Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AS8298

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-02-2005
Datum publicatie
28-02-2005
Zaaknummer
1261/2003
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verwerpt het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 24 februari 2005 in de zaak onder rekestnummer 1261/2003 NOT van:

[naam],

wonende te [plaats],

APPELLANT

t e g e n

MR. [naam],

MR. [naam],

respectievelijk oud-notaris en kandidaat-notaris te [plaats],

GEïNTIMEERDEN.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Door appellant, verder te noemen klager, is bij een op 1 december 2003 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te ‘s-Gravenhage, verder te noemen de kamer, van 19 november 2003, waarbij zijn klacht tegen geïntimeerden, verder te noemen de notaris en de kandidaat-notaris, ongegrond is verklaard.

1.2. Klager heeft zijn verzoekschrift aangevuld bij brief ingekomen op 30 december 2003.

1.3. Door de notaris en de kandidaat-notaris zijn op 3 maart 2004 verweerschriften bij het hof ingediend.

1.4. Klager heeft bij brief van 29 december 2004 aanvullende stukken ingediend.

1.5. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 januari 2005. Verschenen zijn klager, de notaris en de kandidaat-notaris. Allen hebben het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in haar beslissing van 19 november 2003 heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klager

4.1. Klager verwijt de notaris en de kandidaat-notaris, kort en zakelijk weergegeven, het volgende. De notaris en de kandidaat-notaris hebben onzorgvuldig gehandeld met de door klager aangeleverde testamentgegevens en geen acht geslagen op een door klager aangeleverd eerste ontwerp van 4 maart 2001 en de schriftelijke mededelingen die later door klager hierover zijn gedaan.

4.2. Daarnaast heeft klager op 4 en 5 maart 2001 namen van door hem gewenste getuigen opgegeven. Dat zij niet aanwezig mochten zijn bij het verlijden van de akte werd klager pas op 6 september 2002 - bedoeld zal zijn 6 augustus 2002 gezien de brief van klager aan het notariskantoor van 8 augustus 2002 - medegedeeld. In het verlengde daarvan is klager ontstemd over de brief van 13 september 2002 waarin de kandidaat-notaris het volgende schrijft:

“Wat betreft de aanwezigheid van de beide door u te benoemen executeurs kan ik kort zijn. De wet verbiedt nu eenmaal dat deze personen bij de ondertekening aanwezig zijn. De getuigen bij het testament zullen door ons kantoor geleverd worden.”

4.3. Tevens stelt klager dat door toedoen van de notaris en de kandidaat-notaris vertraging is opgetreden bij het verlijden van de akte en dat de door klager gestelde termijnen zijn verstreken.

4.4. Bij het passeren van de akte is klager, naar zijn zeggen, incorrect bejegend door de notaris. Zo ontstond er een dispuut over de door klager verwachte en door de notaris gegeven toelichting en is de notaris buiten aanwezigheid van de getuigen begonnen met het noemen van onderdelen uit de akte.

4.5. Ook zijn de notaris en de kandidaat-notaris onzorgvuldig omgesprongen met de eigendomsbewijzen van klager.

4.6. Tot slot stelt klager dat het executeursloon, in tegenstelling tot wat klager wilde, als nominale beloning is opgenomen in het ontwerp en niet als wettelijke beloning.

5. Het standpunt van de notaris en de kandidaat-notaris

5.1. De kandidaat-notaris ontkent in de eerste plaats dat de door klager aangeleverde testamentgegevens en het eerste ontwerp voor het testament onzorgvuldig zijn behandeld. Bij het opstellen en wijzigen van het ontwerp is rekening gehouden met de wensen van klager. Naar de mening van de kandidaat-notaris kleefden er aan de redactie van klager nogal wat bezwaren van juridische aard. Teneinde deze bezwaren weg te nemen heeft de kandidaat-notaris redactionele wijzigingen toegepast. Ook later heeft de kandidaat-notaris nog aanpassingen aangebracht in reactie op opmerkingen van klager. Dit betrof ook aanpassingen op passages die in de ogen van de kandidaat-notaris juridisch correct waren weergegeven.

