Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT5190

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-05-2005
Datum publicatie
11-05-2005
Zaaknummer
21-000977-04
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2004:AO3150
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof te Arnhem heeft Pascal F. vrijgesproken van de moord op Anton B. en ter zake van de moord op Nadia van de V. en het bezit van respectievelijk een wapen en munitie, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren en terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 21-000977-04

Uitspraak d.d.: 11 mei 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Amsterdam

zitting houdende te

Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Utrecht van 6 februari 2004 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16/028649-02 en 16/028059-03, tegen

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

[verblijfplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 25 juni 2004, 3 december 2004, 2 maart 2005 en 26 en 27 april 2005 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte heeft ter terechtzitting opgegeven dat hij geen rechtsmiddel heeft willen instellen tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij hij ter zake van het onder parketnummer 16/028649-02 onder 2 tenlastegelegde werd vrijgesproken, zodat het hof verstaat dat het hoger beroep van verdachte uitsluitend is gericht tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij verdachte ter zake van het onder parketnummer 16/028649-02 onder 1, 3 en 4 en onder parketnummer 16/028059-03 tenlastegelegde werd veroordeeld.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen nu het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Parketnummer 16/028649-02

1.

hij op of omstreeks 1 oktober 2002 te Utrecht, opzettelijk en met voorbedachte rade, in ieder geval opzettelijk, [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk (en na kalm beraad en rustig overleg, althans anders dan in een opwelling), met een vuurwapen (van/op zeer korte afstand) vijf, althans een of meer, kogel(s) afgevuurd op/in/door en/of in de richting van het hoofd en/of de nek en/of de hand en/of de arm, althans het lichaam van die [slachtoffer 1], waardoor die [slachtoffer 1] door een of meer van die kogel(s) in het hoofd en/of de nek en/of de hand en/of de arm, althans het lichaam werd getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

3.

hij op of omstreeks 1 oktober 2002 te Utrecht, munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die Wet, van de categorie III, te weten:

- 29, althans een of meer knalpatronen, kaliber 9 mm, merk G.F.L. en/of

- 25, althans een of meer knalpatronen, kaliber 8 mm, waarvan 4 stuks van het merk Wadie en 21 stuks van het merk G.F.L.,

voorhanden heeft gehad;

4.

hij op of omstreeks 1 oktober 2002 te Utrecht, een of meer onderde(e)l(en) en/of hulpstuk(ken), te weten een houder en/of een loop (zijnde specifiek bestemd voor nader te noemen wapen en van wezenlijke aard) van (een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten van een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet, geschikt om automatisch te vuren, te weten een UZI pistoolmitrailleur, voorhanden heeft gehad;

Parketnummer 16/028059-03

hij op of omstreeks 29 november 1995 te Ede, althans in het arrondissement Arnhem, opzettelijk en met voorbedachte rade, in ieder geval opzettelijk, een persoon, te weten [slachtoffer 2], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk (en na kalm beraad en rustig overleg, althans anders dan in een opwelling) met een vuurwapen (van/op zeer korte afstand) drie, althans een of meer, kogels afgevuurd op/in/door en/of in de richting van het hoofd en/of de nek van die persoon, te weten voornoemde [slachtoffer 2], waardoor die [slachtoffer 2] door een of meer van die kogel(s) in het hoofd en/of de nek werd getroffen, tengevolge waarvan genoemde [slachtoffer 2] is overleden.

Het hof nummert het onder parketnummer 16/028059-03 tenlastegelegde feit als 5.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof overweegt met betrekking tot de onder 5 tenlastegelegde moord/doodslag op [slachtoffer 2] het volgende. Vooropgesteld wordt dat het directe verband tussen de moord/doodslag op [slachtoffer 2] en verdachte zou moeten voortvloeien uit (1) een overeenkomst tussen sporen op de kogelhulzen, aangetroffen in verdachtes woning aan de Weerdsingel WZ en de kogelhulzen, afkomstig uit het wapen waarmee [slachtoffer 2] is doodgeschoten, en (2) uit het gegeven dat in verdachtes woning aan de Weerdsingel WZ geprepareerde knalpatronen (merk G.F.L., kaliber 9 mm) zijn aangetroffen, terwijl [slachtoffer 2] met geprepareerde patronen van datzelfde merk en kaliber om het leven is gebracht.

