Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AS8294

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-02-2005
Datum publicatie
28-02-2005
Zaaknummer
1577/04 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De kamer is van oordeel dat niet is gebleken, noch door klaagster in enigerlei mate aannemelijk is gemaakt dat notaris mr. [Cl] niet bevoegd was om uit de ontvangen verkoopsom van de betreffende panden aan de bank een betaling te verrichten ter inlossing van een hypotheekschuld en ter doorhaling van een hypothecaire inschrijving. Het hof verwerpt het beroep van klaagster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 10 februari 2005 in de zaak onder rekestnummer 1577/2004 NOT van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

APPELLANTE,

t e g e n

[geïntimeerde],

notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE,

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Door appellante, verder te noemen klaagster, is bij een op 29 augustus 2002 ter griffie ingekomen verzoekschrift hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Breda, verder te noemen de kamer, van 2 augustus 2002 waarbij de door klaagster tegen geïntimeerde, hierna te noemen de notaris, ingediende klacht ongegrond is verklaard.

1.2. Van de zijde van de notaris is op 10 september 2004 een brief ter griffie van het hof ingekomen, waarin hij mededeelt nooit contact te hebben gehad met klaagster.

1.3. Van de zijde van klaagster is vervolgens een aanzienlijke hoeveelheid producties ter griffie van het hof ingekomen.

1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 9 december 2004. Verschenen zijn klaagster en de notaris. Zij hebben het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde en bedoelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in haar beslissing van 2 augustus 2002 heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klaagster

Klaagster verwijt de notaris dat hij ondanks het veelvuldig verzoek daartoe de afgifte weigert van stukken die betrekking hebben op arbeidsvoorwaarden en de daarmee samenhangende stukken uit 1983 van de zwager van klaagster, [D], die destijds belast was met het bestuur van de onderneming van de thans ex-echtgenoot van klaagster.

5. Het standpunt van de notaris

De notaris betwist de stelling van klaagster en verweert zich als volgt. De notaris is niet de opvolger van notaris [C] en kan derhalve niet over zijn protocol beschikken. De notaris is dan ook van mening dat hij niet door klaagster ter zake aangesproken kan worden.

6. De beoordeling

6.1. Het onderzoek in hoger beroep heeft naar het oordeel van het hof niet geleid tot vaststelling van andere feiten dan wel beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt.

6.2. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- verwerpt het beroep

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, A.L.G.A. Stille en P.J.N. van Os en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 10 februari 2005.

DE KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE BREDA

Beslissing

op de op 11 september 2000 en 13 juli 2001 ingekomen klachten van mevr. [M], wonende te [woonplaats], Van Mierlostraat 11, verder te noemen klaagster, tegen respectievelijk notaris [Cl] en notaris [M], alsmede andermaal tegen notaris mr. [Cl], voornoemd, beiden gevestigd te [plaats] .

1. Het verloop van de zaken:

Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld hebben de notarissen zich bij brieven van respectievelijk 20 november 2000 en 28 september 2001 tegen de klachten schriftelijk verweerd.

In de klachten en de daarop ingekomen verweerschriften heeft respectievelijk de (toenmalige) voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de kamer aanleiding gezien klaagster uit te nodigen voor een gesprek, hetwelk op 23 november 2000 en 23 augustus 2001 heeft plaatsgevonden en naar aanleiding waarvan de behandeling van de klacht -met instemming van klaagster- werd aangehouden, aanvankelijk in afwachting van de resultaten van een op grond van een door haar gedane strafrechtelijke aangifte te houden politieonderzoek, en nadien in afwachting van een ter zake van de klachten door een inmiddels voor klaagster optredende raadsman in te nemen standpunt.

Klaagster heeft bij brief van 30 april 2002, door haar nader op 2 mei 2002 aan de secretaris van de kamer telefonisch toegelicht, bericht dat zij niet langer door een raadsman wordt bijgestaan en de kamer verzocht tot mondelinge behandeling van haar klachten over te gaan.

Deze mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 juni 2002, ter gelegenheid waarvan klaagster, vergezeld van haar dochter, en de beide notarissen in persoon zijn verschenen.

