Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AT1552

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-03-2005
Datum publicatie
23-03-2005
Zaaknummer
04/00453
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Coöperatieve woonvereniging verzoekt te worden aangemerkt als monumentenrechtspersoon als bedoeld in art. 15, lid 1, onderdeel p, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Tegen het antwoord van de inspecteur bestaat geen bezwaar en beroep open.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 23
Algemene wet inzake rijksbelastingen 26
Wet op belastingen van rechtsverkeer 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/33.3 met annotatie van Redactie
FutD 2005-0615
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van de Coöperatieve Woonvereniging “X” U.A. te Z, belanghebbende,

tegen

de brief van 17 december 2003 van de inspecteur van de Belastingdienst P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 27 januari 2004 (...)

Het beroep is gericht tegen de afwijzende beslissing van de inspecteur in zijn brief van 17 december 2003 op het verzoek van belanghebbende om haar aan te merken als een rechtsper-soon als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel p, van de Wet op belastingen van rechts-verkeer (hierna: WBR).

Het beroep strekt tot vernietiging van de beslissing van de inspecteur en tot het aanmerken van belanghebbende als een rechtspersoon in de vorenbedoelde zin.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

Op verzoek van het Hof heeft de gemachtigde op 17 februari 2005 een exemplaar van de sta-tuten van belanghebbende toegezonden. Een afschrift daarvan is op 21 februari 2005 aan de inspecteur toegezonden.

Voor het verhandelde ter zitting van 25 februari 2005 wordt verwezen naar het aangehechte proces-verbaal. Het Hof rekent de door de gemachtigde van belanghebbende ter zitting over-gelegde reglementen en jaarrekening tot de gedingstukken.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende heeft blijkens haar statuten tot doel “het instandhouden van monumenten zoals bedoeld in de Monumentenwet 1988 (..) en in het kader daarvan de exploitatie van mo-numenten ten behoeven van de leden”. Zij heeft haar statutaire zetel in de gemeente Z.

2.2. Bij brief van 15 oktober 2003 heeft de inspecteur in reactie op een faxbericht van 13 ok-tober 2003 aan A Notarissen te Z bericht dat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als monumentenrechtspersoon als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel p, WBR.

2.3. Bij brieven van 16 oktober en 26 november 2003 heeft de huidige gemachtigde het stand-punt van de inspecteur bestreden. Aan het slot van de brief van 26 november 2003 schrijft de gemachtigde: “Ik stel het op prijs als ik het bovenstaande met u mag bespreken, primair om te bezien of wij alsnog tot een eensluidende conclusie over bovenstaande aangelegenheid kun-nen komen, maar anders om vast te stellen hoe een eventuele procedure gevoerd kan worden. In dat licht verzoek ik u om deze brief ook te duiden als een bezwaarschrift namens “X” tegen de aangifte en betaling van overdrachtsbelasting door “X” ter zake van de verkrijging van de vier appartementsrechten waarin het pand a-straat 2 te Z is verdeeld.”

2.4. Bij brief van 17 december 2003 schrijft de inspecteur aan de gemachtigde: “Tegen het afwijzen van het verzoek tot rangschikking is geen bezwaar mogelijk. U kunt natuurlijk be-zwaar maken tegen het niet verlenen van de vrijstelling. (..) Naar mijn mening kan deze coo-peratieve vereniging aangeduid worden als een samenwerkingsverband van particulieren, om zorg te dragen voor woonruimte voor de leden. (..) De economische eigendom van de onroe-rende zaak ligt naar mijn mening ook bij de bewoners. Natuurlijke personen kunnen niet in aanmerking komen voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 15 lid 1 letter p WBR. Ook niet als zij gezamenlijk verkrijgen. De vrijstelling is uitsluitend voorbehouden aan rechtspersonen met de juiste doelstelling.”

De brief bevat geen rechtsmiddelverwijzing.

3. Geschil

In geschil is primair of belanghebbende ontvankelijk is in haar beroep tegen de beslissing van de inspecteur in zijn brief van 17 december 2003.

4. Standpunten van partijen

Voor de motivering van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel p, WBR luidt: “Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting vrijgesteld de verkrijging (..) van mo-numenten in de zin van de Monumentenwet 1988 door in Nederland gevestigde rechtsperso-nen welke naar het oordeel van Onze Minister hoofdzakelijk de instandhouding van dergelijke monumenten ten doel hebben”.

Nadere voorwaarden zijn gesteld in artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer (hierna: het Uitvoeringsbesluit).

5.2. Ingevolge artikel 23 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (in de tot 1 januari 2005 geldende tekst; hierna: de AWR) kan een belastingplichtige een bezwaarschrift indienen “tegen een hem opgelegde belastingaanslag (..) of tegen een ingevolge enige bepaling van de belastingwet genomen voor bezwaar vatbare beschikking”.

5.3. Belanghebbende heeft, in verband met de verkrijging door haar van onroerende zaken, aan de inspecteur verzocht te verklaren dat zij een rechtspersoon is welke naar het oordeel van de Minister van Financiën hoofdzakelijk de instandhouding van monumenten ten doel heeft als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel p, WBR.

Noch in de Wet op belastingen van rechtsverkeer, noch in het Uitvoeringsbesluit is een bepa-ling opgenomen inhoudend dat het antwoord van de inspecteur op een dergelijk verzoek een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 23 AWR vormt.

Het protest van belanghebbende tegen het antwoord van de inspecteur kan daarom niet wor-den aangemerkt als een bezwaarschrift in de zin van de AWR.

Consequentie daarvan is dat de brief van de inspecteur van 17 december 2003 in reactie op belanghebbendes protest, niet kan worden aangemerkt als een uitspraak van de inspecteur waartegen ingevolge artikel 26 AWR beroep kan worden ingesteld bij de belastingrechter.

5.4. In dit verband verdient opmerking dat, naar de inspecteur terecht heeft gesteld, het voor-liggende geschil in bezwaar en beroep kan worden behandeld naar aanleiding van een voldoe-ning op aangifte van overdrachtsbelasting dan wel, indien zodanige voldoening naar het oor-deel van de inspecteur ten onrechte achterwege is gebleven, de naheffing van overdrachtsbe-lasting ter zake van de verkrijging van onroerende zaken.

5.5. Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat belanghebbende niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde beroep.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende niet-ontvankelijk wordt verklaard en zich geen bijzondere omstandighe-den hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in het ingestelde beroep.

De uitspraak is vastgesteld op 18 maart 2005 door mrs. O.B. Onnes, C. Schaap en L.F. Rose-val, in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Brands als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ont-vangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proces-kosten.