Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT3633

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2005
Datum publicatie
13-04-2005
Zaaknummer
01/00888
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het Hof is van oordeel dat de inspecteur belanghebbende terecht niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Algemene wet inzake rijksbelastingen 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2006/114
V-N 2005/36.1.2
FutD 2005-0781
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z (België), belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Grote ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 15 maart 2001, ingediend door A als zijn gemachtigde. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van 2 februari 2001, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1992.

1.2. De met dagtekening 30 november 1995 opgelegde aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 400.000. De verschuldigde belasting werd verhoogd met ƒ 1000 in verband met het niet tijdig doen van de aangifte. Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur, tot ontvan-kelijkverklaring van belanghebbende in zijn bezwaar en tot vernietiging van de aan-slag en de daarin begrepen verhoging.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Daarin concludeert hij tot on-gegrondverklaring van het beroep.

1.5. De onder 1.1 genoemde advocaat heeft een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingezonden, aangevuld bij brief van 5 april 2002. De conclusies zijn door de griffier in afschrift aan de wederpartij gezon-den.

1.6. Op de voet van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de ambts-opvolger van de inspecteur, de Inspecteur van de Belastingdienst te P, hierna even-eens aan te duiden als de inspecteur, bij brief van 10 april 2003 nadere stukken inge-diend.

1.7. De zaak is behandeld ter zitting van 6 mei 2003. Namens belanghebbende ver-scheen daar B als gemachtigde van belanghebbende (hierna: de gemachtigde). Ter zitting werden met toestemming van partijen gelijktijdig behandeld de zaken met de kenmerknummers van het Hof 01/00888 tot en met 00895, betreffende de aan be-langhebbende opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzeke-ringen voor de jaren 1992 tot en met 1995 en in de vermogensbelasting voor de jaren 1993 tot en met 1996. Van hetgeen ter zitting is voorgevallen is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. De in de genoemde za-ken overgelegde stukken worden over en weer in al die zaken als gedingstuk aange-merkt.

1.8. Bij brief van 30 mei 2003 heeft de gemachtigde van belanghebbende naar aan-leiding van een verzoek van het Hof ter zitting van 6 mei 2003 een productie aan het Hof gezonden. Bij brief van 3 juni 2003 heeft de griffier een kopie hiervan aan de inspecteur gezonden.

1.9. Ter zitting van 26 juni 2003 heeft de aangewezen raadsheer-commissaris, mr. E.A.G. van der Ouderaa, als getuigen gehoord C en D. Van elk van deze getuigen-verhoren is een proces-verbaal opgemaakt. Kopieën van deze processen-verbaal zijn bij brief van de griffier van 4 juni 2003 aan partijen gezonden.

1.10. De zaak is, tegelijkertijd met de andere onder 1.7 hiervóór vermelde zaken, wederom mondeling behandeld ter zitting van 20 april 2004. Van hetgeen daar is voorgevallen is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. Voorafgaand aan deze mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van belang-hebbende nadere stukken aan het Hof gezonden. Kopieën hiervan zijn door de grif-fier bij brief van 14 april 2004 aan de inspecteur gezonden.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Aan belanghebbende is op 25 februari 1993 een aangiftebiljet B uitgereikt voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1992 en de vermogensbelasting 1993. Het biljet vermeldt als adres a-straat 1 te Q. De inspecteur heeft het biljet om-streeks 30 maart 1993 oningevuld retour ontvangen. Bij het biljet was een brief ge-voegd met de volgende inhoud:

“BETREFT MEDEDELING

X is niet woonachtig op het door U gehanteerde adres.

Bovengenoemde persoon is buitenl. ingezetene.

Eventueel korrespondentie adres is:

b-straat 2

South Africa“.

2.2. Aan belanghebbende is met dagtekening 30 november 1995 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1992 opgelegd. De aan-slag is opgelegd naar een door de inspecteur ambtshalve vastgesteld belastbaar inko-men van ƒ 400.000.

2.3. Blijkens een kopie van het aanslagbiljet ter zake van de onder 2.2 vermelde aan-slag luidt het daarop afgedrukte toezendadres (verweerschrift bijlage A.3.01):

“a-straat 1 te Q”.

Naast de verzending van het originele biljet aan het hiervoor vermelde adres heeft de inspecteur tevens een duplicaat van het aanslagbiljet verzonden aan het adres b-straat 2 te Zuid-Afrika.

2.4. Met een brief van 16 november 1995 (verweerschrift bijlage A.3.01) richtte de inspecteur zich tot:

“X BV

T.a.v. de heer. D

(...).

