Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AS8277

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-02-2005
Datum publicatie
28-02-2005
Zaaknummer
740/2004 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof oordeelt dat klager een zelfstandig klachtrecht heeft jegens beide kandidaat-gerechtsdeurwaarders. Daarnaast is gebleken dat beide kandidaat-gerechtsdeurwaarders bij het uitbrengen van de exploten niet handelden als toegevoegd aan de geintimeerde. Het hof oordeelt dat klager niet kan worden ontvangen in zijn klacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BIJ VERVROEGING

Beslissing van 3 februari 2005 in de zaak onder rekestnummer 740/2004 GDW van:

[appellant]

wonende te [[plaats],

APPELLANT,

t e g e n

[geïntimeerde],

gerechtsdeurwaarder te[plaats],

GEïNTIMEERDE,

gemachtigde: mr. L.A.M. van den Eeden.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 14 juni 2004 ingekomen een verzoekschrift - met bijlagen - van appellant, verder te noemen klager, waarbij hij hoger beroep instelt tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 4 mei 2004, verzonden op 13 mei 2004, waarbij de klachten van klager ongegrond zijn verklaard.

1.2. Op 12 augustus 2004 is van de zijde van geïntimeerde, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, een verweerschrift – met bijlagen - ter griffie ingekomen.

1.3. Op 24 augustus 2004 is van de zijde van klager een stuk ter griffie van het hof ingekomen met het verzoek dit aan het dossier toe te voegen.

1.4. Op 7 januari 2005 zijn van de zijde van klager nog enkele stukken ingekomen.

1.5. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 januari 2005, alwaar klager, de gerechtsdeurwaarder alsmede zijn gemachtigde zijn verschenen en het woord hebben gevoerd aan de hand van pleitnotities. Ter zitting heeft klager – na instemming van geïntimeerde – enkele stukken overlegd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de behandeling van de zaak in eerste aanleg en de hiervoor vermelde stukken.

3. De ontvankelijkheid van klager in zijn klacht

3.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de klacht van klager – samengevat - zich richt tegen het uitbrengen van een exploot op 4 december 2003 door toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder [naam]. Met dit exploot wordt de grosse van een arrest betekend dat is gewezen door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 23 september 2003. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat het exploot niet is medeondertekend door een toezichthoudend gerechtsdeurwaarder en dat de gerechtsdeurwaarder geen onderzoek heeft gedaan naar de geldigheid van het arrest.

Op 24 februari 2004 heeft [naam], eveneens toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder, een tweede grosse van voornoemd arrest aan klager betekend. Het hiervoor uitgebrachte exploot is aangepast bij herstelexploot van 9 maart 2004.

3.2. De Gerechtsdeurwaarderswet, hierna: GDW, bepaalt in artikel 49 sub b dat de bepalingen over de tuchtrechtspraak van overeenkomstige toepassing zijn op kandidaat-gerechtsdeurwaarders. In zijn hoedanigheid van kandidaat-gerechtsdeurwaarder valt de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder onder de werking van dit artikel. Klager heeft dus een zelfstandig klachtrecht jegens de beide toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarders nu de exploten door hen zijn uitgebracht.

3.3. Daarnaast is echter gebleken dat geen van beide kandidaat-gerechtsdeurwaarders waren toegevoegd aan de gerechtsdeurwaarder. Voor zover van belang luidt de tekst van het stempel op de uitgebrachte exploten als volgt:

“.. Heb ik, [naam], als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam ten kantore van [naam], gerechtsdeurwaarder te [plaats] en aldaar kantoorhoudende aan de [adres]...”

(exploot van 4 december 2003)

“.. Heb ik, [naam], wonende te [plaats], als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam ten kantore van [naam], deurwaarder te [plaats] en aldaar kantoorhoudende aan de [adres]...”

