Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT5454

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-04-2005
Datum publicatie
12-05-2005
Zaaknummer
03/1359
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft een vergunning voor de wederinvoer met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van belasting onder de regeling passieve veredeling van goederen, de zogenaamde chips, die zijn vermeld op door de douane goedgekeurde elektronische bestanden met artikelnummer. Belanghebbende besloot niet langer chips, nmaar plakken waarop een groot aantal chips zijn aangebracht (wafers) aan fabrieken te leveren. De voor de wafers geldende artikelnummers kwamen niet voor in de elektronische bestanden en zijn daardoor niet onder de werking van de vergunning gebracht. Hierdoor heeft belanghebbende douanerechten betaald, zonder vermindering van het bedrag dat de douane zou heffen van de uitgevoerde wafers, als deze op het moment van invoer zouden zijn ingevoerd uit het land waar de laatste veredelingshandeling heeft plaatsgevonden. Belanghebbende gaf aan zich vergist te hebben en verzocht om terugbetaling. De Douane stelde zich op het standpunt dat het hier een klaarblijkelijke nalatigheid aan de zijde van belanghebbende betrof.

De Douanekamer oordeelde dat belanghebbende kan worden verweten dat zij heeft nagelaten de artikelnummers voor wafers in haar computerbestand op te nemen. Er is sprake van een nalatigheid maar niet van een gekwalificeerde "klaarblijkelijke nalatigheid. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 03/1359 DK

de dato 28 april 2005

1. De procedure

1.1. Op 10 maart 2003 is bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) een beroepschrift ingekomen van A B.V., ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X te Z, belanghebbende.

Het beroepschrift is gericht tegen de uitspraak van de Belastingdienst Douane P (hierna: de inspecteur) van 30 januari 2003, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking van de inspecteur van 15 november 1999, betreffende een ver-zoek om terugbetaling van in totaal f 3.046.259,30 deels werd afgewezen, en deels niet-ontvankelijk werd verklaard.

1.2. Van belanghebbende is een griffierecht geheven van € 218,--. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 13 juli 2004. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende B, C en D. Namens de inspecteur is verschenen E. Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd en voorgelezen. De Douanekamer rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

2. De vaststaande feiten

2.1. Bij beschikking van 26 april 1996 is aan belanghebbende vergunning (hierna: de vergunning) verleend voor de wederinvoer met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van belasting onder de regeling passieve veredeling van goederen, welke zijn vermeld op door de douane goedgekeurde elektronische bestanden met artikelnummer. Daaronder vallen op halfgeleidermateriaal aangebrachte elektrische schakelingen, hierna aan te duiden als chips.

2.2. Aanvankelijk heeft belanghebbende de chips uitgevoerd naar diverse fabrieken in het Verre Oosten, waar zij werden verwerkt in zogenaamde geïntegreerde schakelingen (hierna: IC’s). Bij de wederinvoer van deze IC’s werd de vergunning toegepast.

In 1996 heeft belanghebbende op bedrijfseconomische gronden besloten niet langer chips, maar plakken waarop een groot aantal chips zijn aangebracht (hierna: wafers), aan vorengenoemde fabrieken aan te leveren. De voor deze wafers geldende artikelnummers kwamen niet voor in de sub 2.1. genoemde elektronische bestanden; zij zijn daardoor niet onder de werking van de vergunning gebracht.

Als gevolg daarvan heeft belanghebbende in de maandaangiften over de periode van oktober 1996 tot en met december 1997 IC’s in het vrije verkeer gebracht en ter zake daarvan douanerechten betaald, zonder daarop het bedrag in mindering te brengen dat geheven zou zijn van de uitgevoerde wafers, indien deze op het moment van invoer zouden zijn ingevoerd uit het land waar de laatste veredelingshandeling heeft plaatsgevonden.

2.3. In oktober 1999 heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de sub 2.2. vermelde handelwijze op een vergissing berustte; bij brief van 22 oktober 1998 heeft zij om terugbetaling van f 3.046.259,30 (€ 1.382.332,20) verzocht, aanvankelijk op grond van artikel 236 van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW), nadien op grond van artikel 239 CDW.

Bij de sub 1.1. vermelde beschikking is het verzoek niet-ontvankelijk verklaard voorzover het de maanden oktober 1996 tot en met september 1997 betreft, en afgewezen voorzover het de maanden oktober tot en met december 1997 betreft.

3. Het geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur gerechtigd was op het litigieuze verzoek te beslissen.

Belanghebbende beantwoordt de vraag ontkennend; zij stelt zich op het standpunt dat het geval aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen had moeten worden voorgelegd.

