Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT5508

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-05-2005
Datum publicatie
18-05-2005
Zaaknummer
04/00259
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Erflater, overleden in 2002, en de partner met wie hij samenwoonde waren ieder voor de helft eigenaar van het door hen bewoonde appartement. De onverdeelde helft van erflater wordt krachtens erfrecht verkregen door zijn enig erfgenaam (een broer). De vanaf 1 januari 2002 geldende wettelijke regeling brengt mee dat het appartement moet worden gewaardeerd op (de helft van) de leegwaarde.

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 21
Successiewet 1956 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2005, 21887
Belastingadvies 2005/12.12
V-N 2005/40.11 met annotatie van Redactie
KWEP 2005/49
FutD 2005-1018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 15 januari 2004 (...). Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 2 februari 2004. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 5 december 2003, betreffende de aanslag in het recht van successie aan belanghebbende opgelegd ter zake van het overlijden van A (hierna: de erflater).

De aanslag is berekend naar een verkrijging van € 11.388. Na bezwaar is de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en vernietiging van de aanslag.

Namens de inspecteur is een verweerschrift ingediend waarin wordt geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 4 februari 2005 zijn verschenen namens belanghebbende B en namens de inspecteur C tot bijstand vergezeld van D. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het aangehechte proces-verbaal.

2. Tussen partijen vaststaande feiten.

2.1. Erflater, geboren op [...] en overleden op [...] 2002, woonde tot zijn overlijden samen met Y (hierna: de partner).

2.2. Erflater en zijn partner waren ieder voor de onverdeelde helft gerechtigd tot de appartementsrechten, recht gevende op het uitsluitend gebruik van de woning op de derde verdieping, plaatselijk bekend a-straat 1, gemeente Q, kadastraal bekend [...] en de daarbij behorende berging op de begane grond, kadastraal bekend [...]. De leegwaarde van de appartementsrechten bedraagt ten tijde van het overlijden van erflater € 215.000.

2.3. Belanghebbende, broer van erflater, heeft als enig erfgenaam van erflater diens onverdeelde helft van genoemde appartementsrechten verkregen (hierna: het verkregene).

2.4. In de aangifte voor het successierecht is de waarde van het verkregene gesteld op 60% van de helft van de leegwaarde van de woning, te weten (215.000 x 0,5 x 0,6 =) € 64.500. Het saldo van de nalatenschap is door belanghebbende berekend op € 32.612,08 negatief.

2.5. Bij de aanslag heeft de inspecteur de waarde van het verkregene verhoogd tot de leegwaarde van de helft van de woning ad (215.000 x 0,5 =) €107.500. Na correctie van een rekenfout in de aangifte is het saldo van de nalatenschap door de inspecteur vastgesteld op € 11.388,-.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of het verkregene moet worden gewaardeerd op de helft van 100% van de leegwaarde van de woning zoals de inspecteur stelt, dan wel op de helft van 60% van de leegwaarde van de woning.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding en het proces-verbaal van de zitting.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Voor de heffing van het recht van successie moet het verkregene op grond van artikel 21, eerste lid, Successiewet 1956 in aanmerking genomen worden naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend.

5.2. In de periode van 1 januari 1985 tot 1 januari 2002 was in artikel 21, vierde lid, Successiewet 1956 een forfaitaire regeling opgenomen inhoudende, kortgezegd, dat bij verkrijging van een woning door een tot een bepaalde groep behorende verkrijger voor de heffing van het successierecht de waarde van die woning werd gesteld op 60% van de verkoopprijs welke zou kunnen worden verkregen zou de woning in onbewoonde staat kunnen worden verkocht. Per 1 januari 2002 is deze regeling vervallen en dient de waarde van hetgeen wordt verkregen te worden vastgesteld naar de hiervoor onder 5.1. vermelde maatstaf. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat met het vervallen van de forfaitaire regeling in wezen wordt teruggekeerd naar de situatie voor 1 januari 1985, hetgeen volgens hem meebrengt dat bij de waardebepaling rekening moet worden gehouden met de economische realiteit inhoudende dat het verkregene niet vrij opleverbaar is. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft belanghebbende verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 10 september 2004 (LJN: AR4542).

5.3. Het hof kan belanghebbende in zijn standpunt niet volgen. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:178 Burgerlijk Wetboek kan ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen tenzij uit de aard van de gemeenschap of op grond van de in dat artikel nader opgenomen (uitzonderings)bepalingen anders voortvloeit. Gesteld noch gebleken is dat een in artikel 3:178 Burgerlijk Wetboek genoemde uitzondering zich hier voordoet, zodat er voor belanghebbende geen juridische beletselen zijn om de verdeling van het verkregene te vorderen. Blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad – bijvoorbeeld HR 2 maart 1983, BNB 1983/150 en HR 1 maart 1978, BNB 1978/84 – kan het bestaan van een onverdeeldheid in het bijzonder vanwege de mogelijkheid voor een deelgenoot om scheiding en deling te vorderen, niet als een waardedrukkende factor bij de waardebepaling in aanmerking worden genomen. Het betrof telkens een waardebepaling op voet van de in 5.1. opgenomen maatstaf. Evenmin kan de door belanghebbende aangevoerde morele verplichting om de partner van erflater het woonrecht te gunnen – en naar het Hof begrijpt geen verdeling te vorderen –, tot het door hem gewenste gevolg leiden. In het hiervoor als eerste vermelde arrest overwoog de Hoge Raad ten aanzien van een vergelijkbare grief, dat “die omstandigheden op zich zelf, ook wanneer zij worden bezien in verband met bij de opheffing van een onverdeeldheid in acht te nemen eisen van de goede trouw, geen reden opleveren om het nagelaten onroerend goed (...) anders te waarderen dan op de helft van het bedrag waarvoor het geheel daarvan als vrij te aanvaarden goed zou kunnen worden verkocht”. Het hof ziet geen aanleiding daar nu ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.

5.4. Belanghebbende voert nog aan dat de wetgever met het schrappen van artikel 24, vierde lid, Successiewet 1956 blijkens de wetsgeschiedenis uitsluitend het oog heeft gehad op gevallen waarin op een onroerende zaak een recht van vruchtgebruik is gevestigd. De omstandigheden dat de wetgever niet uitdrukkelijk is ingegaan op gevallen waarin van vruchtgebruik geen sprake is, rechtvaardigt niet om af te wijken van de in 5.1. opgenomen maatstaf.

6. Proceskosten.

Het Hof acht geen termen aanwezig een van de partijen in de proceskosten te veroordelen als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond;

De uitspraak is vastgesteld op 13 mei 2005 door mrs. O.B. Onnes, P.M.F. van Loon en L.F. Roseval, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Kuijken als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.