Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AS7970

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2005
Datum publicatie
25-02-2005
Zaaknummer
03/1826 DK
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Douanekamer is van oordeel dat de door KSIL aan KSI betaalde royalty's geen voorwaarde vormen voor de verkoop van schoenen met de merknaam 'M' door niet-gelieerde fabrikanten aan KSIL, als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het CDW juncto artikel 157, tweede lid, van de UCDW. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

In de zaak nr. 03/1826 DK

de dato 25 februari 2005

1. De procedure

1.1. Op 14 april 2003 is een beroepschrift ingekomen bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: Douanekamer) van mr. A en mr. B van C Advocaten Belastingadviseurs Notarissen te Z, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid D B.V. te Y, belanghebbende. Het beroepschrift is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/ Douane Y, kantoor X (hierna: de inspecteur) van 7 april 2003, kenmerk 02/427/......, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de op het aanslagbiljet van 6 augustus 2002, nummer 8087.16.128/.........., vermelde uitnodigingen tot betaling, ten bedrage van in totaal € 92.108,31 aan douanerechten, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de griffier een griffierecht van € 232,-- geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Namens belanghebbende is op 22 december 2003 een conclusie van repliek ingekomen. Op 20 januari 2004 is een conclusie van dupliek van de inspecteur ontvangen.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 18 januari 2005. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak geregistreerd onder het nummer 03/1831 DK. Daar zijn verschenen namens belanghebbende E en F, vergezeld van G (H B.V.), H en I (C). Namens de inspecteur is verschenen mr. J, tot bijstand vergezeld van K. De gemachtigde en de inspecteur hebben ieder een pleitnota overgelegd en voorgelezen. De inspecteur heeft een gedeelte van een zogeheten “Form 10 K” over het jaar 2000 van het in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: USA) gevestigde M Inc. (hierna: KSI) aan de Douanekamer overgelegd. Belanghebbende heeft van dit stuk kennis kunnen nemen en zich erover kunnen uitlaten. De Douanekamer rekent dit gedeelte tot de gedingstukken.

2. De feiten

2.1. Belanghebbende, douane-expediteur, heeft, voor zover hier van belang, gedurende de periode van 1 januari 1999 tot en met 27 december 2001 in opdracht van de te Bermuda gevestigde M Ltd. (hierna: KSIL) diverse aangiften voor het vrije verkeer gedaan voor sportschoeisel van het merk M (hierna: de goederen). De goederen zijn telkens conform de aangiften in het vrije verkeer gebracht.

2.2. KSIL is een volledige dochter van de in de USA gevestigde M Inc. (hierna: KSI). Het M concern houdt zich bezig met de wereldwijde ontwikkeling, ontwerp, vervaardiging en handel van sportschoeisel en -kleding onder de merknaam M. KSIL richt zich voorzover van belang op de vervaardiging, distributie en verkoop van M producten buiten de VS, Canada en het Caribisch gebied, welke producten zij, behoudens in vermelde gebieden op eigen naam en voor eigen risico op de markt brengt. In dat kader heeft KSIL met KSI op 10 juni 1991 een zogenoemde Non-Exclusive International Trademark Licence Agreement (hierna: de Overeenkomst) gesloten.

In deze Overeenkomst, waarin KSI als “Licensor” en KSIL als “Licensee” wordt aangeduid, is, voorzover hier van belang, het volgende vermeld:

“(...)

Witnesseth:

(…)

Whereas, Licensee wishes to acquire, and Licensor has agreed to grant to Licensee, the right to use the Trademarks in connection with the manufacture and sale of the Products in those countries stated in Article 1.1

(…)

Article 1: Grant

1.1 Subject to the terms and conditions hereof, Licensor hereby grants to Licensee the non-exclusive right to use the Trademarks to manufacture or have manufactured the Products outside the United States for the distribution, promotion and sale of such products (…).

(...)

Article 2: Quality control

2.1 Licensee shall comply strictly with all procedures, standards and instructions prescribed or furnished by Licensor from time to time in respect of use of the Trademarks.

2.2 Licensee will (...) provide Licensor with samples and copies of the Products and all packaging, promotional material, labels, advertisements, stationery, directory listings, signs and other materials upon which the Trademarks appear and which are to be used, offered or supplied by Licensee. The use of all such materials shall be subject to the approval of Licensor, and Licensee shall promptly undertake all such alterations, modifications and amendments as Licensor may reasonably request form time to time.

