Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT6207

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-05-2005
Datum publicatie
25-05-2005
Zaaknummer
1256/04
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante niet ontvankelijk in haar hoger beroep, nu zij in hoger beroep is gekomen van een eindbeslissing niet zijnde een eindbeschikking in de zin van artikel 358 lid 1 Rv en de uitzonderingen als vermeld in artikel 358 lid 4 Rv zich niet voordoen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 358, geldigheid: 2005-05-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2005/268
RFR 2005, 77

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 12 mei 2005 in de zaak met rekestnummer 1256/04 van:

[...],

wonende te [woonplaats],

DE VROUW,

procureur: mr. J.J.M. Kleiweg,

t e g e n

[...],

wonende te [woonplaats],

DE MAN,

procureur: mr. D.M. de Boer.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. De vrouw is in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 17 augustus 2004 van de rechtbank te Amsterdam, met rekestnummer 289600 / 04-876.

1.2. De man heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De zaak is op 14 februari 2005 ter zitting behandeld.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben een niet huwelijkse en kortdurende relatie gehad, waaruit op 12 juni 1999 [de minderjarige] geboren is. De man is biologisch vader van [de minderjarige]. [X] is juridisch vader van [de minderjarige], nu [de minderjarige] staande het huwelijk van [X] en de vrouw is geboren. De vrouw en [X] zijn inmiddels gescheiden. [De minderjarige] verblijft bij de vrouw.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is de man ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige].

3.2. De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de man alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige].

3.3. De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

4.1. De vrouw stelt dat zij ontvankelijk is in haar hoger beroep. Op 2 september 2004 heeft de vrouw zich bij incidenteel verzoekschrift gewend tot de rechtbank met het verzoek alsnog te bepalen dat hoger beroep tegen de bestreden beschikking kan worden ingesteld. De kinderrechter heeft hierop telefonisch medegedeeld dat het incidenteel verzoek overbodig was, nu hoger beroep in de beschikking niet uitgesloten was. In een volgend telefonisch gesprek heeft de kinderrechter laten weten dat de vrouw naar het oordeel van de rechtbank in hoger beroep mocht gaan, aldus de vrouw.

De man stelt dat de vrouw ontvankelijk is in haar hoger beroep.

4.2. Het hof stelt voorop, dat voorzover de vrouw stelt dat de rechtbank met haar telefonische mededelingen alsnog heeft bepaald dat beroep kan worden ingesteld tegen de bestreden beschikking (vgl. HR 23 januari 2004, LJN AL7051, RvdW 2004, 20), deze stelling geen doel treft. Op telefonische mededelingen van de rechtbank kan geen acht worden geslagen, nu deze geen deel uitmaken van de tot het dossier behorende stukken. Voorts overweegt het hof het volgende.

4.3. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank te Amsterdam de man ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige]. Tegen deze beschikking staat blijkens artikel 358, lid 1, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) hoger beroep open, indien deze als een eindbeschikking kan worden aangemerkt. Van een eindbeschikking is sprake indien in het dictum uitdrukkelijk wordt beslist omtrent enig deel van het verzochte (vgl. HR 10 maart 1995, LJN ZC1668). In het onderhavige geval is het hof van oordeel dat de beslissing van de rechtbank tot ontvankelijk verklaring van de man in zijn inleidend verzoek weliswaar een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing op een juridisch twistpunt is en derhalve als een eindbeslissing dient te worden aangemerkt, maar dat hiermee niet uitdrukkelijk wordt beslist omtrent enig deel van het verzochte, te weten het vaststellen van een omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige]., en dan ook niet als een eindbeschikking kan worden aangemerkt. Nu voorts de in artikel 358 lid 4 Rv vermelde uitzonderingen zich niet voordoen, is het hof van oordeel dat hoger beroep van de bestreden beschikking niet mogelijk is. De vrouw zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep.

4.4. Het hof merkt ten overvloede op, dat, indien de vrouw wel ontvankelijk zou zijn geweest in haar hoger beroep, het hof gezien de inhoud van de processtukken zou hebben beslist dat er naast het biologisch ouderschap voldoende bijkomende omstandigheden zijn gebleken, waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [de minderjarige] in de zin van artikel 1:377f BW. Het hof kan zich in deze geheel vinden in de overwegingen die de kinderrechter heeft gewijd aan de ontvankelijkheid.

4.5. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar, S. Clement en F.A.A. Duynstee in tegenwoordigheid van mr. I.S.I. Levie als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2005.