De inspecteur beantwoordt de vraag bevestigend.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Destijds is verzuimd de artikelnummers van wafers door te geven aan de interne afdeling douanezaken; daardoor zijn de wafers niet onder de werking van de vergunning gebracht.

Er is sprake van een administratieve vergissing. Was die niet gemaakt dan had de vergunning zonder meer kunnen worden toegepast. In omstandigheden als de onderhavige wordt veelal een bijzondere situatie in de zin van artikel 905, lid 1, van de Uitvoeringsverordening CDW (hierna: UCDW) aanwezig geacht. Illustratief daarvoor is de beschikking van de Commissie in de zaak REM1/00 van 25 oktober 2000.

4.2. De stelling van de inspecteur dat niet kan worden gecontroleerd of de in de in het vrije verkeer gebrachte goederen verwerkte chips daadwerkelijk afkomstig zijn uit de uitgevoerde wafers, is onjuist. Via de in het bedrijf gehanteerde administratieve systemen is dit precies na te gaan.

4.3. De inspecteur stelt dat belanghebbende op drie cruciale punten niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht. Er is echter slechts sprake van één incidentele vergissing, te weten het niet opnemen van de artikelnummers voor wafers in het computerbestand.

Niet valt te ontkennen dat de communicatie binnen het bedrijf niet goed heeft gefunctioneerd. Daarmee is echter nog geen sprake van klaarblijkelijke nalatigheid.

Het begrip klaarblijkelijke nalatigheid mag niet te strikt worden gehanteerd. Daardoor zou de betekenis van artikel 239 CDW als algemene billijkheidsclausule worden uitgehold.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. In afwijking van het eerder ingenomen standpunt wordt thans aanvaard dat sprake is van een naar behoren aangetoond uitzonderingsgeval, zodat het verzoek ook voor de maanden oktober 1996 tot en met september 1997 ontvankelijk kan worden geacht.

5.2. Belanghebbende is beroepsaangever met een bovengemiddelde kennis van douaneregelingen, waaronder de passieve veredeling. Het verzenden van de juiste goede-ren en het vermelden van de juiste goederenomschrijving (hier in de vorm van het artikelnummer) zijn geen complex onderdeel van de bepalingen betreffende de toepassing van de regeling passieve veredeling. Belanghebbende heeft niet de zorgvul-digheid betracht die van een goed in het douanerecht ingevoerde onderneming mag worden verwacht.

Toegegeven wordt dat deze onzorgvuldigheid terug te voeren is tot een en dezelfde handeling van belanghebbende met betrekking tot de vermelde artikelnummers.

Dit neemt niet weg dat aan de douane controlemogelijkheden zijn onthouden.

Niet juist is dat alleen andere artikelnummers zijn gebruikt; belanghebbende heeft welbewust besloten voortaan in plaats van chips wafers te verzenden. Dat is iets anders dan een administratieve vergissing.

In casu is geen sprake van overmacht of een andere niet-toerekenbare oorzaak.

Er is een fout binnen het eigen bedrijf gemaakt; dat het bedrijf zodanig is ingericht dat niet wordt onderkend dat het gebruik van wafers in plaats van chips wijzigingen in het gehanteerde administratieve systeem noodzakelijk maakte, dient voor risico van belanghebbende te blijven.

Onder deze omstandigheden is sprake van klaarblijkelijke nalatigheid aan de zijde van belanghebbende.

5.3. Iedere marktdeelnemer die gebruik wil maken van de regeling passieve veredeling, zal de daarvoor geldende voorwaarden, waaronder die met betrekking tot de identiteit, moeten nakomen. Bij niet-nakoming kunnen de voordelen van de regeling niet worden genoten. In dit opzicht verkeert belanghebbende geenszins in een uitzonderlijke situatie vergeleken met die van branchegenoten die evenmin deze voorwaarden naleven.

De administratieve vergissing die kennelijk de aanleiding was voor de onderhavige gang van zaken, is een schoolvoorbeeld van een normaal bedrijfsrisico, dat voor rekening van de onderneming dient te blijven.

5.4. De vergelijking met de beschikking van de Commissie in de zaak REM 1/2000 gaat niet op. In die zaak stond de identiteit van de goederen onomstotelijk vast, en beschikte het bedrijf weliswaar niet over een vergunning passieve veredeling, maar had het die gemakkelijk kunnen verkrijgen.

In de onderhavige zaak staat allerminst vast dat de regeling passieve veredeling ook had kunnen worden toegepast; wafers zijn immers andere goederen dan chips. In het verleden golden voor deze goederen sterk uiteenlopende tarieven.

