Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AS7166

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2005
Datum publicatie
02-03-2005
Zaaknummer
02/06099
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:AZ6888, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:AZ6888
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft twee auto’s onder toepassing van de verhuisboedelvrijstelling vrij van rechten ingevoerd in Nederland. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de auto’s binnen 12 maanden na aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer heeft overgedragen zonder daarvan de inspecteur in kennis te stellen. Hieruit volgt dat gelet op artikel 7 Verordening Douanevrijstelling in samenhang met artikel 21, eerste lid, Wet OB douanerechten en omzetbelasting verschuldigd zijn geworden. Omdat belanghebbende de overdracht van de auto’s niet heeft gemeld aan de inspecteur, is er sprake van een strafbaar feit in de zin van artikel 47 en 48 Douanewet zodat de termijn waarbinnen kan worden nageheven op grond van artikel 22e, eerste lid AWR 5 jaar bedraagt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 22e
Wet op de omzetbelasting 1968 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-0478
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

In de zaak nr. 02/6099

de dato 14 februari 2005

1. De procedure

1.1. Op 22 oktober 2002 is bij de griffie van de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam een beroepschrift ingekomen, ingediend door X te Z, Verenigde Staten van Amerika, belanghebbende.

1.2. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst/Douanedistrict P, de inspecteur, van 20 augustus 2001, kenmerk 01/426/225/143, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de uitnodigingen tot betaling van 30 januari 2001, nummer 0000000.0441/3895 ten bedrage van ƒ 7.227,60 aan douanerechten en ƒ 13.913,00 aan omzetbelasting werd afgewezen.

1.3. Van belanghebbende is door de griffier een griffierecht van € 109 geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Op 14 april 2004 is van belanghebbende een conclusie van repliek ingekomen, op 1 juni 2004 van de inspecteur een conclusie van dupliek.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 13 december 2004. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en namens de inspecteur mr. A.

2. De feiten

2.1. Belanghebbende heeft ultimo 1996, onder verwijzing naar zijn verhuizing vanuit de Verenigde Staten van Amerika naar Nederland op 26 oktober 1996, de inspecteur verzocht om twee personenauto’s met vrijstelling van - voor zover hier van belang - douanerechten en omzetbelasting in te mogen voeren. Het verzoek betrof twee personenauto’s van het merk Chrysler Jeep, type Grand Cherokee met respectievelijk chassisnummer (...), bouwjaar 1995 en kenteken 111 (hierna: auto 1) en chassisnummer (...), bouwjaar 1996 en kenteken 222 (hierna: auto 2). Belanghebbende heeft auto 1 op 8 augustus 1995 in de Verenigde Staten van Amerika gekocht en auto 2 op 20 februari 1996.

2.2. Op 27 november 1996 heeft de inspecteur bij twee afzonderlijke beschikkingen het onder 2.1. vermelde verzoek, onder verwijzing naar de bijgevoegde toelichting en voorwaarden, toegewezen. De beschikking met kenmerk 1-545 V’96 heeft betrekking op auto 1 en de beschikking met kenmerk 1-544 V’96 op auto 2. In de beschikkingen en de evenbedoelde toelichting daarbij staat voor zover hier van belang het volgende vermeld:

“Betreft: vrijstellingsvergunning invoer motorrijtuig in verband met verhuizing

(…)

Ik heb besloten uw verzoek in te willigen. Deze brief met bijlagen is een vergunning voor de invoer van een motorrijtuig met vrijstelling van belasting. (…)

Toelichting

(…)

3. De vrijstelling is voorwaardelijk

Als niet wordt voldaan aan alle voorwaarden en bepalingen van deze vergunning, moet u alsnog de belasting betalen, plus eventueel een boete.

Voorwaarden

(…)

2. Het motorrijtuig mag niet worden verkocht of verhuurd

U mag het motorrijtuig dat u met vrijstelling heeft ingevoerd niet uitlenen, verpanden, verhuren of overdragen. Dit geldt tot twaalf maanden na de aangifte ten invoer. Wilt u het motorrijtuig toch binnen twaalf maanden uitlenen, verpanden, verhuren of overdragen, dan moet u dat van te voren schriftelijk melden bij de Douane. U moet dan alsnog de belasting betalen.”

