kantoor van bestemming zijn aangebracht. Belanghebbende heeft derhalve niet voldaan aan de op haar rustende verplichtingen, verbonden aan de toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer.

In een dergelijk geval dient het bewijs van de regelmatigheid van het vervoer als bedoeld in artikel 378, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (hierna: UCDW, tekst tot 1 juli 2001) door de aangever te worden geleverd. De hiervoor toegelaten bewijsmiddelen zijn geregeld in artikel 380 van het UCDW.

6.2.2. Ter voldoening aan deze bewijslast heeft belanghebbende de sub 2.3. vermelde bescheiden overgelegd. Naar het oordeel van de Douanekamer heeft belanghebbende met de overgelegde bescheiden tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet, althans onvoldoende het bewijs van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer geleverd. Niet is komen vast te staan dat de goederen op het kantoor van bestemming te V zijn aangebracht dan wel onder toepassing van de vereenvoudigde regeling in de bedrijfsruimte van N B.V. te V zijn opgenomen en dat de begeleidende documenten zijn ingeleverd op het kantoor van bestemming. Voorts is niet komen vast te staan dat de goederen het grondgebied van de EU hebben verlaten. Uit de door belanghebbende overgelegde stukken kan niet worden afgeleid de goederen de Gemeenschap hebben verlaten. Belanghebbende heeft verder geen enkele mededeling gedaan over de plaats waar de overtreding of de onregelmatigheid zich heeft voorgedaan. Derhalve is niet komen vast te staan wat de uiteindelijke bestemming van deze goederen is geworden.

6.2.3. Ingevolge artikel 203 van het CDW ontstaat een douaneschuld bij invoer indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken. Uit de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) van 1 februari 2001, zaak C-66/99 (Wandel; UTC 2001/61) en van 12 februari 2004, zaak C-337/01 (Hamann; Douanerechtspraak 2004/29*) blijkt dat dit begrip onttrekking moet worden uitgelegd als elk handelen of elk nalaten dat tot gevolg heeft dat de bevoegde douaneautoriteit, al is het maar tijdelijk, geen toegang heeft tot onder douanetoezicht staande goederen en de in de communautaire wetgeving voorziene controles niet kan uitvoeren. Gelet op hetgeen onder 6.2.1. en 6.2.2. is overwogen, moet worden geoordeeld dat de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken en dat mitsdien een douaneschuld is ontstaan.

6.2.4. Belanghebbende is, naar volgt uit hetgeen onder 2.5. is vermeld, conform het bepaalde in artikel 379, tweede lid, van het UCDW in de gelegenheid gesteld om binnen 3 maanden na daartoe te zijn uitgenodigd het bewijs te leveren van de regelmatigheid van het douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of de onregelmatigheid is begaan. De douane is mitsdien bevoegd tot navordering van de geheven rechten over te gaan.

6.2.5. Nu belanghebbende de persoon was die de verplichtingen diende na te komen die voortvloeiden uit het gebruik van de douaneregeling, is zij bij schending daarvan op grond van artikel 203, derde lid, vierde gedachtestreepje, van het CDW, terecht door de inspecteur aangemerkt als schuldenaar.

6.3. Ten aanzien van de heffing van omzetbelasting

6.3.1. Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB’68) vormt het in Nederland onttrekken van goederen aan - voor zover hier van belang - de regeling extern communautair douanevervoer het belastbare feit invoer in de zin van de omzetbelasting. In zijn arrest van 11 juli 2002, zaak C-371/99, Liberexim; onder meer gepubliceerd in Douanerechtspraak 2003/45*, heeft het Hof van Justitie voor wat betreft het begrip onttrekking in de zin van artikel 7, derde lid, van de Zesde richtlijn, verwezen naar de omschrijving gegeven in het hiervóór onder 6.2.3. vermelde arrest Wandel. Het bepaalde in artikel 18, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet OB’68 dient volgens het communautaire recht te worden uitgelegd conform het bepaalde in de Zesde richtlijn, meer in het bijzonder conform artikel 7, derde lid, van de Zesde richtlijn. Gelet op hetgeen in 6.2.1. tot en met 6.2.4. is overwogen, moet worden vastgesteld dat de goederen, ook in de zin van de omzetbelasting, aan het douanetoezicht zijn onttrokken.

6.3.2. Nu niet is komen vast te staan waar de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken, moet - gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 april 2003, nr. 37.519 (Douanerechtspraak 2003/42*) - worden geoordeeld dat ter zake van de invoer in Nederland omzetbelasting verschuldigd is .

6.3.3. Gelet op het bepaalde in artikel 22, eerste lid, van de Wet OB’68 is de uitnodiging tot betaling van omzetbelasting terecht aan belanghebbende uitgereikt.

Met betrekking tot de boete

6.4. Op grond van artikel 38, eerste lid, van de Douanewet (tekst 2001) vormt het niet of niet tijdig vervullen van de formaliteiten ter beëindiging van de regeling douanevervoer een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die die formaliteiten dient te vervullen een boete van ten hoogste

f 200,-- kan opleggen. Gelet op de vaststellingen sub 6.2.1. is de Douanekamer van oordeel dat de boete terecht is opgelegd.

Conclusie

6.5. Uit al het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de

proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De beslissing

De Douanekamer verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 28 april 2005 door mr. A Bijlsma, voorzitter, mr. M.E. van Hilten en mr. A.J. Roke, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.G. van Aalst, griffier.

De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.