De inhoud van de brief luidt als volgt:

“Geachte heer D,

Zoals reeds telefonisch besproken doe ik u hierbij ter informatie duplicaten toekomen van de aanslagen inkomstenbelasting 1992 en vermogensbelasting 1993 ten name van X.”

De in de adressering genoemde D is fiscaal adviseur van F B.V., een vennootschap waarin belanghebbende (middellijk) gerechtigd is.

2.5. Bij brief, gedagtekend 22 januari 1996 en bij de inspecteur binnengekomen op 24 januari 1996, heeft C (hierna te noemen: C) namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de hem voor het jaar 1992 opgelegde aanslag. In dit geschrift vermeldt C onder meer het aanslagnummer en de dagtekening van de door de inspecteur op-gelegde aanslag.

2.6. Op 25 april 1996 is bij de inspecteur binnengekomen een duplicaat aangiftebiljet voor het onderhavige jaar. Het aangegeven inkomen bedraagt nihil en het biljet is ondertekend door belanghebbende. In een bijlage bij het biljet is het volgende opge-nomen:

“X is gedurende het gehele jaar 1992 resident van Zuid-Afrika geweest.

Ik verzoek u alle toekomstige correspondentie te verzenden aan het adres:

c-straat 3

België”.

2.7. Bij brief van 12 februari 1999 (bijlage A.4.01 bij het verweerschrift) heeft C het door hem ingediende bezwaarschrift aangevuld. De bezwaren zijn gericht tegen het vaststellen van het inkomen op ƒ 400.000 en het aanmerken van belanghebbende als binnenlandse belastingplichtige.

2.8. Bij brief van 29 april 1999 van G, kantoorgenoot van de gemachtigde die het beroepschrift heeft ingediend, werd de inspecteur verzocht het bezwaar van belang-hebbende tegen de onderhavige aanslag nader te mogen motiveren vóór eind mei 1999. In zijn brief aan de inspecteur van 17 mei 1999 schrijft G onder meer:

“Pas bij uitreiking van een kopie aanslagbiljet d.d. 23 januari 1996 aan de toenmalig gemach-tigde heeft cliënt daarvan kennis kunnen nemen. Nu hij voordien niet op de hoogte was van de aanslag en de verzending daarvan door de Belastingdienst, is de aanslag te laat opgelegd.”

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. Tussen partijen is, onder meer, in geschil of de inspecteur terecht belanghebben-de niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar en of de aanslag tijdig is vastge-steld.

3.2. De stelling dat de uitspraak op het bezwaar is gedaan door een onbevoegde ambtenaar heeft belanghebbende ter zitting van 20 april 2004 laten varen.

3.3. Voor de standpunten van partijen wordt verder verwezen naar de stukken van het geding.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende stelt dat hij pas op 23 januari 1996 kennis heeft genomen van het aanslagbiljet ter zake van de hier in geding zijnde aanslag, nadat de inspecteur, op verzoek van de toenmalige gemachtigde van belanghebbende, C, hem een kopie er-van heeft toegezonden. Het door C op 22 januari 1996 opgestelde bezwaarschrift, dat op 24 januari 1996 bij de inspecteur is binnengekomen, dient volgens belanghebben-de ontvankelijk te worden geacht.

4.2. De inspecteur heeft gesteld dat hij in verband met de omstandigheden van het geval grote zorgvuldigheid heeft betracht bij de bekendmaking van de aanslag aan belanghebbende. Hij heeft, zo stelt hij, het aanslagbiljet -dan wel een duplicaat daar-van- op 16 november 1995 verzonden c.q. doen verzenden aan het adres dat naar zijn oordeel het woonadres van belanghebbende in Nederland was, aan het adres in Zuid-Afrika dat belanghebbende bij de retournering van het hem uitgereikte aangiftebiljet in een bijlage opgaf, en aan de heer D, die door de inspecteur werd aangezien als de gemachtigde van belanghebbende nu hij, de inspecteur, met D belastingaangelegen-heden van belanghebbende had besproken en het ook de heer D was die bij brief van 2 november 1995 reageerde op een aan belanghebbende gezonden vragenbrief van de inspecteur.

4.3. Het Hof acht de stellingen van de inspecteur met betrekking tot de gelijktijdige verzending van het aanslagbiljet en duplicaten ervan aan de drie door hem vermelde adressen - waaronder het door belanghebbende opgegeven adres in Zuid-Afrika - geloofwaardig en overtuigend. De inspecteur heeft met zijn stellingen en de daarbij door hem overgelegde bewijsstukken, in onderlinge samenhang beoordeeld, aanne-melijk gemaakt dat het aanslagbiljet, alsmede duplicaten daarvan, van de 30 novem-ber 1995 gedagtekende aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1992 op 16 november 1995 ter post zijn bezorgd, onder meer naar het door belanghebben-de opgegeven, onder 2.1 weergegeven correspondentie-adres. Nu het aanslagbiljet en de duplicaten niet ter post zijn bezorgd op een tijdstip gelegen na de dagtekening ervan, is de dagtekening van het aanslagbiljet bepalend bij de beantwoording van de vraag of de aanslag binnen de in artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen genoemde aanslagtermijn is vastgesteld. Gelet op de genoemde dag-tekening is de aanslag derhalve tijdig vastgesteld.