2.3. Op 28 november 1996 is van auto 1 en op 4 december 1996 is van auto 2 de aangifte voor het vrije verkeer met toepassing van de zogeheten verhuisboedelvrijstelling aanvaard. Op 6 december 1996 is voor auto 1 kentekenbewijs deel I afgegeven met kenteken AA-BB-11. Auto 1 heeft op naam van belanghebbende gestaan tot en met 7 december 1997. Op 13 december 1996 is voor auto 2 kentekenbewijs deel I afgegeven met kenteken CC-DD-22. Auto 2 heeft tot en met 12 december 1997 op naam van belanghebbende gestaan. Beide auto’s waren vanaf 6 januari 1997 als geschorst geregistreerd als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6 van de Wegenverkeerswet.

2.4. Op 6 december 1999 heeft belanghebbende de inspecteur - onder verwijzing naar zijn verhuizing vanuit de Verenigde Staten van Amerika naar Nederland per 18 november 1999 - verzocht om vrijstelling van douanerechten en omzetbelasting voor de invoer vanuit de Verenigde Staten van Amerika van een personenauto van het merk Lexus, type RX 300, chassisnummer (...), bouwjaar 1999 en kenteken 333.

2.5. Naar aanleiding van het onder 2.4. vermelde verzoek heeft de Fiscale inlichtingen en opsporingsdienst (hierna: Fiod) een onderzoek ingesteld bij belanghebbende. Het onderzoek heeft zich mede gericht op de onder 2.3. vermelde invoer van de auto’s 1 en 2 met toepassing van de verhuisboedelvrijstelling.

2.6. In het kader van het onder 2.5. vermelde onderzoek heeft de Fiod, naar aanleiding van de wijziging van de tenaamstelling in het kentekenregister van auto 1 per 8 december 1997, de nieuwe eigenaar van auto 1 gehoord. Blijkens het ter zake opgemaakte proces-verbaal van verhoor heeft de nieuwe eigenaar auto 1 gekocht van een autodealer. De auto stond in de showroom van deze dealer. De Fiod heeft vervolgens bij deze dealer, een Chrysler-dealer, nader onderzoek ingesteld en vernomen dat deze auto 1 op 10 februari 1997 heeft aangekocht van belanghebbende. Bij de Chrysler-dealer zijn de volgende tot de stukken van het geding behorende afschriften aangetroffen:

- een orderbevestiging van de dealer van 24 september 1997 inzake auto 1 blijkens welke hij de auto eind oktober 1997 zal leveren aan de nieuwe eigenaar;

- een factuur, gedateerd 10 oktober 1997, voor een totaal bedrag van ƒ 85.973 (inclusief bijkomende kosten) voor de verkoop van auto 1 aan de nieuwe eigenaar voor de “kale prijs” van ƒ 85.000;

- een afschrift van de rekening bij ABN/AMRO van de dealer, gedateerd 7 oktober 1997, waarop een debetboeking staat vermeld van ƒ 85.973 voor een Grand Cherokee;

- een afschrift uit het grootboek van de dealer waarin een boeking is opgenomen, gedateerd 11 februari 1997, van een betaling aan belanghebbende per bank van ƒ 40.000 en van een betaling van ƒ 23.000 in contanten inzake een Grand Cherokee;

- een afschrift uit het kasboek van de dealer over de maand februari 1997 waarin is opgenomen een kasbetaling op 10 februari 1997 van ƒ 23.000 inzake de aankoop van een Grand Cherokee (deelbetaling);

- een afschrift van de rekening bij de Rabobank van de dealer waarop staat vermeld een debetboeking gedateerd 11 februari 1997 van ƒ 40.000 ten name van belanghebbende.