Ter terechtzitting in hoger beroep verklaarde getuige-deskundige [getuige-deskundige 1] onder meer, zakelijk weergegeven:

In deze strafzaak zijn bijzondere overeenkomsten gevonden tussen hulzen die op de plaats delict van een schietincident in 1995 te Ede zijn aangetroffen en hulzen die zijn veiliggesteld op de plaats delict van een schietincident in 2002 te Utrecht. Als je patronen verschiet met een wapen, laat een aantal onderdelen van dat wapen sporen na op de huls en de kogel. Deze sporen worden veroorzaakt door bepaalde oneffenheden in het wapen, zoals krasjes en andere beschadigingen. In deze zaak kwamen de sporen op de hulzen vrijwel geheel overeen. Er bestaat een mogelijkheid dat oneffenheden niet uniek zijn. In casu hebben we echter identieke sporen gevonden van meerdere verschillende onderdelen van het wapen. Het gaat dan bijvoorbeeld om sporen van de slagpin en de patroontrekkerhaak. De kans dat deze sporen van een ander wapen afkomstig zijn, is derhalve puur theoretisch.

In Ede is door de schutter gebruik gemaakt van knalpatronen die waren omgebouwd tot scherpe patronen. Deze manipulatie vond plaats door het plastic kapje van de knalpatronen te doorboren en vervolgens een loden prop in de patroon toe te voegen die als kogel dient. Bij het technisch onderzoek aan de Weerdsingel in Utrecht zijn diverse knalpatronen gevonden, maar deze waren niet voorzien van lood.

In Utrecht is originele 9 millimeter munitie gebruikt, in Ede gemanipuleerde munitie.

Hoewel blijkens de bevindingen van het Nederlands Forensisch Instituut het zeer waarschijnlijk is dat bij het schieten op [slachtoffer 2] in 1995 hetzelfde vuurwapen is gebruikt dat bijna zeven jaar later bij het doden van [slachtoffer 1] in 2002 is gehanteerd, kan hiermee niet onomstotelijk worden vastgesteld dat de persoon die in 2002 het wapen heeft gehanteerd dit ook in 1995 heeft gedaan. In het bijzonder ontbreken er bewijsmiddelen waaruit kan worden vastgesteld dat verdachte in 1995 in het bezit was van het vuurwapen.

In een tapgesprek van 28 oktober 2002 te 20:55:46 uur tussen [betrokkene 1] (de zwager van verdachte) en [betrokkene 2] (een vriendin van verdachtes zus) wordt door voornoemde [betrokkene 2] gezegd (einddossier Weerdsingel, dossierpagina 164): “Het enge is ook dat hij zo dicht dus bij mensen kwam die ja dat zo makkelijk aan wapens kwamen ook.” Aannemende dat verdachte inderdaad in kringen verkeerde waar hij eenvoudig in het bezit van wapens kon komen en gelet op het tijdsverloop van bijna zeven jaar tussen beide dodelijke gebeurtenissen valt niet uit te sluiten dat verdachte de uzi en/of de munitie eerst na 29 november 1995 heeft verkregen.

Daar komt bij dat uit onderzoek van de technische recherche is gebleken dat de in Utrecht aangetroffen gemodificeerde patronen (G.F.L. knalpatronen) niet, zoals bij het in 1995 gepleegde misdrijf, zijn voorzien van loodproppen, maar van “fietskogeltjes”. In zoverre dient te worden aangetekend dat de vastgestelde overeenkomsten tussen de munitie, gebezigd bij de moord/doodslag op [slachtoffer 2] en de bij de huiszoeking aangetroffen munitie van beperkte waarde is.

Van enig motief van verdachte voor de moord/doodslag op [slachtoffer 2] of enig verband tussen verdachte en het slachtoffer [slachtoffer 2] is niet gebleken. Uit de stukken van het dossier en de verklaringen van de getuige-deskundige [getuige-deskundige 1] kan slechts blijken dat de hulzen die zijn aangetroffen in het perceel Weerdsingel WZ 9 en in Ede zeer waarschijnlijk zijn afgevuurd met hetzelfde wapen. Het vuurwapen is nooit boven water gekomen.