2.3 (…) Licensee shall permit Licensor (…) to inspect Licensee’s premises and all materials bearing the Trademarks in order to evaluate Licensee’s compliance (...).

(…).”.

In artikel 3 van de Overeenkomst is vastgelegd dat KSIL als vergoeding voor de door haar verkregen rechten betaling van een royalty aan KSI is verschuldigd ter grootte van 4% van haar netto omzet behaald bij de verkoop van de goederen.

2.3. Voor de productie van M producten maakt KSIL gebruik van voornamelijk in Azië gevestigde “contract manufacturers” (hierna: fabrikanten). Deze fabrikanten zijn gelieerd aan KSIL noch aan KSI.

Van de ingevoerde schoenen bevat 50% tot 60% een bijzondere demping op basis van siliconen. Deze demping wordt door belanghebbende aangeduid als het “N concept”. Dit concept is in de USA, doch niet in Europa geoctrooieerd.

2.4. Bij KS is in 2002 een onderzoek ingesteld door het Landelijk Waardeteam van de Belastingdienst. Het onderzoek betrof de door belanghebbende aangegeven douanewaarde van de goederen die zij gedurende het tijdvak van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001 in opdracht van KSIL voor het vrije verkeer heeft aangegeven. In het ter zake van dit onderzoek op 29 juli 2002 opgemaakte rapport heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de royaltybetalingen door KSIL aan KSI op grond van artikel 32, eerste lid, onderdeel c, van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) in de douanewaarde hadden moeten worden begrepen.

2.5. Naar aanleiding van het sub 2.4. vermelde rapport heeft de inspecteur de sub 1.1. vermelde uitnodigingen tot betaling uitgereikt. Belanghebbende heeft daartegen tijdig bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft dit bezwaar afgewezen.

2.6. Het sub 1.3. vermelde deel van het Form 10 K van KSI luidt, voorzover hier van belang, als volgt: “We selectively seek to register the names of our shoes, logos and the names given to certain of our technical and performance innovations, including (...) Silicone Formula N.”.

3. Het geschil

In geschil is of de inspecteur, bij het vaststellen van de douanewaarde van de door belanghebbende ingevoerde goederen terecht de prijs op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het CDW heeft verhoogd met de royaltybetalingen van KSIL aan KSI.

Niet in geschil is dat de prijs van de transactie tussen de fabrikanten en KSIL uitgangspunt is voor de bepaling van de douanewaarde als bedoeld in artikel 29 van het CDW. Evenmin is in geschil dat de royaltybetalingen door KSIL betrekking hebben op de producten waarvan de douanewaarde moet worden bepaald.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. De royaltybetalingen van KSIL aan KSI vormen geen verkoopvoorwaarde als bedoeld in artikel 160 juncto artikel 157 van de Uitvoeringsverordening CDW (hierna: UCDW), zodat de douanewaarde niet hoeft te worden verhoogd met de royaltybetalingen.

4.2. KSI heeft geen rechtstreekse zeggenschap over de productie en de verkoop van de onderhavige goederen en evenmin onrechtstreekse zeggenschap over de fabrikanten in de zin van Conclusie nr. 24. Royalty’s en licentierechten van het Comité Douanewetboek, afdeling douanewaarde (hierna: Conclusie nr. 24). Er bestaat geen enkele rechtsverhouding tussen KSI en de fabrikanten. De fabrikanten worden rechtstreeks benaderd door KSIL. KSI heeft hier geen enkele invloed op. Dit is ook zo verwoord in artikel 1 van de Overeenkomst. De door de inspecteur genoemde elementen zien uitsluitend op een klein gedeelte van de productie van de goederen en kunnen niet tot de conclusie leiden dat sprake is van onrechtstreekse zeggenschap van KSI over de fabrikanten. Ook heeft KSI geen zeggenschap over de productie van de goederen.

4.3. Het N concept is slechts in de Verenigde Staten door een octrooi beschermd en niet in het territorium waarop de Overeenkomst ziet. Een dempingconcept door middel van siliconen wordt door vele schoenenfabrikanten toegepast. De schoenen kunnen derhalve niet als specifiek voor KSI worden beschouwd in de zin van Conclusie nr. 24. Mocht de Douanekamer van oordeel zijn dat de schoenen wel specifiek zijn, dan had het op de weg van de inspecteur gelegen om per aangifte aan te tonen welke schoenen een dempingconcept hadden. Alleen die aangiften hadden mogen worden gecorrigeerd.