4.4. Gelet op het hiervoor overwogene eindigde de termijn voor het tijdig maken van bezwaar in beginsel zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet, derhalve op 11 januari 1996. Belanghebbende heeft het 22 januari 1996 gedagtekende en op 24 januari 1996 door de inspecteur ontvangen bezwaarschrift niet tijdig ingediend. In-dien echter in een aanslag een verhoging is begrepen en de belastingplichtige -in het kader van de ontvankelijkheid van een bezwaarschrift- gemotiveerd stelt dat, en op welke grond, de termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen, dient de in-specteur de onjuistheid van deze stelling te bewijzen.

4.5. Belanghebbende stelt dat de termijnoverschrijding niet aan hem is te wijten, en hij voert hiervoor als grond aan dat hij pas op of na 23 januari 1996 kennis heeft ge-nomen van het aanslagbiljet. Dit betoog is evenwel niet geloofwaardig. Immers, in zijn brief van 22 januari 1996, verklaart C, verbonden aan een gerenommeerd belas-tingadvieskantoor, dat hij namens belanghebbende bezwaar maakt tegen de onderha-vige aanslag. In zijn brief noemt hij zowel het aanslagnummer als de datum van dagtekening van de aanslag. Naar het oordeel van het Hof betekent dit, zoals de in-specteur ook heeft aangevoerd, dat C op 22 januari 1996, dus vóórdat om uitreiking van een duplicaat van het aanslagbiljet werd verzocht, beschikte over (een kopie van) het aanslagbiljet, dan wel over gegevens omtrent dat biljet, die hem moeten zijn ver-schaft door een persoon die over het biljet of een duplicaat ervan beschikte. Onder deze omstandigheden dient te worden geoordeeld dat de stelling van belanghebbende dat hij niet vóór 23 januari 1996 kennis heeft genomen van de aanslag bezijden de waarheid is. In dit verband merkt het Hof op dat C bij zijn verhoor als getuige heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren op welke wijze de onderwerpelijke aanslag hem heeft bereikt en dat hij niet weet waarom het bezwaar zo laat, dan wel te laat, is ingediend en dat hij niet weet of belanghebbende destijds bekend was met de aansla-gen. Voorts is van belang dat C, noch in zijn bezwaarschrift van 22 januari 1996, noch in de aanvulling daarvan bij brief van 12 februari 1999, aan de orde stelde dat aan de bekendmaking van de aanslag iets zou schorten.

4.6. Het vorenstaande leidt tot de gevolgtrekking dat de inspecteur de onjuistheid van de onder 4.5 weergegeven stelling van belanghebbende heeft bewezen. Tevens heeft de inspecteur naar het oordeel van het Hof, gelet op al het hiervoor overwogene, vol-doende bewijs geleverd van zijn stelling dat de bekendmaking van de aanslag is ge-schied door toezending door de ontvanger (in overeenstemming met het bepaalde in artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990) van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet en de verzending van de onder 2.3 en 2.4 genoemde duplicaat-aanslagbiljetten alsmede dat de dag van de terpostbezorging ervan was gelegen vóór de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet. In dit geval heeft de bekendmaking van de aanslag derhalve plaatsgevonden met de terpostbezor-ging, nu de inspecteur het bewijs heeft geleverd dat de uitzondering hierop (te weten dat de zending de belastingschuldige niet heeft bereikt en zulks het gevolg is van een fout van de belastingdienst) zich in casu niet voordoet. De bezwaartermijn ving der-halve aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet.

Het vorenstaande houdt voorts in dat, bij ontbreken van andere gronden, de over-schrijding van de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift aan belangheb-bende moet worden toegerekend. Belanghebbende is terecht niet-ontvankelijk ver-klaard in zijn bezwaar.

5. Proceskosten

Nu het beroep ongegrond is en zich geen bijzondere omstandigheden voordoen acht het Hof geen termen aanwezig voor veroordeling van een partij in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 28 februari 2005 door mr. B.L. Dutmer, voorzitter, mr. P.M.F. van Loon en mr. H.E. Kostense, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M.E. Jonk als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in gea-nonimiseerde vorm.

Cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.