5.2. In de herinnering van de kandidaat-notaris is het onjuist dat klager pas op 6 september 2002 - bedoeld zal zijn 6 augustus 2002 gezien de brief van klager aan het notariskantoor van 8 augustus 2002 - op de hoogte werd gesteld van de bezwaren tegen de getuigen. Reeds in een eerder stadium heeft de kandidaat-notaris klager mondeling toegelicht dat het om juridisch-technische redenen niet mogelijk is de door klager genoemde personen te laten getuigen. Het betrof namelijk de personen die klager tot executeur-testamentair wilde benoemen. Tot slot stelt de notaris dat het algemeen gebruikelijk is dat personeelsleden van de notaris optreden als getuigen bij een testament.

5.3. De kandidaat-notaris stelt voorts dat hij in december 2000 een oriënterend gesprek met klager heeft gehad over wijziging van zijn testament, mede inhoudende beschikkingen ten behoeve van de [naam], hierna: de Stichting. Daarbij heeft de kandidaat-notaris klager gewezen op de mogelijkheid van statutenwijziging zodat de Stichting gerangschikt zou kunnen worden als bedoeld in artikel 24 lid 4 van de Successiewet 1956. Na diverse besprekingen is de akte houdende statutenwijziging op 7 juni 2001 gepasseerd. Vervolgens is bij brief van 31 januari 2002 aan klager een ontwerp testament gezonden en zijn enige vragen van aanvullende aard gesteld. Na diverse correspondenties over en weer, telefoongesprekken en besprekingen is uiteindelijk op 16 oktober 2002 de akte gepasseerd. Hieraan voorafgaand vond op 3 oktober 2002 een bespreking plaats waarbij de notaris, de kandidaat-notaris en klager aanwezig waren. Tijdens dit gesprek zijn alle grieven doorgenomen en heeft de notaris zijn verontschuldigingen aangeboden voor de naar klagers mening onnodige vertraging. Klager heeft te kennen gegeven hiermee genoegen te nemen en dat kon worden overgegaan tot het maken van een afspraak voor het passeren van het testament.

5.4. Naar aanleiding van het klachtonderdeel waarin klager stelt zich onheus bejegend te voelen tijdens de afspraak waarbij de akte werd gepasseerd stelt de notaris dat klager enige irritatie bij hem heeft opgewekt. Dit hield verband met het feit dat klager meende de notaris te moeten voorschrijven hoe de handelwijze van de notaris zou moeten zijn bij het passeren van een akte.

5.5. Wat betreft het onzorgvuldig omspringen met de eigendomsbewijzen heeft de kandidaat-notaris bij brief van 30 juli 2001 erkend dat sprake was van een misverstand en hiervoor zijn excuses aangeboden.

5.6. Naar aanleiding van de stelling van klager dat het executeursloon tegen zijn zin niet als wettelijke beloning is opgenomen stelt de kandidaat-notaris klager bij brief van 31 januari 2002 gevraagd te hebben naar de beloningsregeling. In een gesprek met klager was aan de orde geweest dat door zijn redactie het wettelijk loon van toepassing zou zijn. De kandidaat-notaris heeft toen gesteld dat het aanbeveling verdient een vaste beloning in het testament op te nemen, daar anders de beloning erg hoog dan wel erg laag zou kunnen uitvallen.

6. De beoordeling

6.1. Met de kamer is het hof van oordeel dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat er op onzorgvuldige wijze is omgegaan met de door klager aangeleverde gegevens. In reactie op wensen van klager heeft de kandidaat-notaris aanpassingen aangebracht, ook waar hij van mening was dat reeds sprake was van een juridisch correcte weergave. Daar waar een andere redactie de voorkeur had heeft de kandidaat-notaris dit, blijkens de overgelegde en door de kamer in haar beslissing genoemde stukken, schriftelijk uiteengezet.

6.2. Wat betreft de gang van zaken rondom de door klager gewenste getuigen is het hof van oordeel dat de notaris en de kandidaat-notaris klager in eerste instantie zeer summier en niet juist hebben geïnformeerd in de brief van 13 september 2002. De notaris heeft erkend dat het gestelde onjuist was en dat hij dit heeft toegegeven en uitgelegd aan klager. Evenals de kamer acht het hof deze gang van zaken niet juist doch niet van dien aard dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

6.3. Gezien het tijdsverloop dat uit de overgelegde stukken blijkt is het hof van oordeel dat er, zoals klager ook stelt, vertraging is opgetreden alvorens tot het passeren van de akte kon worden overgegaan. Zoals de kamer reeds heeft vastgesteld is ook het hof niet gebleken dat hier sprake is van “moedwillig” veroorzaakte vertraging door de notaris en de kandidaat-notaris. Naar het hof heeft begrepen heeft de notaris tijdens het gesprek van 3 oktober 2002 verontschuldigingen aangeboden voor de naar klagers mening onnodige vertraging. Daarop heeft klager te kennen gegeven hiermee genoegen te nemen. Het hof is van oordeel dat onder die omstandigheden de beoordeling of sprake is van klachtwaardig handelen verder buiten beschouwing kan blijven.

