Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT3969

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-04-2005
Datum publicatie
20-04-2005
Zaaknummer
04/03600
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Uitspraak op bezwaar tegen navorderingsaanslag IB aangehouden tot arrest HR in soortgelijk geschil. Vermindering invorderingsrente. Artikel 28, paragraaf 2, derde lid, Leidraad invordering 1990.

Wetsverwijzingen
Invoeringswet Invorderingswet 1990 28
Leidraad invordering 1990 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-0815
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende

tegen

de uitspraak met dagtekening 13 augustus 2004 van de ontvanger van de Belastingdienst P, de ontvanger, betreffende een beschikking invorderingsrente.

Het beroep is behandeld ter zitting van 23 maart 2005. Belanghebbende, is hoewel daartoe op de voorgeschreven wijze opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vermindert de beschikking invorderingsrente tot een naar een bedrag van € 3.142, en

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 37 aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1.1. Aan belanghebbende is, met dagtekening 16 augustus 1996, voor het jaar 1991 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd van € 32.088,16. De navorderingsaanslag was op 16 september 1996 invorderbaar. Tegen die navorderingsaanslag heeft belanghebbende bezwaar ingediend. In dat bezwaarschrift bestrijdt belanghebbende de belastbaarheid van de afkoop van een kapitaalverzekering. De inspecteur is met belanghebbende overeengekomen dat hij in afwachting van een te verwachten arrest van de Hoge Raad met een soortgelijk geschil nog geen uitspraak zou doen op voormeld bezwaar. De ontvanger heeft belanghebbende vervolgens voor de navorderingsaanslag uitstel van betaling verleend.

1.2. De Hoge Raad heeft op 15 december 1999 in twee zaken nrs. 33830 (BNB 2000/126) en 34170 (BNB 2000/127) inzake de belastbaarheid van een afkoop - na vervreemding - van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule uitspraak gedaan.

1.3. In een brief van de inspecteur van 2 december 2003 is onder meer het volgende vermeld:

“Aan u is in het verleden een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1991 opgelegd in verband met de afkoop van een kapitaalverzekering.

Uit een begin dit jaar gepubliceerde uitspraak van het Hof Amsterdam volgt, dat de Belastingdienst in een soortgelijke casus terecht stelt dat sprake is van een afkoop (Hof Amsterdam, 29 oktober 2002, nr 01/0441, vakstudie-Nieuws 2003/15.21).

Ik ben daarom van plan het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag af te wijzen.”

1.4. Bij brief van 5 maart 2004 heeft belanghebbende zijn bezwaar tegen de navorderingsaanslag ingetrokken. De ontvanger heeft vervolgens het door hem voor de navorderingsaanslag verleende uitstel van betaling beëindigd. Belanghebbende heeft op 8 juli 2004 de navorderingsaanslag betaald.

1.5. Aan belanghebbende is met dagtekening 8 juli 2004 bij de onderhavige beschikking € 8.062,84 invorderingsrente in rekening gebracht. Na bezwaar heeft de ontvanger de beschikking bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

2. In geschil is of het bedrag van € 8.062,84 aan invorderingsrente terecht aan belanghebbende in rekening is gebracht. Belanghebbende bestrijdt niet dat de invorderingsrente op grond van de Invorderingswet 1990 tot een juist bedrag is berekend. Tussen partijen is de hoogte van de navorderingsaanslag voor het jaar 1991 evenmin in geschil.

3.1. De ontvanger stelt dat terecht invorderingsrente in rekening is gebracht, nu de onder 1.1 vermelde navorderingsaanslag op 16 september 1996 invorderbaar was en belanghebbende deze eerst op 8 juli 2004 heeft betaald. De ontvanger stelt voorts dat geen sprake is van een buitensporig lange behandeling van het bezwaarschrift voortvloeiend uit een verzuim van de belastingdienst op grond waarvan wat betreft de invorderingsrente een tegemoetkoming zou moeten worden verleend. De ontvanger heeft ter onderbouwing hiervan aangevoerd dat in overleg met belanghebbende is besloten te wachten op jurisprudentie in een soortgelijke situatie.