Enig aanvullend bewijs dat verdachte op het tijdstip van de moord of doodslag op [slachtoffer 2] zich in Ede bevond, is niet aanwezig. Van de verdachte kan na verloop van zoveel jaren niet meer worden verlangd dat hij aangeeft waar hij zich op 29 november 1995 – de dag waarop [slachtoffer 2] om het leven is gebracht – bevond. Ook uit andere bronnen is deze vraag niet te beantwoorden. Evenmin kan worden geëist van verdachte dat hij opheldering verschaft over het verkrijgen van het vuurwapen, waarmee beide moorden zijn gepleegd. Het plegen van de moord op [slachtoffer 1] en, in het verlengde daarvan, het in 2002 in bezit hebben van het vuurwapen is door hem immers stelselmatig ontkend.

Gelet op het beginsel, dat niemand is gehouden zelf het bewijs van door hem gepleegde strafbare feiten te verschaffen – het beginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering en dat tevens onderdeel uitmaakt van het recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 van Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens - is het hof gehouden deze proceshouding van verdachte te respecteren. Immers, te verlangen dat verdachte openheid van zaken geeft inzake het bezit van de uzi, zou erop neerkomen dat hij zou moeten erkennen de bezitter te zijn van het wapen waarmee [slachtoffer 1] om het leven is gebracht.

Gelet op het voorgaande – in onderling verband en samenhang beschouwd – heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen, dat verdachte het onder 5 (impliciet primair en subsidiair) tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof is er zich hierbij van bewust dat het leed, dat bij de nabestaanden bestaat door het onopgelost blijven van de gewelddadige dood van [slachtoffer 2], blijft voortduren. Ook voor de samenleving in zijn geheel is die situatie niet goed te accepteren. Niettemin acht het hof het niet boven redelijke twijfel verheven dat verdachte zich aan dat misdrijf heeft schuldig gemaakt en zal het hof de verdachte van dat feit vrijspreken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 1 oktober 2002 te Utrecht, opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen van zeer korte afstand vijf kogels afgevuurd in de richting van het hoofd en de nek en de hand en de arm van die [slachtoffer 1], waardoor die [slachtoffer 1] door die kogels in het hoofd en de nek werd getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

3.

hij op 1 oktober 2002 te Utrecht, munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die Wet, van de categorie III, te weten:

- 29 knalpatronen, kaliber 9 mm, merk G.F.L. en

- 25 knalpatronen, kaliber 8 mm, waarvan 4 stuks van het merk Wadie en 21 stuks van het merk G.F.L.,

voorhanden heeft gehad;

4.

hij op 1 oktober 2002 te Utrecht, een hulpstuk, te weten een houder (zijnde specifiek bestemd voor nader te noemen wapen en van wezenlijke aard) van een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten van een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet, geschikt om automatisch te vuren, te weten een UZI pistoolmitrailleur, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Moord.

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,

meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Nadere bewijsoverweging met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde feit

De verdachte heeft van meet af aan elke betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 1] ontkend. De raadsman van verdachte heeft in hoger beroep dienovereenkomstig verweer gevoerd. De door verdachte en zijn raadsman bepleite vrijspraak wordt weersproken door de bewijsmiddelen, zoals deze later in de op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdachte afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen. In het bijzonder neemt het hof hierbij het volgende in aanmerking.