6.4. Naar aanleiding van de stelling van klager dat hij zich onheus bejegend voelde door de notaris ten tijde van het passeren van de akte overweegt het hof als volgt. De notaris heeft erkend dat klager enige irritatie bij hem heeft gewekt en dat hij zulks ook enigermate heeft laten blijken. Het hof acht – mede gelet op de beperkte omvang daarvan en de omstandigheden waaronder zulks plaatsvond – het oordeel van de kamer juist dat er geen sprake is van een handelen dat als tuchtrechtelijk verwijtbaar moet worden gezien.

6.5. Voor de gang van zaken rondom de eigendomsbewijzen heeft de kandidaat-notaris bij brief van 30 juli 2002 erkend dat er sprake was van een misverstand aan zijn kant en hiervoor zijn verontschuldigingen aangeboden. Dit onderdeel van de klacht behoeft naar oordeel van het hof geen verdere bespreking.

6.6. Over het executeursloon is, naar zeggen van de kandidaat-notaris, gesproken met klager, waarbij de kandidaat-notaris heeft aangegeven dat het aanbeveling verdient een vaste beloning in het testament op te nemen. Uit de overgelegde stukken is het hof niet gebleken dat klager hier uiteindelijk niet mee heeft ingestemd, nu klager tijdens het gesprek op 3 oktober 2002 heeft aangegeven dat kon worden overgegaan tot het maken van een afspraak voor het passeren van de akte waarin de vaste beloning was opgenomen.

6.7. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

6.8. Het hiervoor overwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, G.Chr. Kok en P.J.N. van Os en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 24 februari 2005.

Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-Notarissen ’s­Gravenhage

Beslissing inzake de klacht onder nummer 02-54 van:

[naam]

hierna ook te noemen klager,

wonende te [plaats],

tegen

1. mr [naam],

toentertijd notaris, inmiddels oud-notaris te [plaats],

hieronder verder te noemen: de notaris,

2. mr [naam]

kandidaat-notaris te [plaats],

hierna te noemen de kandidaat-notaris.

De procedure

De Kamer heeft kennis genomen van:

? de klacht met bijlagen, ingekomen op 30 oktober 2002 via de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie,

? het antwoord van de notaris en de kandidaat-notaris met bijlagen,

? de repliek van klager met bijlagen,

? de dupliek van de notaris en de kandidaat-notaris.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2003. Daarbij waren aanwezig klager, de notaris en de kandidaat-notaris.

Van het verhandelde is proces-verbaal opgemaakt met daaraan in afschrift gehecht de op de zitting overgelegde pleitnota van klager.

De voorgeschiedenis

- In december 2000 heeft de kandidaat-notaris een oriënterend gesprek gevoerd met klager over wijziging van zijn testament mede inhoudende beschikkingen ten behoeve van een door hem in 1989 opgerichte stichting, de [naam].

- Daarbij is aan de orde gekomen de mogelijkheid van een statutenwijziging en rangschikking van de stichting als bedoeld in artikel 24 lid 4 Successiewet 1956.

- Bij brief van 4 maart 2001 heeft klager een door hem uitgetypt ontwerp-testament naar de kandidaat-notaris gezonden.

-De akte houdende statutenwijziging is volgens de kandidaat-notaris gepasseerd op 4 september 2001, terwijl kort daarna de rangschikking als bedoeld in artikel 24 lid 4 Successiewet 1956 heeft plaatsgehad.

- Bij brief van 31 januari 2002 heeft de kandidaat-notaris klager een ontwerp-testament toegezonden.

- Vervolgens zijn er naar aanleiding van brieven en mededelingen van klager nog diverse ontwerpen door de kandidaat-notaris naar klager gezonden.

- Op verzoek van klager heeft hij op 3 oktober 2002 een onderhoud gehad met de notaris en de kandidaat-notaris, waarbij de wensen en grieven van klager zijn doorgenomen.

- Op 16 oktober 2002 is het testament gepasseerd, waarbij als getuigen aanwezig waren een door klager aangezochte getuige en een personeelslid van het notariskantoor.