De chips en wafers zijn niet eenvoudigweg met elkaar verwisseld. De keuze om wafers te verzenden was ingegeven door de gelijkschakeling van de hoogte van het toepasselijke tarief.

Voorts is van belang dat een daadwerkelijke fysieke controle ten tijde van de invoer onmogelijk was door het ontbreken van de vereiste vermeldingen in de aangiften ten invoer en ten uitvoer. Het is volstrekt onzeker of de Gemeenschap materieel niets te kort is gekomen.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. In beroep stellen partijen zich – naar het oordeel van de Douanekamer terecht – eenparig op het standpunt dat artikel 236 CDW in het onderhavige geval geen grondslag biedt voor de gevraagde terugbetaling, dat het verzoek moet worden beoordeeld op de voet van artikel 239 CDW, en dat het onderhavige feitencomplex niet kan worden gerangschikt onder de in de artikelen 900 tot en met 903 UCDW vermelde gevallen, zodat het niet met toepassing van artikel 899 UCDW kan worden afgehandeld. Voorts zijn zij het erover eens, dat het onderhavige verzoek om terugbetaling voor de gehele periode waarop het betrekking heeft, ontvankelijk kan worden geacht.

6.2. Ingevolge artikel 905 UCDW (tekst vanaf 27 juli 2003, van toepassing met ingang van 1 augustus 2003) dient een verzoek om terugbetaling als in dit artikel bedoeld vergezeld te zijn van bewijsstukken waarmee het bestaan kan worden aangetoond van een bijzondere situatie die het gevolg is van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van belanghebbende inhouden. Het ligt op de weg van de douaneautoriteit of de nationale rechterlijke instantie ambtshalve te onderzoeken of er bewijselementen voorhanden zijn waarmee het bestaan kan worden aangetoond van een dergelijke bijzondere situatie; bij de beoordeling van de vraag of sprake is van “klaarblijkelijke nalatigheid” dient met name rekening te worden gehouden met de complexiteit van de bepalingen waarvan de niet-uitvoering de douaneschuld heeft doen ontstaan, en met de beroepservaring en de zorgvuldigheid van de ondernemer. Wat de beroepservaring van de ondernemer betreft, moet worden nagegaan of het al dan niet om een ondernemer gaat waarvan de beroepsactiviteit hoofdzakelijk in- en uitvoer omvat, en of hij in dat soort transacties reeds een zekere ervaring had verworven. De vereiste zorgvuldigheid vergt van de ondernemer dat hij, in geval van twijfel over de juiste toepassing van de bepalingen waarvan de niet-uitvoering een douaneschuld kan doen ontstaan, zich dient te informeren en de zaak zo grondig mogelijk dient te onderzoeken, zodat de betrokken bepalingen niet worden overtreden (HvJ 11 november 1999, nr. C-48/98, Söhl & Söhlke, UTC 2001/48*).

6.3. De Douanekamer twijfelt er niet aan dat belanghebbende in ruime mate over de nodige beroepservaring beschikt.

Wat het criterium van de zorgvuldigheid betreft, overweegt de Douanekamer dat aan belanghebbende kan worden verweten dat zij heeft nagelaten de artikelnummers voor wafers in haar computerbestand op te nemen. In dit opzicht is sprake van nalatigheid harerzijds, maar niet van een gekwalificeerde, “klaarblijkelijke” nalatigheid.

Onder die omstandigheid had de inspecteur het verzoek niet mogen afwijzen, maar moeten voorleggen aan de Commissie ter behandeling overeenkomstig de procedure, bedoeld in de artikelen 906 tot en met 909 UCDW.

6.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep gegrond is.

7. De proceskosten

In de omstandigheid dat het beroep gegrond is vindt de Douanekamer aanleiding de inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de A-gemene wet bestuursrecht, welke met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op 2 (beroepschrift, verschijnen ter zitting) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (gewicht van de zaak) is € 966,--.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak, alsmede de beschikking van 15 november 1999, kenmerk ..... verklaart het litigieuze verzoek om terugbetaling ontvankelijk, voorzover het de maanden oktober 1996 tot en met september 1997 betreft;

- verstaat dat de inspecteur het verzoek om terugbetaling alsnog voorlegt aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 966,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de Staat der Nederlanden het gestorte griffierecht ad € 218,-- aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus vastgesteld op 28 april 2005 door mr. A. Bijlsma, voorzitter, mr. J.W.M. Tijnagel en mr. K. Kooijman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando, griffier.

De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden inge-

steld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het

volgende in acht worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de

proceskosten.