2.7. De Fiod heeft naar aanleiding van de wijziging van de tenaamstelling in het kentekenregister van auto 2 per 13 december 1997 eveneens de nieuwe eigenaar van auto 2 gehoord. In het ter zake opgemaakte proces-verbaal van verhoor staat onder meer het volgende vermeld:

“Ik heb de personenauto van een meneer belanghebbende gekocht. Begin 1997, het was in elk geval nog in de winter, las ik in de Telegraaf een advertentie waarin deze auto te koop werd aangeboden. (…) Ik heb met belanghebbende een afspraak gemaakt en zijn met mijn familie gaan kijken. Dat is ongeveer een week later geweest nadat de advertentie in de krant stond. (…) Belanghebbende vertelde mij dat hij de auto pas na een jaar aan mij mocht verkopen. (…) Belanghebbende stelde voor om de auto te betalen en bij mij neer te zetten en mij het kentekenbewijs te geven. Ik kon dan op 13 december de auto op naam laten overschrijven. Ik wilde dat niet en heb hem gezegd dat hij de auto maar tot aan die datum, 13 december, onder zijn beheer moest houden. Begin oktober, 2 oktober 1997 is belanghebbende, samen met zijn vrouw, bij mij geweest en heeft de auto bij mij neer gezet. Hij vertelde mij dat hij dringend naar het buitenland moest en dat hij rond 13 december 1997 niet meer in Nederland zou zijn. Ik heb toen de auto aan hem contant betaald en vanaf dat moment heeft de auto bij mij in de garage gestaan. (…) De auto heeft van 2 oktober tot het moment dat ik hem op mijn naam heb laten zetten, altijd bij mij in de garage gestaan, (…) Ik heb de auto meteen op deze dag, 2 oktober 1997, laten verzekeren. Ik toon u de polis die hier betrekking op heeft en stel u een kopie hiervan ter beschikking. Ook van de koopovereenkomst tussen belanghebbende en mijzelf van 2 oktober 1997 stel ik u het origineel ter beschikking. Op de koopovereenkomst staat dat ik fl 73.000,- voor deze auto heb betaald. (…) Op 13 december 1997 heb ik de auto op mijn naam laten overschrijven. Het vrijwaringbewijs heb ik naar belanghebbende opgestuurd naar zijn adres in R.”

Tot de stukken behoort een kwitantie, gedateerd 2 oktober 1997, waarin voor zover hier van belang is opgenomen:

“Hiermee verklaart belanghebbende (…) fl 73.000,= (…) ontvangen te hebben (…) inzake verkoop van de auto (…) met kenteken AA-BB-11 (…) De overschrijving van het kenteken en daarmee de feitelijke overdracht zal plaats vinden op 27-11-97. De bovengenoemde auto is reeds heden met de kentekenpapieren en de sleutels overgedragen door belanghebbende aan (…)”.

Tot de stukken behoort voorts een afschrift van een verzekeringspolis van de nieuwe eigenaar van auto 2 met ingangsdatum 2 oktober 1997.

2.8. Op 30 januari 2000 heeft belanghebbende het onder 2.4. vermelde verzoek inzake de invoer van een personenauto van het merk Lexus, type RX 300, ingetrokken.

2.9. Naar aanleiding van de resultaten van het Fiod-onderzoek heeft de inspecteur met betrekking tot de auto’s 1 en 2 de litigieuze uitnodiging tot betaling, met dagtekening 30 januari 2001, nummer 0000000.441/3895, ten bedrage van ƒ 7.227,60 aan douanerechten en ƒ 13.913,00 aan omzetbelasting vastgesteld. De uitnodiging tot betaling is per post naar postbus 1 te S verzonden. De inspecteur heeft tevens, op dezelfde datum, een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) vastgesteld.