De klacht

Klager verwijt de notaris en de kandidaat-notaris dat zij onzorgvuldig en niet voortvarend hebben gehandeld bij het opmaken van zijn testament.

Klager heeft daartoe het volgende aangevoerd:

1. er is onzorgvuldig omgegaan met de door klager in minuut uitgetypte testamentgegevens; er is onvoldoende acht geslagen op het door klager bij brief van 4 maart 2001 aangeleverde eerste ontwerp en op de latere schriftelijke mededelingen van klager;

2. reeds bij brieven van 4 en 5 maart 2001 heeft klager de getuigenkwestie aan de orde gesteld en de namen van de door hem gewenste getuigen opgegeven; hij heeft geen bezwaar vernomen vóór

6 september (blijkens zijn brief van 8 augustus 2002 is kennelijk bedoeld: 6 augustus) 2002;

3. traagheid bij het verlijden van de akte en het verstrijken van de door klager gestelde termijnen;

4. incorrecte bejegening van klager door de notaris bij het passeren van de akte.

Bij repliek heeft klager zijn klacht nog aangevuld als volgt:

a. onzorgvuldigheid bij het bewaren van door klager aan het notariskantoor afgegeven eigendomsbewijzen

b. het executeursloon was in tegenstelling tot wat klager wilde als nominale beloning opgenomen in het ontwerp en niet als wettelijke beloning.

Het verweer

De oud-notaris en de kandidaat-notaris hebben gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hieronder – voor zover nodig – nader zal worden ingegaan.

De beoordeling van de klacht

De Kamer overweegt als volgt:

Ad 1:

Uit de overgelegde stukken blijkt dat er, nadat de daarvoor van belang zijnde statutenwijziging en rangschikking hadden plaatsgevonden, naar aanleiding van klagers brieven en mededelingen diverse ontwerpen naar klager zijn gezonden. Volgens klager is daarbij onzorgvuldig omgegaan met de door hem gedane mededelingen over wat hij in zijn testament opgenomen wilde zien.

Het verwijt van klager houdt met name in dat, zoals hij onder meer ook in zijn brief van 8 augustus 2002 aan de kandidaat-notaris heeft geschreven, in de ontwerpen niets terug te vinden is van zijn “persisteren bij de aanvullende bezwarende bepaling”. De kandidaat-notaris heeft aangevoerd dat de wens van klager juridisch correct was weergegeven. Klager wilde een last tot niet vervreemding in zijn testament opleggen aan het bestuur van zijn stichting, terwijl het volgens de kandidaat-notaris, zoals hij klager meerdere malen heeft laten weten, de voorkeur verdiende om een en ander in de vorm van een verzoek te redigeren en niet in de vorm van een last (met alle mogelijke consequenties daarvan bij niet nakoming). Uit een overgelegde brief van 31 januari 2002 van de kandidaat-notaris blijkt dat toen al uitleg is gegeven waarom deze redactie de voorkeur verdiende. In zijn brief van 13 september 2002 is de kandidaat-notaris nogmaals uitgebreid op dit onderwerp ingegaan. Tijdens het onderhoud op 3 oktober 2002 heeft de notaris volgens zijn zeggen klager nogmaals uiteengezet wat de gevolgen zijn van het uitdrukkelijk bij testament opleggen van een last aan het bestuur van zijn stichting. De Kamer is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden van onzorgvuldigheid niet is gebleken. Het verwijt treft geen doel.

Ook de bij repliek naar voren gebrachte aanvulling van de klacht dat in het hem toegezonden ontwerp van 31 januari 2002 in tegenstelling tot wat klager wenste een nominale beloning in plaats van het wettelijk loon was opgenomen voor de executeurs-testamentair, kan niet tot een ander oordeel leiden. Naar de kandidaat-notaris heeft aangevoerd heeft hij in zijn begeleidende brief bij het bewuste ontwerp aan klager gevraagd welke beloningsregeling klager in gedachten had met betrekking tot de executeursbenoeming. Bij een gesprek met klager was aan de orde geweest - aldus de kandidaat-notaris - dat door de redactie van klager het wettelijk loon van toepassing zou zijn en dat die beloning erg hoog dan wel laag zou kunnen uitvallen; de kandidaat-notaris heeft daarbij geopperd dat aanbeveling verdiende een vaste beloning in het testament op te nemen.