3.2. Belanghebbende bestrijdt dat het volledige bedrag van € 8.062,84 aan invorderingsrente terecht aan hem in rekening is gebracht. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft belanghebbende in de stukken, samengevat en in hoofdzaken weergegeven, aangevoerd dat,

a. onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in rekening gebrachte invorderingsrente aftrekbaar was en als tegemoetkoming een dienovereenkomstige vermindering van de in rekening gebrachte invorderingsrente over de periode tot en met 31 december 2000 billijk zou zijn; en

b. de inspecteur de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 niet heeft verminderd met een bedrag van € 578 met betrekking tot een voor de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen over 2003 en 2004 bestaande schuld van ƒ 70.713.

4. Het Hof oordeelt als volgt. Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 wordt bij overschrijding van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn aan de belastingschuldige invorderingsrente in rekening gebracht over het op de belastingaanslag openstaande bedrag. Blijkens het vijfde lid van artikel 28 van de Invorderingswet 1990 wordt de invorderingsrente enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn. Voor de toepassing van het eerste lid eindigt het tijdvak op de dag voorafgaand aan die van de betaling.

In artikel 28, §2, derde lid, van de Leidraad invordering 1990, is bepaald dat wanneer de behandeling van een bezwaarschrift meer tijd heeft gevergd dan gebruikelijk is, de hierdoor belopen rente volledig dient te worden voldaan. Er kan slechts aanleiding bestaan voor wat betreft de belopen rente een tegemoetkoming te verlenen als sprake is van een buitensporig lange behandeling van een bezwaarschrift, zonder dat de belastingschuldige daarop invloed heeft kunnen uitoefenen. Alsdan kan in extreme, schrijnende situaties, voorzover de alsdan geleden schade hoofdzakelijk het gevolg is van een duidelijk verzuim van de Belastingdienst, een deel van de rente worden verminderd.

5. Vaststaat dat de inspecteur met belanghebbende is overeengekomen dat hij in afwachting van een arrest van de Hoge Raad met een soortgelijk geschil nog geen uitspraak zou doen op het bezwaar tegen de onder 1.1 vermelde navorderingsaanslag. Vaststaat voorts dat de Hoge Raad op 15 december 1999 uitspraak heeft gedaan in twee soortgelijke zaken en dat de inspecteur eerst op 2 december 2003 het voornemen heeft geuit het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag af te wijzen. De ontvanger heeft ter zitting desgevraagd geconcludeerd dat aanknopend bij de datum van de onder 1.2 vermelde arresten van de Hoge Raad de beschikking invorderingsrente kan worden verminderd tot een naar een bedrag van € 3.142, zijnde de invorderingsrente over het tijdvak 16 september 1996 tot en met 15 december 1999. Het Hof ziet - mede nu in de onder 1.2 vermelde arresten van de Hoge Raad de nadien door de gerechtshoven gevolgde lijn besloten ligt - geen aanleiding af te wijken van hetgeen door de ontvanger is geconcludeerd. Het Hof heeft overigens geen aanleiding gezien de in rekening gebrachte invorderingsrente verder te verminderen dan wel de onderhavige beschikking te vernietigen op grond van voormelde bepaling in de Leidraad invordering 1990 dan wel een andere bepaling.

6. Met betrekking tot de stelling van belanghebbende als vermeld onder 3.2 oordeelt het Hof voorts als volgt. Voorzover (a) belanghebbende bedoelt compensatie in de sfeer van de invorderingsrente te verkrijgen voor een over de jaren 1996 tot en met 2000 gemiste aftrekpost en (b) voorzover belanghebbende erover klaagt dat de inspecteur de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 niet heeft verminderd met een bedrag van € 578 met betrekking tot de voor de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen over 2003 en 2004 bestaande schuld aan de ontvanger en dat daarvoor een tegemoetkoming dient te worden verleend in de sfeer van de invorderingsrente, verwerpt het Hof deze klachten, omdat de wet een dergelijke compensatie of tegemoetkoming niet kent.

7. Gezien het vorenoverwogene is het beroep gegrond.

Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig verweerder te veroordelen tot vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld noch gebleken. Mitsdien blijft een proceskostenveroordeling achterwege.

De uitspraak is gedaan op 6 april 2004 door mr. E.A.G. van der Ouderaa, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Schiltkamp als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door genoemd lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.