4.4. Artikel 159 van de UCDW bevat aanvullende voorwaarden voor het bijtellen van royaltybetalingen voor het recht op een fabrieks- of handelsmerk. Het staat KSIL geheel vrij diverse, wisselende fabrikanten te contracteren. Dit leidt ertoe dat niet is voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van evenbedoeld artikel, zodat de royaltybetalingen niet bij de douanewaarde hoeven te worden opgeteld.

4.5. Ter zitting heeft belanghebbende nog het volgende aangevoerd.

Waar het hier om schoenen gaat, is het trademark aan controle onderhevig. Deze controle wordt achteraf verricht. Als het product kwalitatief niet goed is, wil de licentieverlener wijzigingen kunnen aanbrengen. Het N concept betreft siliconen en wijkt in technisch opzicht niet af van andere dempingconcepten in schoenen van andere fabrikanten. Het N concept maakt de schoenen niet specifiek voor KSI. Het Form 10 K dient voor de beursnotering van KSI in de Verenigde Staten, en is in casu niet van belang.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Op grond van artikel 32, eerste lid, onderdeel c, van het CDW juncto artikel 157, tweede lid, van de UCDW, wordt een royalty slechts bij de douanewaarde opgeteld als de betaling betrekking heeft op de ingevoerde goederen en een verkoopvoorwaarde vormt.

5.2. Niet in geschil is dat de royalty’s betrekking hebben op de ingevoerde goederen. In het onderhavige geval worden de royalty’s door KSIL aan een derde, KSI, betaalt. Artikel 160 van de UCDW bepaalt dat wanneer de koper de royalty aan de derde betaalt, de in artikel 157, tweede lid, van de UCDW bedoelde voorwaarden slechts zijn vervuld indien de verkoper of een met deze verbonden persoon de betaling van de koper verlangt.

5.3. In Conclusie nr. 24 worden een aantal elementen genoemd, die erop kunnen wijzen dat de licentieverlener voldoende rechtstreekse of onrechtstreekse zeggenschap heeft over de fabrikant, om de betaling van de royalty als verkoopvoorwaarde te beschouwen. De elementen hebben betrekking op de goederen, op de fabrikant en op de zeggenschap door de licentieverlener.

5.4. Uit artikel 2 van de Overeenkomst blijkt dat de licentieverlener de licentieverkrijger kan verplichten om op eigen kosten monsters en dergelijke te laten overleggen van die producten waaraan de merknaam M zal worden bevestigd. Ook blijkt dat er goedkeuring van KSI moet worden verkregen voor het gebruik van al die materialen die zijn genoemd in dit artikel. KSIL dient direct actie te ondernemen indien KSI vindt dat er aanpassingen moeten plaatsvinden op de goederen. Daarnaast moet KSIL inspecties toestaan onder andere op het gebruikte materiaal. De ingevoerde schoenen zijn gelet op het logo van M, het N concept en het registered trademark daarvoor, specifiek voor KSI. Al deze elementen hebben betrekking op de goederen en op de zeggenschap door de licentieverlener.

5.5. De sub 5.4. vermelde elementen leiden, in onderling verband gezien, tot de conclusie dat KSI onrechtstreekse zeggenschap heeft over de fabrikanten, zodat de royaltybetaling als een verkoopvoorwaarde moet worden beschouwd. Dientengevolge moeten de royaltybetalingen bij de douanewaarde worden opgeteld.

5.6. Ter zitting heeft de inspecteur nog het volgende aangevoerd.

Artikel 159 van de UCDW is in casu niet van toepassing, omdat dit artikel alleen ziet op een situatie waarin de licentieverlener tevens de verkoper van de goederen is. Overeenkomsten als de onderhavige moeten worden beoordeeld aan de hand van Conclusie nr. 24. Twee van de drie elementen genoemd in deze conclusie zijn voldoende voor het aannemen van onrechtstreekse zeggenschap. De onrechtstreekse zeggenschap volgt uit artikel 2 van de Overeenkomst. Gelet op het sub 2.6. aangehaalde deel van het Form 10 K is het N concept wel degelijk specifiek voor KSI.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het CDW, juncto artikel 157, tweede lid, van de UCDW wordt, voorzover hier van belang, voor het vaststellen van de douanewaarde met toepassing van artikel 29 van het CDW de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs verhoogd met royalty’s en licentierechten met betrekking tot de goederen waarvan de waarde dient te worden bepaald, die de koper, als voorwaarde voor de verkoop van deze goederen, hetzij direct, hetzij indirect moet betalen, voorzover deze royalty’s en licentierechten niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn begrepen. Artikel 160 van de UCDW bepaalt dat, wanneer de koper een royalty aan een derde betaalt, de voormelde voorwaarden slechts worden geacht te zijn vervuld, indien de verkoper of een met deze verbonden persoon die betaling van de koper verlangt.