2.10. Op 5 maart 2001 heeft de schoonzoon van belanghebbende, namens belanghebbende, een pro forma bezwaarschrift ingediend tegen de onder 2.9. vermelde uitnodiging tot betaling. Namens belanghebbende heeft belanghebbendes schoonzoon de inspecteur bij brief van 27 april 2001 een nadere motivering van dit bezwaar doen toekomen. Vervolgens heeft de schoonzoon van belanghebbende bij brief van 3 augustus 2001 de inspecteur laten weten niet langer als gemachtigde van belanghebbende op te treden. Bij brief met dagtekening 20 augustus 2001 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan waarin hij het bezwaar ongegrond heeft verklaard. De inspecteur heeft de uitspraak op bezwaar aan het hem laatst bekende postbusadres van belanghebbende te S gezonden. Nadat belanghebbende de inspecteur ervan in kennis had gesteld de uitspraak op bezwaar niet te kennen heeft de inspecteur een kopie daarvan op 12 september 2002 aan belanghebbende toegezonden. Op 22 oktober 2002 heeft belanghebbende beroep ingesteld.

3. Het geschil

In geschil is of de inspecteur terecht aan belanghebbende de onderhavige uitnodiging tot betaling heeft gedaan. Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen:

- dient de uitnodiging tot betaling te worden vernietigd omdat deze niet op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt?

- dient de uitnodiging tot betaling te worden vernietigd omdat a. de uitspraak op bezwaar niet op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt en/of b. de termijn waarbinnen uitspraak op bezwaar dient te worden gedaan is overschreden?

- dient de uitnodiging tot betaling te worden vernietigd omdat de termijn waarbinnen kan worden nagevorderd is verstreken?

- dient de uitnodiging tot betaling te worden vernietigd omdat belanghebbende ter zake van de invoer van auto 1 en auto 2 op grond van het bepaalde in de artikelen 2 en verder van de Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad van 28 maart 1983 betreffende instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (hierna: de Verordening Douanevrijstellingen), de zogeheten verhuisboedelvrijstelling, recht heeft op vrijstelling van douanerechten respectievelijk op grond van artikel 21, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) juncto de artikelen 2 en verder van de Verordening Douanevrijstellingen recht heeft op vrijstelling van omzetbelasting?

- heeft de inspecteur met het uitreiken van de uitnodiging tot betaling gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel ten gevolge waarvan de uitnodiging tot betaling dient te worden vernietigd?

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Belanghebbende stelt dat de uitnodiging tot betaling niet rechtsgeldig is gedaan omdat deze niet op de voorgeschreven wijze aan hem is bekend gemaakt. De uitnodiging is namelijk naar een niet bestaand postbusadres in S gezonden. Dat brengt mee dat hij formeel gezien de uitnodiging tot betaling niet kent. De uitnodiging tot betaling heeft belanghebbende op informele wijze, “via via”, bereikt.

4.2. Belanghebbende voert voorts aan dat de uitspraak op bezwaar rechtens geacht moet worden niet te bestaan. Deze is immers niet op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Hij heeft deze uitspraak, ten tijde van de bekendmaking op 20 augustus 2001, niet ontvangen. Eerst op 12 september 2002 heeft hij evenbedoelde uitspraak ontvangen. Op dat moment was de termijn van één jaar waarbinnen uitspraak op bezwaar dient te worden gedaan ruimschoots overschreden.

4.3. Belanghebbende brengt verder naar voren dat de auto’s reeds in 1996 met toepassing van de verhuisboedelvrijstelling zijn ingevoerd. De navorderingstermijn van drie jaren was ten tijde van het uitreiken van de uitnodiging tot betalen verstreken.

4.4. Belanghebbende meent voorts dat de verhuisboedelvrijstelling van toepassing is bij de invoer van auto 1 en auto 2. Belanghebbende heeft zijn woonplaats overgebracht vanuit de Verenigde Staten van Amerika naar Nederland en in zoverre kan hij aanspraak maken op toepassing van de verhuisboedelvrijstelling. Belanghebbende betwist dat hij niet aan de voorwaarde heeft voldaan dat de auto’s niet binnen één jaar na datum van invoer mochten worden overdragen. Er was slechts sprake van stalling van de auto’s, met betrekking tot auto 1 bij de Chrysler-dealer en met betrekking tot auto 2 bij een persoon die geïnteresseerd was de auto na afloop van de éénjaarstermijn te kopen. Voorts geeft belanghebbende aan dat hem niet bekend is dat er een artikel in het Burgerlijk Wetboek staat waaruit volgt dat hij onder de gegeven omstandigheden de zeggenschap over de auto’s kwijt zou zijn.

