Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT4788

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-03-2005
Datum publicatie
27-04-2005
Zaaknummer
04/01265
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De niet-ontvangst van de aanslag is niet aan belanghebbende te wijten. Het zoekraken van de aanslag door storing PTT komt voor rekening van de inspecteur. Door niet binnen redelijke termijn na de betekening van het dwangbevel om opheldering te vragen, is belanghebbende toch in verzuim. Bezwaar niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Algemene wet inzake rijksbelastingen 22j
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-0888
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Negende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X N.V. te Z, belanghebbende

tegen

een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 31 december 2003, ingediend door A (B Accountants & Consultants B.V.) te Q als gemachtigde (hierna: de gemachtigde) en aangevuld bij brief van 10 mei 2004.

1.2. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 19 november 2003, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1995 (hierna: de aanslag). De aanslag, gedagtekend 31 december 1999, is berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 801.119. Namens belanghebbende is bij brief van 4 september 2000 bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur belanghebbende niet ontvankelijk verklaard in haar bezwaar en de aanslag gehandhaafd. Bij ambtshalve beschikking van 10 januari 2004 is de aanslag verminderd tot een, berekend naar een belastbaar bedrag van f 244.367.

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur, tot ontvankelijkverklaring van het bezwaar en tot vermindering van de aanslag. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrond verklaren van het beroep.

1.4. Ter zitting van 24 november 2004 zijn verschenen de gemachtigde, tot bijstand vergezeld van C, en namens de inspecteur D. Gelijktijdig met het onderhavige beroep is aldaar behandeld het beroep van belanghebbende betreffende de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 1997 (kenmerknummer 04/00090). Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

1.5. Ter zitting heeft het Hof de inspecteur om nadere inlichtingen verzocht. Daarop zijn door de inspecteur bij brieven van 7 december 2004 en 29 december 2004 nadere gegevens verstrekt, welke in kopie bij brieven van de griffier van 14 december 2004 en 4 januari 2005 aan de gemachtigde zijn gezonden. De gemachtigde heeft daarop gereageerd bij brief van 21 januari 2005, welke bij brief van de griffier van 27 januari 2005 in kopie aan de inspecteur zijn gezonden.

1.6. In laatstgenoemde brief is partijen verzocht aan te geven of zij afzien van een tweede mondelinge behandeling van het beroep voor zover het de beantwoording betreft van de vraag of het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Daarin is tevens vermeld dat, indien de voornoemde vraag ontkennend wordt beantwoord, partijen alsnog voor een tweede mondelinge behandeling betreffende het materiële geschilpunt zullen worden opgeroepen. Bij brieven van 10 februari 2005 hebben beide partijen afgezien van een nadere zitting.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende heeft voor de heffing van vennootschapsbelasting voor het jaar 1995 aangifte gedaan van een belastbaar bedrag van ? 149.278. Het aangiftebiljet is op 21 juli 1997 ingediend. Op het biljet staat als adres van belanghebbede vermeld a-straat 1, te R. De ruimte op het biljet voor het aangeven van een wijziging in het adres of woonplaats is niet beschreven. Het op de aangifte vermelde fiscale nummer is (...).

2.2. Per brief van 8 december 1999 heeft de inspecteur aan de gemachtigde laten weten dat hij, “in verband met de ophanden zijnde verjaring van de aanslagtermijn” de namens belanghebbende ingediende aangifte “zonder vooraankondiging ter behoud van rechten” corrigeert. Hij heeft daarbij tevens aangegeven op welke punten hij van de aangifte afwijkt en besluit de brief met de opmerking dat hij ervan uitgaat dat de gemachtigde bezwaar zal maken tegen de aanslag.

2.3. Tot de gedingstukken behoort een “Duplicaat aanslag vennootschapsbelasting 1995” ten name van belanghebbende, met als adres a-straat 1 te R en dagtekening 31 december 1999.

2.4. De inspecteur heeft kopieën van dwangbevelen overgelegd betreffende aan belanghebbende opgelegde aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 1992 tot en met 1997, achtereenvolgens betekend op 15 februari 2000 (1992), 19 mei 2000 (1993 en 1995), 8 september 2000 (1996 en 1997) en 18 september 2000 (1994). De dwangbevelen zijn alle betekend aan het adres a-straat 1 te R. Vijfmaal werd er niemand op dat adres aangetroffen en éénmaal werd een afschrift van het dwangbevel aan E overhandigd.

2.5. In zijn brief van 14 augustus 2000 schrijft de inspecteur aan de gemachtigde:

“Betreft

bespreking 25 augustus

In juli heb ik met u een afspraak gemaakt om de fiscale zaken van (...) [belanghebbende] te bespreken. (...)

Met betrekking tot 1995 heb ik een aanslag ter behoud van rechten opgelegd waar u of uw cliënt nooit op heeft gereageerd. Er is tegen deze aanslag geen bezwaar gemaakt.

Met betrekking tot de jaren 1996 en 1997 heb ik vragenbrief gestuurd waarop binnen de termijn niet gereageerd werd. Vervolgens heb ik naar aanleiding van het verstrijken van de beantwoordingtermijn aangemaand waarbij ik u een nieuwe termijn heb gegeven.

Toen ik ook binnen deze termijn geen reactie van u had ontvangen, heb ik u een correctiebrief gezonden en de aanslagen conform deze brief vastgesteld. Tegen deze aanslagen is door u of uw cliënte geen bezwaar gemaakt.

Resumerend staan de aanslagen 1992 tot en met 1997 onherroepelijk vast. (…)”.