Het hof acht het verhaal van verdachte over geheugenverlies en een mogelijke ontvoering volstrekt onwaarschijnlijk en er is geen enkele ondersteuning voor te vinden. Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij geen herinnering meer heeft aan de periode lopend van de avond van 30 september 2002 tot de ochtend van 2 oktober 2002 en in die tijdspanne aan geheugenverlies zou hebben geleden, temeer nu verdachte op 1 oktober 2002 ’s ochtends naar zijn werk heeft gebeld en zich heeft ziek gemeld bij zijn collega [getuige 1]. Deze [getuige 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 26 april 2005 als getuige verklaard dat er geen twijfel over mogelijk is dat hij die ochtend met verdachte aan de telefoon heeft gesproken. Tegenover de politie heeft de getuige [getuige 1] verklaard dat verdachte gedurende het telefoongesprek niet ziek klonk. Daarnaast zijn er specifieke details waarover door de ouders van verdachte is verklaard of waarover door hen is gesproken in getapte telefoongesprekken, waarvan zij niet anders op de hoogte kunnen zijn geraakt dan door de mededelingen van verdachte kort na het voorval aan de Weerdsingel. Zo wordt er melding gemaakt van het klemrijden van verdachte op de autoweg (tapgesprek van 4 oktober 2002 te 10:02:19 tussen de moeder van verdachte en verdachtes zwager, einddossier Weerdsingel, dossierpagina 145 e.v.) en een vermeende achtervolging door een helikopter (zoals onder meer volgt uit de RC-verklaring van [betrokkene 1] van 18 september 2003), waarvan later zou blijken dat deze was ingezet voor een zoektocht naar de Utrechtse serieverkrachter. Uit deze omstandigheden leidt het hof af dat verdachte bij zijn vlucht – kort na de moord – vreesde dat de politie hem op het spoor was. Verdachte is in de auto van [slachtoffer 1] weggereden en reed een talud van een oprit van de A27 af. Aannemelijk is dat verdachte door zich vervolgens in bebost gebied te verbergen, heeft gepoogd aan het zicht van een boven het gebied vliegende helikopter te ontkomen. Deze details heeft verdachte – die zich alles blijkbaar nog goed kon herinneren – aan zijn vader medegedeeld toen hij bij het ouderlijk huis in Leusden arriveerde. Vader heeft de informatie vervolgens doorgespeeld aan zijn naasten. Ook nadien zou verdachte nog over het feit hebben gesproken. Zo verklaart de vader van verdachte op 29 januari 2003 tegenover de politie dat hij in januari 2003 gesprekken met verdachte heeft gevoerd, waarin verdachte heeft aangegeven dat hij met [slachtoffer 1] problemen had over een wasmachine en een wasdroger en dat onder invloed van drank bij hem de stoppen zijn doorgeslagen (einddossier Weerdsingel, dossierpagina 1319 e.v.). De door verdachte aangedragen andere gang van zaken, die op het eerste oog reeds als uiterst onwaarschijnlijk overkomt, wordt derhalve ook door de bewijsmiddelen afdoende weerlegd.

Nadere overweging met betrekking tot de onder 1 bewezenverklaarde voorbedachte raad

Voorbedachte raad veronderstelt een moment van kalm overleg, van min of meer bedaard nadenken voorafgaand aan de uitvoering. Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad – in deze zaak in de op moord toegesneden tenlastelegging en de bewezenverklaring nader uitgedrukt met de woorden “na kalm beraad en rustig overleg” – is voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Verdachte heeft zijn huurster [slachtoffer 1] op 1 oktober 2002 met een machinepistool van het type uzi om het leven gebracht.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de getuige-deskundige [getuige-deskundige 1] over het technisch onderzoek aan de Weerdsingel te Utrecht onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

Uit de sporen hebben wij afgeleid dat de hulzen van een uzi of een daarvan afgeleid wapen afkomstig zijn. Er zijn verschillende soorten uzi's, waaronder de landmachtuzi. Het afgezaagde stukje loop dat bij een doorzoeking aan de Weerdsingel is aangetroffen, is afkomstig van een landmachtuzi. Het wapen weegt ongeveer drieëneenhalve kilogram. Zonder loop en met de kolf ingeklapt is het wapen ongeveer 40 centimeter lang.

Het hof neemt – mede gelet op voornoemde verklaring van getuige-deskundige [getuige-deskundige 1] – als vaststaand aan dat de verdachte niet zonder enig plan zich met een geladen uzi in de gemeenschappelijke ruimte van een studentenwoning bevond. Gelet op de omvang van het wapen pleegt iemand dat bewust bij zich te dragen, zodat kan worden gesproken van een vooropgezet plan of voornemen van verdachte om van het vuurwapen gebruik te maken.

De vaststelling dat sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg wordt nog nader gegrondvest op het feit dat verdachte – blijkens het proces-verbaal van technisch onderzoek, opgemaakt door [verbalisant], brigadier en technisch rechercheur van Regiopolitie Utrecht, gedateerd 28 mei 2003 en deeluitmakend van hoofdproces-verbaal PL0914/02-606095 E – na twee schoten in de gang te hebben gelost, het slachtoffer naar zijn keuken heeft gesleept, waarna verdachte nog eens van zeer dichtbij – als ware het een executie – drie schoten (waarvan enkele opgelegd) op haar hoofd heeft afgevuurd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van twee moorden en het bezit van wapens en munitie veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. De verdachte is in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte, overeenkomstig het vonnis in eerste aanleg, wordt veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen hoofdstraf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Anders dan de vordering van de advocaat-generaal acht het hof de betrokkenheid van verdachte bij de moord op [slachtoffer 2] niet bewezen. Dit laat echter onverlet dat verdachte zich op 1 oktober 2002 heeft schuldig gemaakt aan een niet te bevatten gruwelijke moord op een jonge vrouw. Het nemen van het leven van een ander – het hoogste goed waaraan iemand zich kan vergrijpen – is een dermate ernstig strafbaar feit dat daarvoor uitsluitend een vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt. Daarnaast wordt verdachte het verboden bezit van een wapen en een hoeveelheid munitie verweten.