2. De inhoud van de klachten:

Voor zover uit de klaagschriften en uit de veelheid van de door klaagster toegezonden stukken en de door haar daarop gegeven toelichting valt te begrijpen verwijt zij notaris mr. [Cl] dat hij in het kader van de eigendomsoverdracht van de panden aan de Zandbergweg 126/128 te Breda heeft meegewerkt aan de betaling aan de bank van een hypothecaire aflossingsnota in verband met de doorhaling van een ten behoeve van die bank gevestigd hypotheekrechtrecht. Klaagster betwist immers de rechtsgeldigheid van dat hypotheekrecht nu dit zonder haar instemming en die van haar echtgenoot tot stand zou zijn gekomen.

Zij verwijt daarnaast beide notarissen dat zij ondanks veelvuldig verzoek de afgifte weigeren van stukken betrekking hebbend op in 1983 met haar zwager [D], toendertijd belast met het bestuur van de onderneming van haar thans ex-echtgenoot, overeengekomen arbeidsvoorwaarden en alle daarmee verband houdende stukken.

3. Het standpunt van de notarissen:

Notaris mr. [Cl] stelt zich wat betreft de uitsluitend tegen hem gerichte klacht op het standpunt dat hij op 6 juli 2000 de betreffende akte van eigendomsoverdracht heeft verleden, geheel overeenkomstig de door klaagster ingeschakelde makelaar opgestelde koopverklaring en de vervolgens door zijn kantoor opgestelde koopakte, waarin was overeengekomen een levering vrij van hypotheken.

Door de boekhouder van klaagster is, aldus notaris mr. [Cl], blijkens de door klaagster toegezonden stukken overleg gevoerd over de inlossing van schulden bij de Rabobank ter doorhaling van het op de registergoederen rustende hypotheekrecht.

De notaris voert aan dat klaagster, na ontvangst van de conceptstukken en de afrekening, waarop vermeld de aflossingsnota van de bank, weliswaar heeft verzocht tot het passeren van de akte over te gaan zonder inlossing van de hypothecaire schuld, doch dat aan haar zowel mondeling als schriftelijk is uitgelegd dat zonder inlossing geen levering vrij van hypotheken kon plaatsvinden.

De notaris betoogt verder dat bij het passeren van de akte alle posten van de afrekening, waaronder de aflossingsnota van de bank, met klaagster in het bijzijn van haar dochter, de koper, de makelaar en de behandelend kandidaat-notaris zijn doorgenomen, met welke afrekening klaagster zich akkoord heeft verklaard, terwijl uit de schriftelijke stukken van de bank blijkt dat zowel klaagster als haar boekhouder op de hoogte waren cq. hun akkoord hebben gegeven tot inlossing van de hypothecaire schuld ter verkijging van royement.

Ten aanzien van de klacht betreffende de door klaagster gestelde weigering van afgifte van stukken voert notaris mr. [Cl] aan dat die kwestie eerder aan de orde is geweest in een door klaagster tegen hem ingediende klacht bij het toenmalige scheidsgerecht van de Koninklijke Notariële Broederschap te ’s-Hertogenbosch, waarbij die klacht bij wege van bindend advies ongegrond werd verklaard.

Ten overvloede stelt notaris mr. [Cl] zich op het standpunt dat er naar zijn bevindingen in 1983 geen notariële stukken als door klaagster bedoeld door zijn voorganger notaris [C] zijn opgemaakt. Wel is door deze opgesteld de notulen van een op 10 januari 1983 gehouden aandeelhoudersvergadering van de door de echtgenoot van klaagster gevoerde onderneming, waarbij een directiewisseling heeft plaatsgevonden, welke notulen door klaagster en [D] als toen aangewezen bestuurder van die onderneming zijn ondertekend.

Deze notulen zijn volgens de notaris op verzoek van klaagster in kopie aan haar verstrekt, terwijl overige door klaagster gewenste stukken inzake arbeidsvoorwaarden e.d. niet voorhanden zijn.

Notaris mr. [M] stelt zich ter zake van deze tevens tegen hem ingediende klacht op het standpunt dat die klacht hem niet regardeert nu hij niet de opvolger is van notaris [C] en dan ook niet over diens protocol kan beschikken.

4. De beoordeling van de klachten en de gronden daarvoor:

De kamer is van oordeel dat niet is gebleken, noch door klaagster in enigerlei mate aannemelijk is gemaakt dat notaris mr. [Cl] niet bevoegd was om uit de ontvangen verkoopsom van de betreffende panden aan de bank een betaling te verrichten ter inlossing van een hypotheekschuld en ter doorhaling van een hypothecaire inschrijving.