2.6. Op 4 september 2000 is namens belanghebbende een bezwaarschrift tegen de onderhavige aanslag ingediend. Bij de in geschil zijnde uitspraak heeft de inspecteur het bezwaarschrift vanwege termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

3. Geschil

In geschil is of belanghebbende terecht in haar bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en, zo nee, of het belastbare bedrag op de juiste hoogte is vastgesteld.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding. Voor hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard, wordt verwezen naar het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Primair is in geschil of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die van de dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van de dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking daarvan (artikel 22j, aanhef en onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Bekendmaking van een belastingaanslag geschiedt door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet (artikel 8, eerste lid, Invorderingswet) door de ontvanger. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het vóór het einde van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, eerste lid, van de Awb) dan wel ter post bezorgd en niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen (artikel 6:9, tweede lid, Awb).

5.2. Niet in geschil is dat belanghebbende op het adres a-straat 1 te R is gevestigd. Gelet op het door de inspecteur ter zitting overgelegde “duplicaat aanslag vennootschapsbelasting 1995” en hetgeen de inspecteur ter toelichting daarop heeft verklaard, acht het Hof aanemelijk dat de ontvanger de aanslag vennootschapsbelasting 1995, met daarop de dagtekening 31 december 1999 en het genoemde adres aan de a-straat, uiterlijk enkele dagen vóór 31 december 1999 ter post heeft bezorgd. Het Hof heeft althans geen reden aan te nemen dat de dag van dagtekening van de aanslag is gelegen voor de datum van verzending ervan. Aan het voorgaande doet niet af dat de inspecteur overigens geen verzendbewijs van de aanslag heeft overgelegd.

5.3. Op grond van het onder 5.2 overwogene is het Hof van oordeel dat de onderhavige aanslag op de juiste wijze is bekendgemaakt. Hieruit volgt dat de termijn van zes weken waarbinnen bezwaar kan worden gemaakt, is aangevangen op de dag na die van de dagtekening van de aanslag, derhalve op 1 januari 2000. Het bezwaarschrift is op 4 september 2000 en derhalve ruimschoots na afloop van die termijn ingediend.

5.4. Een niet-tijdig ingediend bezwaarschrift is niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 Awb). Belanghebbende stelt dat zij de aanslag niet heeft ontvangen.

Het Hof acht niet bij voorbaat onaannemelijk dat de ter post bezorgde aanslag belanghebbende niet heeft bereikt en is in dit verband van oordeel dat het risico van niet-ontvangst ten gevolge van het zoekraken of een vergelijkbare verstoring in de verzending/bezorging van de zijde van de PTT niet ten laste van belanghebbende mag worden gebracht. Immers, de inspecteur had een dergelijk zoekraken kunnen voorkomen door de aanslag aangetekend dan wel met ontvangstbevestiging te versturen. Nu is gesteld noch gebleken dat de niet-ontvangst van de aanslag aan belanghebbende zelve is te wijten, komt in casu het zoekraken van de aanslag derhalve voor rekening van de inspecteur. De omstandigheid dat de inspecteur bij zijn brief van 8 december 1999 de aanslag heeft aangekondigd en de gemachtigde aldus wist dat de aanslag op korte termijn zou worden opgelegd, acht het Hof van onvoldoende gewicht om in deze tot een ander oordeel te komen.

5.5. Het is ook in dit geval echter wel aan belanghebbende om, nadat zij op de hoogte is geraakt van het feit dat haar een aanslag is opgelegd, niet te blijven ‘stilzitten’. Het had derhalve op de weg van belanghebbende gelegen om binnen een redelijke termijn na de betekening van het dwangbevel tot betaling van het bedrag van de aanslag vennootschapsbelasting 1995, waardoor zij, naar zij stelt, met het bestaan van de aanslag op de hoogte is geraakt, aan de inspecteur om opheldering te vragen en bijvoorbeeld een duplicaat aanslag aan te vragen en/of pro forma in bezwaar te komen. Dat heeft zij, zonder nadere motivering, nagelaten. Immers, op grond van het onder 2.4. vermelde acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende uiterlijk op 19 mei 2000 met het bestaan van de aanslag is bekend geworden. De enkele stelling van belanghebbende, dat zij vervolgens om een duplicaat van de aanslag heeft verzocht, is tegenover de betwisting daarvan door de inspecteur niet aannemelijk geworden. Evenmin is gesteld of gebleken dat reeds vóór vaststelling van de aanslag door of namens belanghebbende was verzocht om toezending van het aanslagbiljet of een duplicaat daarvan aan de gemachtigde. Pas op 4 september 2000 - kennelijk naar aanleiding van de brief van de inspecteur aan de gemachtigde van 14 augustus 2000 - is namens belanghebbende een bezwaarschrift ingediend. Op grond van het vorenstaande kan niet worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake van de te late indiening van het bezwaar niet in verzuim is geweest in de zin van artikel 6:11 Awb.

5.6. Voor zover belanghebbende nog stelt dat anderszins op grond van brieven van en/of gesprekken met de Belastingdienst de indruk was gewekt dat er nog geen aanslag was opgelegd, heeft zij dit niet aannemelijk gemaakt, nog daargelaten dat het haar bij kennisneming van het dwangbevel aanstonds duidelijk had moeten zijn dat een dergelijke indruk onjuist was.

5.7. Op grond van het voorgaande komt het Hof tot de slotsom dat het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep is derhalve ongegrond.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 24 maart 2005 door mr. E.F. Faase, lid van de Belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Mulder als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.