Verdachte, verhuurder van een pand aan de Weerdsingel WZ te Utrecht, heeft op 1 oktober 2002 welbewust in de gang van de woning met een vuurwapen meerdere schoten gelost op huurster [slachtoffer 1] . Daarna heeft verdachte [slachtoffer 1] naar zijn keuken gesleept om haar vervolgens genadeloos en herhaaldelijk van zeer korte afstand in het hoofd te schieten. Verdachte is hierna in de auto van [slachtoffer 1] weggereden en heeft na een bezoek aan zijn ouders lange tijd doorgebracht in Polen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte aangegeven zich welbewust onvindbaar te hebben gemaakt voor de politie omdat hij bang was dat hem een moord in de schoenen zou worden geschoven. Hoewel verdachte – die bij zijn ontkennende verklaringen blijft – zelf geen inzicht heeft willen geven in zijn motieven, blijkt uit de stukken van het dossier niet anders dan dat de aanleiding van de moord gevonden kan worden in enkele onbeduidende meningsverschillen over een wasdroger en een wasmachine, het houden van katten in huis en het plaatsen van fietsen in de gemeenschappelijke gang van de woning. Het hof rekent de gruwelijke reactie van verdachte op deze futiele aanleiding hem buitengewoon ernstig aan.

Verdachte heeft met zijn afgrijselijke daad nodeloos het leven van een jonge vrouw – in de bloei van haar leven – genomen en daarmee ook het leven van haar nabestaanden uitermate ingrijpend beïnvloed. Het moge voor zich spreken dat de nabestaanden van [slachtoffer 1] – zoals de moeder en de zus van [slachtoffer 1] die beiden ter terechtzitting aanwezig zijn geweest – nog jarenlang onpeilbaar verdriet zullen ondervinden. Dit verdriet beheerst ook thans nog onverkort hun levens, zoals ook uit de ter terechtzitting voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaringen en de mondelinge toelichting blijkt. Met de moord heeft verdachte niet alleen onuitwisbare sporen nagelaten bij de direct betrokkenen, maar ook in ernstige mate de rechtsorde geschokt.

Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verdachte er op geen enkel moment blijk van gegeven de gevolgen van zijn handelen te overzien. Zelfs in zijn laatste woord heeft verdachte niet één woord van medeleven betuigd in de richting van de aanwezige nabestaanden. Zijn houding staat uitsluitend in het teken van het vermeende onrecht dat hem door justitie is aangedaan en de onvrede over het feit dat er in zijn woning een moord is begaan, waarvan juist hij het slachtoffer zou zijn geworden.

Bij de strafoplegging is mede gelet op een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van de centrale justitiële documentatie, gedateerd 7 april 2005, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van agressieve delicten.

De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte terzake van – in hoofdzaak – twee keer het plegen van moord een levenslange gevangenisstraf op te leggen. Daarbij heeft zij tevens aangegeven ook de oplegging van levenslang gerechtvaardigd te achten, indien het hof – zoals thans het geval is – uitsluitend de moord op [slachtoffer 1] bewezen zou achten.

Het hof komt tot een ander oordeel.

Voor een afschuwelijk levensdelict als de thans bewezenverklaarde moord is, zoals de wet bepaalt, inderdaad een levenslange gevangenisstraf mogelijk. Het hof is echter van mening dat het opleggen van een dergelijke straf, die – behoudens gratie – een terugkeer van de veroordeelde in de vrije samenleving voor altijd uitsluit slechts in de meest uitzonderlijke gevallen dient te geschieden. In het onderhavige geval moet worden uitgegaan van een persoon, die tot zijn 29e – op het moment waarop de bewezenverklaarde moord plaatsvond – geen noemenswaardige bemoeienis heeft gehad met de justitiële autoriteiten. Daarnaast kan, zoals hierna nader wordt overwogen, een (enigszins) verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte niet worden uitgesloten. Naar het oordeel van het hof staan deze overwegingen in de weg aan het opleggen van een levenslange gevangenisstraf.