(exploot van 24 februari 2004)

In verband met het in artikel 28 lid 3 GDW bepaalde blijkt hieruit ondubbelzinnig dat de beide kandidaat-gerechtsdeurwaarders bij het uitbrengen van de exploten niet handelden als toegevoegd aan de gerechtsdeurwaarder. Ook overigens is aan het hof niet gebleken dat het handelen van de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarders is toe te schrijven aan een structureel onjuiste gang van zaken op het kantoor van de gerechtsdeurwaarder, in welk geval deze voor dat handelen onder omstandigheden tuchtrechtelijk zou kunnen worden aangesproken, zodat ook uit dien hoofde de gerechtsdeurwaarder niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor hun handelen.

3.4. Op grond van het voorgaande kan klager niet worden ontvangen in zijn klacht.

3.5. Het vorenoverwogene leidt tot de navolgende beslissing.

4. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de beslissing van de kamer;

- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, G.Chr. Kok en P.J.N. van Os en in het openbaar uitgesproken op donderdag 3 februari 2005.

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 4 mei 2004 als bedoeld in artikel 43 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet in de klacht met zaaknummer 359.2003 van:

[ ],

wonende te [ ],

klager,

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde.

Verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen van 8 december 2003 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder.

Bij brief van 21 januari 2004 heeft de gerechtsdeurwaarder een reactie gegeven op de klacht.

Bij brief met bijlagen van 27 februari 2004 heeft klager op de reactie van de gerechtsdeurwaarder gereageerd.

Door klager is aan de Kamer tevens overgelegd een klachtschrijven met bijlagen gericht aan het bestuur van het gerechtshof te [ ] van 24 februari 2004.

Voormeld klachtschrijven is door klager op 25 februari 2004 aan de gerechtsdeurwaarder ter hand gesteld.

De klacht is behandeld ter terechtzitting van 23 maart 2004 alwaar klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen.

Klager heeft pleitaantekeningen overgelegd, waarvan is kennisgenomen.

Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 4 mei 2004.

Gronden van de beslissing

1. De Feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

a) Klager heeft een advocaat en diens opdrachtgever gedagvaard voor de kantonrechter te [ ]egens onrechtmatig handelen door executiemaatregelen tegen hem te treffen op tijdstippen waarop de vordering al was voldaan. Bij vonnis van 11 juli 2002 heeft de kantonrechter de tegen de opdrachtgever ingestelde vordering in conventie toegewezen. De door klager tegen de advocaat ingestelde vordering is afgewezen. De gedaagden hebben van dit vonnis appel ingesteld bij het Gerechtshof te [ ].

b) Bij arrest van 23 september 2003 heeft het Gerechtshof te [ ] voormeld vonnis van de kantonrechter vernietigd en onder meer klager in conventie veroordeeld tot terugbetaling van het meerdere dat de opdrachtgever reeds ter uitvoering van het vonnis waarvan beroep, aan klager had voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente. Het Hof heeft de kosten van eerste aanleg gecompenseerd. In reconventie is klager veroordeeld tot betaling aan de opdrachtgever van € 6.162,17 met wettelijke rente en tot betaling aan de advocaat ten titel van immateriële schadevergoeding van een bedrag van € 500,-- met wettelijke rente en is klager in de kosten van eerste aanleg veroordeeld aan de zijde van de opdrachtgever begroot op € 1.170,--. De kosten in conventie en reconventie in hoger beroep zijn door het Hof gecompenseerd.

c) Bij exploot van 4 december 2003 heeft [ ], toegevoegd kandidaat gerechtsdeurwaarder werkzaam ten kantore van [ ], gerechtsdeurwaarder te [ ] een grosse van voormeld arrest aan klager betekend met bevel aan de inhoud daarvan te voldoen.

d) Bij brief van 11 december 2003 heeft de advocaat van [ ] de advocaat van klager samengevat onder meer medegedeeld dat hij de gerechtsdeurwaarder heeft verzocht de executie tot nader order te staken, “dat wil zeggen totdat opheldering is verkregen.”

