Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT5859

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-05-2005
Datum publicatie
25-05-2005
Zaaknummer
04/03936
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Keuze voor fiscaal partnerschap kan niet meer worden gemaakt, nu de aanslag van de beoogde partner onherroepelijk vaststaat.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 6.16, geldigheid: 2005-05-17
Wet inkomstenbelasting 2001 1.2, geldigheid: 2005-05-17
Wet inkomstenbelasting 2001 6.19, geldigheid: 2005-05-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2005, 748
FutD 2005-1069
Belastingadvies 2005/12.7
V-N 2005/54.6
Vp-bulletin 2005, 40

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak, gedagtekend 24 augustus 2004, van de inspecteur van de Belastingdienst te P de inspecteur, betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002.

Het beroep is behandeld ter zitting van 3 mei 2005.

Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Belanghebbende, geboren in 1958 en ongehuwd, voerde tot het overlijden van haar moeder op 17 juni 2002 uitsluitend een huishouden met haar moeder B. Belanghebbende heeft over het jaar 2002 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.052. In haar op of omstreeks 1 maart 2003 ingediende aangifte heeft belanghebbende een bedrag van € 5.460 (na drempel en verhoging) opgevoerd als buitengewone uitgaven in verband met ziekte, in welk bedrag onder meer de kosten in verband met het overlijden van haar moeder zijn opgenomen. Zij kiest in deze aangifte niet voor fiscaal partnerschap.

2. De inspecteur heeft de uitgaven in verband met het overlijden van de moeder van belanghebbende niet in aftrek aanvaard en de aftrek terzake van ziekte vastgesteld op € 1.155. Het belastbare inkomen uit werk en woning is vervolgens vastgesteld op € 17.357.

3. In geschil is of de inspecteur de kosten in verband met het overlijden van de moeder van belanghebbende terecht niet in aftrek heeft aanvaard.

4. Ingevolge artikel 6.16, aanhef en onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) zijn buitengewone uitgaven de uitgaven wegens overlijden van de belastingplichtige, zijn partner en zijn jonger dan 27-jarige kinderen. Op grond van deze bepaling kunnen de onderwerpelijke kosten naar het oordeel van het Hof slechts in aanmerking worden genomen indien de moeder van belanghebbende tevens de fiscale partner van belanghebbende is.

5. Vaststaat dat belanghebbende en haar moeder uitsluitend ten gevolge van het overlijden van de moeder in het onderhavige kalenderjaar niet gedurende meer dan zes maanden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

Alsdan kan de moeder van belanghebbende ingevolge artikel 1.2, tweede lid, van de Wet slechts als partner worden gekwalificeerd indien belanghebbende en haar moeder in het voorgaande kalenderjaar hebben gekozen voor fiscaal partnerschap. Ingevolge het Besluit van 19 december 2002, nr. CPP2002/3166 M, kan die keuze nog worden gemaakt tot het moment dat de aanslag van de belastingplichtige of zijn beoogde partner onherroepelijk vaststaat. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de op 14 november 2002 gedagtekende definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2001 van belanghebbende onherroepelijk vaststond op het moment dat door belanghebbende bezwaar werd gemaakt tegen de onderhavige aanslag – te weten op of omstreeks 10 augustus 2004 – kan belanghebbende de keuze voor fiscaal partnerschap reeds om die reden niet meer maken. In zoverre faalt het beroep van belanghebbende.

6. De omstandigheid dat degene die voor belanghebbende de aangifte verzorgde niet op de hoogte was van het feit dat belanghebbende met haar moeder een gezamenlijke huishouding voerde, komt voor risico van belanghebbende.

7. Gezien het vorenoverwogene, is het gelijk aan de inspecteur.

Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 17 mei 2005 door mr. D.B. Bijl, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.M.E. Jonk als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Hiervan is opgemaakt dit proces-verbaal, door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.