Gelet op de ernst van het belangrijkste bewezenverklaarde delict, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van de verdachte acht het hof het echter passend om de verdachte de hoogst toelaatbare tijdelijke gevangenisstraf op te leggen.

Daarmee kan evenwel niet worden volstaan. Gelet op hetgeen het hof omtrent de persoon van verdachte is gebleken, moet de samenleving in vergaande mate tegen verdachte worden beschermd. Het hof ziet hierin redenen om als hierna te melden, naast oplegging van de hoogst mogelijke tijdelijke gevangenisstraf, de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging te gelasten.

Oplegging van maatregel

Terbeschikkingstelling met dwangverpleging

Artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht vereist voor een last tot terbeschikkingstelling dat bij verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Voorts dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen.

Sinds zijn aanhouding en inverzekeringstelling op 29 januari 2003 heeft verdachte nauwelijks medewerking verleend aan onderzoek naar zijn persoon. Desondanks zijn de onderzoekers erin geslaagd twee rapportages pro justitia uit te brengen, waaruit het volgende blijkt.

Psycholoog [deskundige 1] concludeert in zijn samen met psychiater [deskundige 2] opgemaakte pro justitia rapportage van 29 juni 2003 onder meer, zakelijk weergegeven:

Betrokkene is afwerend en ontkennend over eigenlijk alle essentiële onderwerpen en levensgebieden. Hij voelt zich slachtoffer en maakt veelvuldig gebruik van afweermechanismen als externalisatie. Emotionele belevingen zijn opvallend afwezig en indien deze wel door de rapporteur worden opgemerkt, worden deze ontkend. De gevoelsarme presentatie, de gehanteerde afweermechanismen en het beeld dat uit de heteroanamnestische gegevens uit de stukken ontstaat, wijzen in de richting van persoonlijkheidsproblematiek.

Nadat verdachte in het Pieter Baan Centrum ter observatie is opgenomen, hebben psycholoog [deskundige 3] en psychiater [deskundige 4] op 18 december 2003 over verdachte gerapporteerd. In hun rapportage pro justitia concluderen de deskundigen, zakelijk weergegeven:

Uit betrokkene’s levensloop en de huidige observatie kan zonder meer worden afgeleid dat hij voldoet aan de criteria voor het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis. Betrokkene toont immers een stabiel patroon van lange duur dat minstens tot aan de adolescentie kan worden teruggevoerd, van onaangepaste gedragingen en belevingen die leiden tot significante beperkingen in het sociaal en beroepsmatig functioneren. Er zijn tevens aanwijzingen dat het hier gaat om een ernstige persoonlijkheidsstoornis gezien de identiteitsdesintegratie van betrokkene, de primitieve afweermechanismen alsmede de beperkte realiteitstoetsing.

In feite kan gesteld worden dat betrokkene’s persoonlijkheidsstoornis zich qua ernst bevindt op een niveau waarbij betrokkene de greep op zichzelf en zijn omgeving verloren lijkt te hebben en de realiteitstoetsing uiterst zwak is. Nadere specificatie van de persoonlijkheidsstoornis is gezien de beperkte onderzoekstoegankelijkheid moeilijker, hoewel zich wel schizoïde en narscistische trekken lijken te openbaren.

In differentiaaldiagnostische zin dient allereerst de pervasieve ontwikkelingsstoornis (autisme spectrumstoornis) genoemd te worden, in het bijzonder de stoornis van Asperger (voorheen ook wel betiteld als autistische psychopathie, onder andere vanwege het impulsief uitageren van bizarre en sadistische impulsen) waarbij eveneens de kwalitatieve beperking in de sociale interactie een kernsymptoom vormt. Ook hier is het gezien de beperkte onderzoekstoegankelijkheid niet mogelijk om deze stoornis in of uit te sluiten.