Ad 2:

Afgezien van de late en bovendien onjuiste mededeling dat de tot executeurs-testamentair benoemde personen niet als getuigen konden optreden heeft klager met name bezwaar tegen de arrogante toon die naar zijn mening spreekt uit de (mede namens de notaris) geschreven brief van de kandidaat-notaris van 13 september 2002, waarin deze schreef: “ Wat betreft de aanwezigheid van de beide door u te benoemen executeurs kan ik kort zijn. De wet verbiedt nu eenmaal dat deze personen bij de ondertekening aanwezig zijn. De getuigen bij het testament zullen door ons kantoor geleverd worden.”

De notaris heeft toegegeven dat onjuist was om te vermelden dat de wet verbiedt dat een executeur-testamentair niet als getuige zou kunnen optreden, maar dat bedoeld was dat (belonings-)beschikkingen ten behoeve van getuigen bij testament geen effect sorteren. In het gesprek op 3 oktober 2002 is dit punt aan de orde geweest. Uiteindelijk is de akte gepasseerd in het bijzijn van één van de door klager gewenste getuigen. Naar het oordeel van de Kamer hebben de notaris en de kandidaat-notaris hier in enkele opzichten een steek laten vallen. Tuchtrechtelijk gesproken is de hele gang van zaken echter niet van dien aard dat het optreden van hen op dit punt klachtwaardig moet worden geacht.

Ad 3:

Klager verwijt de kandidaat-notaris dat bij het opstellen van het testament niet voortvarend te werk is gegaan, dat geen rekening is gehouden met de door klager verzochte passeerdatum (de eerste week van september 2002) en dat de door hem gestelde tijdslimiet waarbinnen hij een onderhoud met de notaris wenste in verband met het feit dat niet inhoudelijk was gereageerd op zijn brief aan de kandidaat-notaris van 8 augustus 2002, was verstreken aleer uiteindelijk op 3 oktober 2002 het gewenste onderhoud plaats vond. Uit de overgelegde stukken en het door de kandidaat-notaris verschafte gedetailleerde overzicht van wat er is gebeurd tussen het eerste ontwerp en de passeerdatum blijkt dat eerder sprake is van communicatieproblemen dan van “moedwillige” vertraging bij het opstellen van het testament. Voorts blijkt dat na het door klager gedane verzoek om een onderhoud met de notaris tussentijds contact is geweest tussen klager en het notariskantoor over onder meer het maken van een afspraak en de inhoud van het testament. Dat niet direct gehoor is gegeven aan het verzoek van klager om een onderhoud binnen een door hem gestelde termijn kan niet leiden tot een klachtwaardig verzuim.

Ad 4:

De notaris heeft toegegeven dat bij hem een lichte irritatie is opgetreden doordat klager hem voortdurend in de rede viel bij het voorlezen van het testament en voortdurend in herhalingen verviel. Het gebeurde acht de Kamer tuchtrechtelijk gesproken niet van zo ernstige aard dat dit als klachtwaardig moet worden gezien.

Klager heeft bij repliek nog naar voren gebracht dat er onzorgvuldig is gehandeld met betrekking tot het bewaren van enkele door hem indertijd afgegeven kopie-eigendomsbewijzen, waarvan klager teruggave verzocht. Ter zitting heeft de kandidaat-notaris verklaard dat hij er pas later aan had gedacht dat deze bewijzen zich bevonden in het dossier statutenwijziging en dat door dit misverstand zijnerzijds hij in de veronderstelling verkeerde dat deze niet meer in zijn bezit waren. Bij brief van 30 juli 2001 heeft de kandidaat-notaris deze teruggezonden onder het maken van zijn excuses. Daarmee is deze zaak afgedaan en behoeft zij geen verdere bespreking. Ook in dit opzicht treft de klacht geen doel.

De beslissing

De Kamer voornoemd:

Verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs H.F.M. Hofhuis, voorzitter, R. van der Galiën, J. Hulsebosch en A.J.M. van Velzen, leden, en M.G.L. den Os-Brand, plaatsvervangend lid, en in tegenwoordigheid van de secretaris, mr E.G.H. Laurijssen, in het openbaar uitgesproken op 19 november 2003.

Afschrift van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan de notaris en aan de klager gezonden.

Binnen dertig dagen na de dagtekening van de begeleidende brief kunnen de notaris en de klager van deze beslissing in hoger beroep komen bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.