e) Bij brief van 16 december 2003 heeft de advocaat aan het Gerechtshof te [ ] onder meer geschreven:”In bovengenoemde zaak is een in executoriaal vorm opgemaakt afschrift verstrekt, waarbij, voorzover ik kan overzien, de rolraadsheer geen handtekening heeft gezet. Ik heb begrepen dat de minuut wel is voorzien van de noodzakelijke handtekeningen. Ingevolge artikel 231 lid 2 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering verzoek ik u mij een tweede in executoriale vorm opgemaakt afschrift van het arrest te verstrekken zodat tot tenuitvoerlegging van het arrest kan worden overgegaan.”

f) Bij exploot van 24 februari 2003, welke datum bij herstelexploot van 9 maart 2004 is hersteld in 24 februari 2004, heeft [ ] als toegevoegd kandidaat-deurwaarder werkzaam ten kantore van [ ], gerechtsdeurwaarder te [ ] een tweede grosse van het door het Gerechtshof te [ ] op 23 september 2003 gewezen arrest aan klager betekend.

2. De klacht

Klager klaagt –samengevat- allereerst over het feit dat het exploot van betekening van 4 december 2003 niet is medeondertekend door een toezichthoudend gerechtsdeurwaarder.

Hierdoor is het niet duidelijk of het exploot rechtsgeldig is uitgebracht.

Daarnaast heeft de gerechtsdeurwaarder nagelaten zijn opdracht met betrekking tot het betekenen en executeren van een hem reeds op voorhand bekende rechtsongeldige grosse van het arrest te weigeren en terug te sturen naar zijn opdrachtgevers. De gerechtsdeurwaarder was reeds op 20 oktober 2003 bekend met het feit dat het hier een rechtsongeldig arrest betrof omdat het arrest anders dan wettelijk voorgeschreven was ondertekend door de voorzitter en de griffier als vermeld in artikel 230 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv).

De grosse van dit arrest was evenmin ondertekend, gedagtekend en voor eensluidend afschrift gestempeld als bedoeld in artikel 231 Rv. Klager is van mening dat de gerechtsdeurwaarder verwijtbaar, toerekenbaar en laakbaar heeft gehandeld in strijd met zijn taak en ambtsuitoefening door het willens en wetens uitbrengen van een exploot met aanzegging en executie inzake een niet rechtsgeldige grosse van een arrest, beweerdelijk zijnde een authentieke akte.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de klacht. Voor zover van belang wordt dit verweer hierna besproken.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Ten aanzien van de klacht dat de grosse van 4 december 2003 niet is medeondertekend door een toezichthoudend gerechtsdeurwaarder geldt het volgende. Het is voor de Kamer niet duidelijk waarop deze stelling van klager is gebaseerd. De door klager aangehaalde wetsartikelen uit de Gerechtsdeurwaarderswet houden deze eis niet in. Artikel 46 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering j° artikel 15 van de Gerechtsdeurwaarderswet schrijven voor welke gegevens in een exploot dienen te worden opgenomen. Ook deze artikelen bevatten de door klager gestelde eis niet. Dit onderdeel van de klacht dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

4.2 Bij de beoordeling van de overige onderdelen van de klacht geldt als uitgangspunt dat een gerechtsdeurwaarder ingevolge het bepaalde in artikel 11 van de Gerechtsdeurwaarderswet, met uitzondering van de in dit artikel genoemde gevallen welke hier niet aan de orde zijn, te allen tijde verplicht is in het gehele arrondissement waarin zijn plaats van vestiging is gelegen de ambtshandelingen waartoe hij bevoegd is, te verrichten wanneer hierom wordt verzocht.