Ten slotte zou zich in de overlap tussen de zogenoemde autistische spectrumstoornissen (waartoe onder andere de stoornis van Asperger behoort) en de schizofrenie spectrumstoornissen (waartoe onder andere de schizoïde persoonlijkheidsstoornis behoort) nog een complicatie kunnen voordoen in de zin van een ontwikkeling naar een schizofrene stoornis. Ook hier zijn wel discrete aanwijzingen voor (de zelfverwaarlozing, de stoornis in de thermoregulatie, het vlakke affect, het initiatiefverlies, het extreme negativisme) waarbij met name gedacht zou kunnen worden aan het zogenoemde ‘resttype’ met opvallend negatieve symptomen. Ook hier geldt echter dat het gezien de beperkte onderzoekstoegankelijkheid niet mogelijk is deze stoornis in of uit te sluiten.

De deskundigen van het Pieter Baan Centrum hebben omtrent de toerekeningsvatbaarheid en het recidivegevaar het volgende geconcludeerd, zakelijk weergegeven:

Hoewel op basis van het voorgaande geconcludeerd wordt dat bij betrokkene sprake is van een psychische stoornis, kan deze op grond van de beperkte onderzoekstoegankelijkheid van betrokkene niet nader gespecificeerd worden. Gegevens van referenten konden op geen enkele wijze bij betrokkene zelf getoetst worden aan diens innerlijke ervaringen. Evenmin kan worden aangegeven of, hoe en in welke mate de stoornis tot expressie komt in het tenlastegelegde, zodat geen conclusie aangaande de toerekeningsvatbaarheid kan worden vastgesteld.

Op grond hiervan kan derhalve geen uitspraak worden gedaan over de kans op herhaling van soortgelijke feiten als tenlastegelegd.

In de PBC-rapportage van 18 december 2003 merkt de deskundige [deskundige 3] echter ook op, zakelijk weergegeven:

Betrokkene weet zich kennelijk slechts van het indringende van zijn moeder, respectievelijk zijn zus te ontdoen door hen met buitenproportioneel veel geweld te overheersen. De angst anders door hen totaal overheerst te worden lijkt daarbij existentiële vormen aan te nemen en misschien wel zover te gaan dat hij zich dan in zijn psychische voortbestaan bedreigd voelt. Een dergelijke dreiging lijkt zich al voor te doen wanneer betrokkene zich op de een of andere manier tegengewerkt voelt. Dat het daarbij om alledaagse voorvallen kan gaan, komt naar voren bij het incident met de verbalisant die hem uit het huis van bewaring ophaalt. Anders dan andere keren zegt betrokkene niets meer en de verbalisant vraagt betrokkene naar de reden. Op dat moment verandert de gezichtsuitdrukking van betrokkene en krijgt betrokkene een agressieve uitstraling. Betrokkene loopt op de verbalisant af en vervolgens opzettelijk tegen hem aan. De verbalisant maant betrokkene ‘normaal te doen’. Betrokkene laat zich dan wel verleiden tot een reactie, namelijk, ’dat hij vindt dat de verbalisant normaal moet doen en niet zo agressief’. Door op tijd in te grijpen wordt voorkomen dat er opnieuw een incident plaatsvindt, maar de verbalisant ziet betrokkene op dat moment als ‘uiterst onberekenbaar’. Opmerkelijk hierbij is dat betrokkene de situatie geheel andersom waarneemt dan de verbalisant. Vanuit zijn mogelijk paranoïde gekleurde achterdocht voelt hij zich bedreigd door de slechts om nadere informatie vragende verbalisant, waarop hij kennelijk niet anders dan buitenproportioneel kan reageren. Zijn reactie is dan te zien als een poging om de controle die hij kennelijk dreigt te verliezen, te herstellen door de vermeende aanvaller, de verbalisant, met geweld te beheersen. Hierbij veroorzaakt de vertekende waarneming van de situatie door betrokkene bij hem gevoelens van bedreiging en voor hem onverdraaglijke gevoelens van machteloosheid. Deze gevoelens moeten ‘weggemaakt’, c.q. afgeweerd worden door een herstel van controle over de situatie. Dat kan alleen door bij de ander de eigen machteloosheid te induceren door hem ‘met geweld’ onder controle te krijgen en in de ander zo de eigen machteloosheid te kunnen bestrijden. Dit fenomeen wordt wel projectieve identificatie genoemd, een afweermechanisme dat voorkomt bij ernstige stoornissen, zoals psychoses en ernstige persoonlijkheidsstoornissen.

