Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT6067

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-05-2005
Datum publicatie
23-05-2005
Zaaknummer
23-005052-04
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AV8535
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2006:AV8535
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft nadat hij - in zijn eigen woorden "om niks" - ruzie had gekregen in een café op zijn aandringen een mes van een vriendin gekregen, waarmee hij het slachtoffer op lafhartige wijze in de rug heeft gestoken. Hoewel het hof het uiteindelijke overlijden van het slachtoffer niet aan verdachte toerekent neemt dat niet weg dat verdachtes opzet - door het slachtoffer op een plek waar zich vitale organen bevinden te steken - in voorwaardelijke zin op de dood van het slachtoffer was gericht. Dat het slachtoffer door verdachtes handelen niet zodanig gewond is geraakt dat hij daardoor direct is overleden is een omstandigheid die niet aan het handelen van verdachte is toe te schrijven.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287, geldigheid: 2005-05-18
Wetboek van Strafrecht 350, geldigheid: 2005-05-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2005, 238
NBSTRAF 2005/238

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-005052-04

datum uitspraak 18 mei 2005

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 12 november 2004 in de strafzaak onder parketnummer 13/047502-04 van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren op [1984] te [geboorteplaats],

wonende op het adres [adres], 1055 ZH Amsterdam,

thans gedetineerd in P.I. Midden Holland, locatie Haarlem te Haarlem.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte en het openbaar ministerie is, blijkens mededeling van de raadsvrouw en de advocaat-generaal op de terechtzitting, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 27 augustus 2004 en 29 oktober 2004 en in hoger beroep van 4 mei 2005.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 27 augustus 2004 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging - voorzover in hoger beroep nog aan de orde - wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de eerste rechter.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt.

De verdediging heeft, zo begrijpt het hof, de vraag aan de orde gesteld of het causale verband tussen de door de verdachte gestelde handelingen en het intreden van de dood van het slachtoffer vastgesteld kan worden.

Het hof stelt daartoe de volgende feiten vast.

Verdachte heeft in de late avond van 27 mei 2004 [slachtoffer] met een mes in de rug gestoken, ten gevolge waarvan laatstgenoemde een klaplong rechts en een bloeding in de borstholte rechts heeft opgelopen. [slachtoffer] is op 28 mei 2004 opgenomen in het VU Medisch Centrum.

Op 2 juni 2004 heeft [slachtoffer] vervolgens in stabiele toestand het ziekenhuis verlaten.

Op 8 juni 2004 is [slachtoffer] wederom opgenomen in het ziekenhuis, waarna hij op 23 juni 2004 is overleden.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van een rapport van 10 augustus 2004 van dr. B. Kubat, arts-patholoog, betreffende de in- en uitwendige schouwing van het lijk van [slachtoffer], terwijl dr. Kubat voorts door zowel de rechtbank als door het hof ter terechtzitting als deskundige is gehoord.

Dr. Kubat komt in voornoemd rapport tot de conclusie dat [slachtoffer] is overleden ten gevolge van algeheel orgaanfalen bij een ernstige bloedvergiftiging. Zij schrijft voorts dat een relatie tussen de steekletsels en het optreden van de infectie, te weten een gegeneraliseerde bacteriële infectie (bloedvergiftiging), op grond van de sectiebevindingen niet met zekerheid is te leggen. Naar het hof begrijpt, uit voornoemd rapport, heeft een zeer ernstige longontsteking met pusvorming op basis van een bacterie (pseudomonas aeruginosa) en de daardoor ontstane bacteriële infectie (bloedvergiftiging) - in combinatie met de slechte lichamelijke conditie waarin [slachtoffer] reeds verkeerde voor het steekincident - uiteindelijk tot algeheel orgaanfalen en de dood geleid. Dr. Kubat heeft verklaard dat zij niet met zekerheid kan vaststellen dat de infectie is ontstaan door het steken met het mes.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de zich in het dossier bevindende stukken betreffende het tweede verblijf van [slachtoffer] in het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis (SLAZ) en het Kennemer Gasthuis. De behandelend longarts in het SLAZ, dr. B.T.J. van den Berg, is zowel bij de rechtbank als bij het hof ter terechtzitting als deskundige gehoord.

Ook dr. Van den Berg heeft verklaard dat niet met volledige zekerheid is vast te stellen hoe de ontsteking is ontstaan en daaraan ter terechtzitting in hoger beroep toegevoegd dat het in theorie mogelijk is dat [slachtoffer] de bacterie pseudomonas aeruginosa (waardoor de longontsteking en de bacteriële infectie zou zijn ontstaan) heeft opgedaan in de periode gelegen tussen het ontslag uit het VU Medisch Centrum en de opname in het SLAZ.

Gelet op het voorgaande blijft de mogelijkheid bestaan (hoe klein en onwaarschijnlijk ook) dat het slachtoffer, anders dan door het toebrengen van de messteek door verdachte, voornoemde bacteriële infectie heeft opgelopen, bijvoorbeeld buiten het ziekenhuis nadat hij op 2 juni 2004 was ontslagen. Om die reden kan het hof het causale verband tussen de gedraging van verdachte en het intreden van de dood van het slachtoffer niet met zekerheid vaststellen en kan naar het oordeel van het hof de dood van [slachtoffer] niet redelijkerwijs als gevolg van de tenlastegelegde gedraging aan de verdachte worden toegerekend.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

-ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde-

hij op 27 mei 2004 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in de rug, ter hoogte van de long, heeft gestoken.

-ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde-

hij op 27 mei 2004 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, merk Opel, type Corsa, kenteken [kenteken], toebehorende aan [slachtoffer 2], heeft beschadigd.

Hetgeen onder 1 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer en daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft in café "Het Sterntje" ruzie gekregen met [slachtoffer].

Zowel verdachte als [slachtoffer] zijn vervolgens naar buiten gegaan.

Verdachte werd buiten door [slachtoffer] en twee andere personen aangevallen.

Verdachte is op de grond gevallen en is daar door deze drie personen geschopt en geslagen.

Hij heeft vervolgens het mes gepakt dat hij voor het naar buiten gaan aan Demir had gevraagd en twee stekende bewegingen gemaakt om zijn belagers van zich af te houden en om het geweld dat tegen hem werd gebruikt te laten ophouden.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof het volgende af.

Verdachte heeft in café "Het Sterntje" ruzie gekregen met het latere slachtoffer [slachtoffer].

Zowel verdachte als het slachtoffer zijn vervolgens naar buiten gegaan waar de ruzie is voortgezet.

Tijdens de in café "Het Sterntje" reeds aangevangen ruzie heeft verdachte zich bewapend met een mes. Verdachte heeft het slachtoffer op het moment dat deze zich van hem wilde verwijderen met het mes in de rug gestoken.

Niet aannemelijk is geworden dat zich een vechtpartij heeft voorgedaan zoals door verdachte beschreven en hierboven weergegeven.

Het hof vindt daartoe anders dan in de verklaring van de verdachte geen aanknopingspunten.

Verdachte heeft weliswaar, ter onderbouwing van zijn stelling dat hij in elkaar geslagen zou zijn, verwezen naar het tonen aan de rechter-commissaris van een opgezwollen plek aan zijn arm, echter niet aannemelijk is geworden dat deze hiervan afkomstig is. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting aangegeven dat hij voornamelijk aan zijn benen en rug verwondingen zou hebben opgelopen. Deze gestelde verwondingen zijn door niemand bevestigd en ook anderszins niet aannemelijk geworden. Voorts merkt het hof nog op dat verdachte rondom de toedracht van de steekpartij, zoals het in het bezit komen van het mes en het aantal personen dat hem heeft aangevallen ook wisselend heeft verklaard.

Naar het oordeel van het hof was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door [slachtoffer], waartegen de noodzakelijke verdediging was geboden, derhalve geen sprake.

Onder deze omstandigheden komt naar het oordeel van het hof de verdachte een beroep op noodweer niet toe.

Er is (ook overigens) geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

-ten aanzien van het onder 1 bewezengeachte-

Poging tot doodslag;

-ten aanzien van het onder 3 bewezengeachte-

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat verdachte een beroep op noodweerexces toekomt. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft overschreden door een hevige gemoedsbeweging die is terug te leiden tot de gewelddadige dood van zijn vader.

Het hof overweegt als volgt.

Zoals hiervoor is overwogen is er voorafgaand aan het moment dat verdachte [slachtoffer] in de rug stak geen sprake geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer], zodat ook het beroep op noodweerexces faalt.

Er is (ook overigens) geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wegens het onder 1 primair en onder 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, met name van het onder 1 bewezengeachte, en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft nadat hij - in zijn eigen woorden "om niks" - ruzie had gekregen in een café op zijn aandringen een mes van een vriendin gekregen, waarmee hij het slachtoffer op lafhartige wijze in de rug heeft gestoken. Hoewel het hof het uiteindelijke overlijden van het slachtoffer niet aan verdachte toerekent neemt dat niet weg dat verdachtes opzet - door het slachtoffer op een plek waar zich vitale organen bevinden te steken - in voorwaardelijke zin op de dood van het slachtoffer was gericht. Dat het slachtoffer door verdachtes handelen niet zodanig gewond is geraakt dat hij daardoor direct is overleden is een omstandigheid die niet aan het handelen van verdachte is toe te schrijven.

Feiten als de onderhavige en in de openbare ruimte gepleegd, versterken gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.

Het hof neemt voorts in aanmerking dat verdachte in de loop van het geding geen enkele blijk heeft gegeven het verwerpelijke van zijn handelen in te zien.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatiedienst van 23 februari 2005 is verdachte eerder, doch niet wegens geweldsmisdrijven, strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof heeft kennis genomen van een over verdachte opgemaakt rapport van psycholoog J.W.G.M. van Soest van 10 juli 2004. In dit rapport beschrijft Van Soest verdachte als iemand die verbitterd is geraakt door de dood van zijn vader. Verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een Post Traumatische Stress Stoornis (P.T.S.S.) en Van Soest concludeert dat verdachte als gevolg van die stoornis als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is te achten. Het hof neemt deze conclusie over.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Het hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerp, dient te worden onttrokken aan het verkeer en is daarvoor vatbaar aangezien het onder 1 subsidiair bewezengeachte met behulp van dit voorwerp is begaan, terwijl het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 45, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 subsidiair en 3 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

5 (vijf) JAREN.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1 zakmes met een houten handvat.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 crèmekleurige trui, model vest;

- 1 wit shirt;

- 1 grijs shirt.

Dit arrest is gewezen door de negende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Wildenburg, Van Atteveld en Dun, in tegenwoordigheid van mr. Scholte, griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 mei 2005.