Blijkens de memorie van toelichting op dit artikel vervult de ministerieplicht een centrale functie. Onder meer vormt zij een waarborg voor justitiabelen dat waar zij ingevolge de wet zijn aangewezen op de ambtelijke tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder, deze zijn ambtelijke diensten ook daadwerkelijk zal verlenen. Op het moment dat een gerechtsdeurwaarder een opdracht tot het verrichten van een ambtshandeling ontvangt en er geen uitsluiting van bevoegdheid is, is daarmee de bevoegdheid een feit en automatisch de verplichting ontstaan tot het verrichten van de ambtshandeling. Hieruit volgt dat van een gerechtsdeurwaarder geen diepgaand onderzoek naar de rechtsgeldigheid van een aan hem ter hand gestelde titel kan worden verlangd. Indien een titel eenmaal is vastgesteld, dan dient de wenselijkheid van uitvoering daarvan niet opnieuw beoordeeld te worden door een gerechtsdeurwaarder. Indien er een geschil ontstaat met betrekking tot de (verdere) tenuitvoerlegging van een executoriale titel geeft artikel 438 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering daarvoor een algemene regeling.

4.3 Uit de stukken en de daarop door de gerechtsdeurwaarder ter terechtzitting gegeven nadere toelichting is de Kamer het volgende gebleken. De gerechtsdeurwaarder heeft de opdracht gekregen een door het Gerechtshof te [ ] op 23 september 2003 gewezen arrest aan klager te betekenen. De gerechtsdeurwaarder heeft aangevoerd dat hij geen reden had om de titel zoals die hem ter hand was gesteld niet te betekenen. Hij heeft de titel getoetst op volledigheid, te weten gecontroleerd op de aanwezigheid van de woorden “In naam der Koningin” aan hoofd van het arrest en de uitgifte voor grosse.

Zoals hiervoor onder 4.2 reeds opgemerkt mag naar het oordeel van de Kamer verder onderzoek niet van een gerechtsdeurwaarder worden verlangd. Het betrof hier een naar zijn kennelijke verschijningsvorm een door een Gerechtshof gewezen arrest. Of er sprake was van een “rechtsongeldige grosse” als door klager gesteld, staat naar het oordeel van de Kamer niet ter beoordeling van de gerechtsdeurwaarder. De vraag of een arrest non-existent, nietig of, in de woorden van klager, rechtsongeldig is, kan slechts door het aanwenden van een rechtsmiddel aan de orde worden gesteld. Dat de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder het zekere voor het onzekere heeft genomen en een tweede grosse van het arrest heeft verzocht, doet hieraan niet af. Dat de grosse niet zou zijn ondertekend door een persoon die, naar de Kamer begrijpt, niet door het bestuur van het Gerechtshof te [ ] als gerechtsambtenaar was aangewezen, staat evenmin ter beoordeling van de gerechtsdeurwaarder. Er bestaat voor de gerechtsdeurwaarder geen onderzoeksplicht naar de vraag door welke griffier het arrest voor grosse is afgegeven.

4.4 Naar het oordeel van de Kamer stuit de door klager op dit punt ingediende klacht hierop af. Alles wat verder door klager is aangevoerd kan verder buiten beschouwing blijven. De gerechtsdeurwaarder mocht naar het oordeel van de Kamer uitgaan van de juistheid van de hem ter hand gestelde titel. Tegen de achtergrond van de ministerieplicht kan meer van de gerechtsdeurwaarder niet worden verlangd. Al hetgeen klager verder heeft aangevoerd in zijn klachtschrijven aan het bestuur van het Gerechtshof te [ ] staat verder niet ter beoordeling van de tuchtrechter. Gelet op de door klager geuite bezwaren had het op zijn weg gelegen onmiddellijk na de betekening van het arrest een executieprocedure aan te spannen en/of een rechtsmiddel tegen het gewezen arrest in te stellen. Naar het oordeel van de Kamer

is niet gebleken dat de gerechtsdeurwaarder heeft gehandeld in strijd met de tuchtrechtelijke norm.

5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

- verklaart de klachten ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.S.W. Holtrop, plaatsvervangend-voorzitter, mr. M.M. Beins en

J. Smit, (plaatsvervangend) leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 mei 2004 in tegenwoordigheid van de secretaris, F.C.H. Krieger.

Coll.:

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.