Het hof neemt de hierboven weergegeven conclusies over en maakt deze tot de zijne. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte op 25 juni 2004 aangegeven niet bereid te zijn tot het ondergaan van een hernieuwde observatie in het Pieter Baan Centrum, noch toestemming te verlenen voor milieuonderzoek. De raadsman heeft daaraan toegevoegd dat de verdediging het onderwerp nog in beraad had en hierop zou terugkomen zodra de verdediging meer duidelijkheid had. De raadsman is op latere terechtzittingen echter niet teruggekomen op dit punt. Verdachte heeft aldus ook in hoger beroep volhard in zijn weigering om mee te werken aan een meer volwaardige rapportage omtrent zijn persoon.

Hoewel verdachte zich stelselmatig weigerachtig heeft opgesteld, hebben de deskundigen kunnen concluderen dat bij verdachte sprake is van een psychische stoornis. Vaststelling van de psychische stoornis is een noodzakelijke voorwaarde voor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling. Aan deze voorwaarde is voldaan.

Het hof is van oordeel dat bij verdachte ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde moord sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Niet uit te sluiten is dat deze stoornis van invloed is geweest op het meest wezenlijke bewezenverklaarde feit, de moord op [slachtoffer 1]. Een nadere vaststelling van de mate van toerekeningsvatbaarheid is de deskundigen niet mogelijk gebleken, vanwege de weigerachtige houding van de verdachte. Niet aannemelijk is dat bij verdachte sprake zou zijn van het ontbreken van toerekenbaarheid. Vaststelling van de mate van toerekeningsvatbaarheid in de gangbare tussencategorieën is vanwege het gebrek aan medewerking van verdachte niet mogelijk gebleken. Aan een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging hoeft dit niet in de weg te staan.

Vervolgens is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen de oplegging van na te melden maatregel noodzakelijk maakt. Gelet op de wijze van uitvoering van de moord in combinatie met de futiele aanleiding alsmede de bevindingen van de deskundigen dat bij verdachte sprake is van een ernstige persoonlijkheidsstoornis die zich al bij minieme gebeurtenissen openbaart, is het hof van oordeel dat er een serieuze kans op herhaling van heftige geweldsuitbarstingen tegen personen bestaat. Het hof acht het, gelet op de ernst van het feit en hetgeen is gebleken omtrent de persoon van verdachte, niet verantwoord de verdachte zonder dat dit gevaar is weggenomen of in belangrijke mate is gereduceerd – waartoe behandeling een bijdrage zou kunnen leveren – te laten terugkeren in de maatschappij. Een vergaande beveiliging zou gerealiseerd kunnen worden door oplegging van levenslange gevangenisstraf, maar het hof is van oordeel dat, nu apert van een psychische stoornis sprake is, oplegging van de hoogste tijdelijke gevangenisstraf naast na te noemen maatregel meer recht doet aan de persoon van verdachte.

Ten slotte, moord is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten hoogste twintig jaar dan wel levenslange gevangenisstraf is gesteld, zodat is voldaan aan het vereiste van artikel 37a, eerste lid onder sub 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet op de wettelijke voorwaarden is de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging derhalve mogelijk en naar het oordeel van het hof geboden.

Beslag

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking tot welke het onder 3 en 4 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 11.216,30 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 3.459,47 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Nu verdachte ter zake van het onder 5 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, niet schuldig wordt verklaard, kan de benadeelde partij in haar vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36b, 36c, 36d, 36f, 37a, 37b, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Verstaat, dat het door verdachte ingestelde rechtsmiddel niet is gericht tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij verdachte terzake van het onder parketnummer 16/028649-02 onder 2 tenlastegelegde werd vrijgesproken.

Vernietigt het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 5 (impliciet primair en subsidiair) tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

De inbeslaggenomen voorwerpen

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 29 knalpatronen, kaliber 9 mm, merk G.F.L.;

- 25 knalpatronen, kaliber 8 mm, waarvan 4 stuks van het merk Wadie en 21 stuks van het merk G.F.L.;

- een patroonhouder van een uzi pistoolmitrailleur.

De aan [benadeelde partij 1] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 1], te betalen een bedrag van € 11.216,30 (elfduizend tweehonderdzestien euro en dertig cent).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van € 11.216,30 (elfduizend tweehonderdzestien euro en dertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 191 (honderdeenennegentig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De aan [benadeelde partij 2] toegebrachte schade

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde partij 2], in haar vordering niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door

mr Van Houten, voorzitter,

mrs Denie en Harteveld, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr Beaujean, griffier,

en op 11 mei 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.