Uit de door klaagster overgelegde kopie van de akte van eigendomsoverdracht, die overigens in aanwezigheid van klaagster is verleden en ook door haar is ondertekend, blijkt dat klaagster zich bij de koopovereenkomst jegens de koper verplicht had tot een levering vrij van hypotheken.

Daarnaast heeft klaagster ter gelegenheid van de mondelinge behandeling erkend het standpunt van de notaris dat de inlossing van de hypotheekschuld is besproken met haar boekhouder en door deze is gefiatteerd en zij heeft evenmin weersproken dat zij zich ten tijde van het verlijden van de akte van eigendomsoverdracht akkoord heeft verklaard met de afrekening, waaronder de aflossingsnota van de bank.

Klaagster betwist thans weliswaar de rechtsgeldigheid van de aan die hypotheekschuld ten grondslag liggende hypotheekakte, doch heeft op geen enkele wijze die betwisting onderbouwd.

Zij voert daartoe, naar de kamer begrijpt, aan dat het betreffende hypotheekrecht destijds zonder haar instemming en zelfs zonder dat zij daarvan wist is gevestigd, doch geeft daarvoor geen enkele concrete aanwijzing voor de juistheid van die stelling, nog daargelaten of notaris mr.[Cl] daarvan op de hoogte had moeten zijn.

Deze klacht tegen notaris mr. [Cl] mist dan ook feitelijke grondslag en is daarmee kennelijk ongegrond.

Ditzelfde oordeel treft eveneens haar klacht tegen die notaris alsmede notaris mr. [M] betrekking hebbend op een vermeende weigering van afgifte van stukken.

Weliswaar kan naar het oordeel van de kamer notaris mr. [Cl] niet worden gevolgd in zijn standpunt dat eerder op eenzelfde klacht van klaagsters door het toenmalige scheidsgerecht van de KNB bindend en afwijzend is beslist, omdat blijkens die overgelegde beslissing andere stukken als thans door klaagster aan de orde is gesteld toen onderwerp van geschil waren, doch voldoende aannemelijk is geworden dat de notaris niet over de door klaagster bedoelde stukken beschikt, zodat hem ook geen verwijt kan treffen dat hij deze weigert af te geven.

De kamer stelt overigens vast dat die door klaagster gewenste stukken zodanig vaag en onvoldoende concreet door haar zijn aangeduid, dat het ook om die reden voor de notaris onmogelijk was aan afgifte daarvan te voldoen.

Deze zelfde klacht tegen notaris mr. [M] faalt reeds omdat hij anders dan notaris mr. [Cl] niet de opvolger is van destijds notaris [C] en dan ook niet gerechtigd is tot afgifte van stukken uit diens protocol.

Tenslotte merkt de kamer nog het volgende op.

Naar zij begrijpt zijn de klachten van klaagster in hoofdzaak terug te voeren op haar standpunt dat ten tijde van de directieovername van de inmiddels geliquideerde onderneming van haar thans ex-echtgenoot door een zwager, panden behorende tot de huwelijksgoederengemeenschap ten onrechte en in haar visie frauduleus zijn belast met hypotheekrechten op grond waarvan door die zwager destijds gelden zouden zijn verkregen.

Nog daargelaten dat door klaagster enig bewijs daarvoor niet kan worden aangedragen -de kamer is gebleken dat een door klaagster in dat kader gedane strafrechtelijke aangifte niet tot vaststelling van strafbare feiten heeft geleid- , gaat het naar het oordeel van de kamer niet aan ongefundeerd te veronderstellen, zoals klaagster doet, dat notarissen die nadien bemoeienis hebben gehad met de eigendomsoverdracht van die panden, waarbij ingevolge die hypotheekrechten schulden dienden te worden ingelost, tegen haar zouden hebben samengespannen.

Dit alles leidt tot de slotsom dat de klachten kennelijk ongegrond moeten worden verklaard.

5. De beslissing:

De kamer van toezicht

verklaart de klachten kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. Steenbeek, voorzitter, H. Quispel en Th.H.M. Fikkers, beiden leden, en C. Wallis en Ten Brinke, plaatsvervangend leden, en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2002, in tegenwoordigheid van De Haan, plaatsvervangend secretaris.