6.2. In Conclusie nr. 24, welke dient ter bevordering van een uniforme praktijk in de Europese Gemeenschappen, heeft het Comité Douanewetboek, afdeling douanewaarde, haar standpunt verwoord met betrekking tot een praktijk geval inzake royalty’s en licentierechten. Het Comité geeft, voorzover hier van belang, als haar opvatting dat wanneer royalty’s worden betaald aan een partij die rechtstreeks zeggenschap heeft over de productie en de verkoop van de goederen, of onrechtstreeks zeggenschap heeft over de fabrikant, dit in het algemeen als een verkoopvoorwaarde kan worden beschouwd. Daarbij vermeldt het Comité een aantal elementen welke erop kunnen wijzen dat de licentieverlener voldoende rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap heeft over de fabrikant om de betaling van royalty’s als een voorwaarde voor de exportverkoop te beschouwen. Tot die elementen behoren elementen die op de goederen betrekking hebben, zoals het gegeven dat de geproduceerde goederen goederen zijn die specifiek zijn voor de licentieverlener, alsmede elementen die op de fabrikant betrekking hebben en elementen die op de zeggenschap door de licentieverlener zien. Voor de toepassing van de sub 6.1. genoemde wettelijke bepalingen zoekt de Douanekamer mede aansluiting bij deze conclusie.

6.3. Gelet op artikel 1.1. van de Overeenkomst is het KSIL onder de in de Overeenkomst opgenomen termen en voorwaarden toegestaan om het handelsmerk “M” te gebruiken voor producten die zijn vervaardigd buiten de Verenigde Staten. De bepalingen in artikel 2.1. tot en met 2.3. van de Overeenkomst strekken blijkens de bewoordingen ertoe de kwaliteit van het handelsmerk, gebruikt op de vervaardigde producten en op de in artikel 2.2. vermelde goederen, te waarborgen. Deze enkele omstandigheid brengt naar het oordeel van de Douanekamer niet mee dat KSI onrechtstreeks, laat staan rechtstreeks, zeggenschap heeft over de fabrikanten als bedoeld in Conclusie nr. 24. Voorts acht de Douanekamer aannemelijk hetgeen belanghebbende omtrent het N concept heeft aangevoerd, zodat de ingevoerde schoenen in die zin niet als specifiek voor de licentieverlener kunnen worden aangemerkt. Ook overigens zijn de Douanekamer uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting geen feiten of omstandigheden gebleken die de gevolgtrekking zouden kunnen rechtvaardigen dat KSIL de royalty’s als voorwaarde voor de verkoop van de goederen moet betalen. Mitsdien moet worden geconcludeerd dat geen sprake is van een verkoopvoorwaarde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het CDW juncto artikel 157, tweede lid, van de UCDW.

6.4. Uit het sub 6.1. tot en met 6.3. overwogene volgt dat in het onderhavige geval geen plaats is voor een verhoging van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen met de royaltybetalingen.

6.5. Gelet op het bovenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard en moeten de uitspraak, waarvan beroep, en de uitnodigingen tot betaling worden vernietigd.

7. De proceskosten

7.1. De Douanekamer acht termen aanwezig de inspecteur op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te veroordelen in de proceskosten, welke met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op 2,5 (beroepschrift, repliek, verschijnen ter zitting) x 1,5 (gewicht) x € 322,-- = € 1.207,50.

7.2. In de conclusie van repliek heeft belanghebbende uitsluitend verzocht de inspecteur te veroordelen in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb. Hieruit leidt de Douanekamer af dat belanghebbende haar oorspronkelijke verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb heeft laten varen, temeer daar dit verzoek in het beroepschrift noch in de conclusie van repliek, noch ter zitting is toegelicht.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep;

- vernietigt de uitnodigingen tot betaling;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten, groot € 1.207,50, aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht ad € 232,-- te vergoeden.

Aldus vastgesteld op 25 februari 2005 door mr. A. Bijlsma, voorzitter, mr. J.J.A.M. Kennis en mr. M.E. van Hilten, leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. T.A.J.S. Hesselink, griffier.

De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.