4.5. Belanghebbende stelt zich voorts op het standpunt dat de inspecteur met het uitreiken van de uitnodiging tot betaling in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Belanghebbende verwijst naar artikel 1 van de Grondwet en voert in dit verband aan gelijk te willen worden behandeld met minister Korthals. Minister Korthals kon destijds de bouwfraude niet worden aangerekend omdat hij “formeel” niet op de hoogte was van deze fraude. Hetzelfde dient mutatis mutandis te gelden voor belanghebbende.

4.6. Tot slot merkt belanghebbende op dat de belastingdienst onprofessioneel heeft gehandeld. Belanghebbende concludeert dat het beroep gegrond is en dat de uitnodiging tot betaling dient te worden vernietigd.

4.7. Ingeval de inspecteur in het gelijk wordt gesteld verzoekt belanghebbende het Hof een betalingsregeling te treffen.

4.8. Belanghebbende verzoekt de inspecteur te veroordelen tot een integrale kostenvergoeding.

4.9. Ter zitting heeft belanghebbende, zakelijk weergeven, nog het volgende aan zijn stellingen toegevoegd.

Belanghebbende persisteert bij hetgeen hij al eerder heeft aangevoerd. Met betrekking tot de verlenging van de navorderingstermijn van drie jaar naar vijf jaar geldt dat dit slechts mogelijk is ingeval van strafrechtelijk vervolgbaar handelen. Het is niet aan de inspecteur om te beoordelen of deze situatie zich voordoet; dat kan slechts de strafrechter. In dit verband merkt belanghebbende op feitelijk niet strafrechtelijk vervolgd te zijn.

Belanghebbende merkt op dat hij van mening is dat de uitnodiging tot betaling noch de uitspraak op bezwaar rechtsgeldig tot stand zijn gekomen.

Met betrekking tot het verzoek om kostenvergoeding merkt belanghebbende op dat hij vanwege de mondelinge behandeling van de zaak bij het Hof vanuit de Verenigde Staten van Amerika is overgekomen en dat het ticket € 356 heeft gekost. Het adres waar de uitspraak naar toe moet worden gezonden is A-straat 1, te T.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Met betrekking tot belanghebbendes stelling dat de uitnodiging tot betaling niet rechtsgeldig bekend is gemaakt merkt de inspecteur op dat de uitnodiging belanghebbende klaarblijkelijk wel heeft bereikt gelet op de omstandigheid dat namens hem tijdig bezwaar is aangetekend. De belastingdienst heeft de correspondentie tijdens de bezwaarfase vervolgens gericht aan de schoonzoon van belanghebbende die optrad als gemachtigde. Nadat deze zich terugtrok als gemachtigde heeft de belastingdienst de uitspraak op bezwaar noodgedwongen verstuurd naar het laatst bekende (postbus)adres van belanghebbende. Na de mededeling van belanghebbende dat hij de uitspraak op bezwaar nimmer had ontvangen is deze nogmaals aan hem toegezonden. De inspecteur concludeert dat zowel de uitnodiging tot betaling als de uitspraak op bezwaar rechtsgeldig aan belanghebbende bekend zijn gemaakt. Belanghebbende is door de hiervoor geschetste gang van zaken niet in zijn belangen geschaad. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep is de inspecteur van mening dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De inspecteur stelt het Hof voor het beroep ontvankelijk te verklaren.

5.2. De inspecteur betwist belanghebbendes stelling dat de uitspraak op bezwaar rechtens niet bestaat. De inspecteur brengt naar voren dat de uitspraak binnen de wettelijke beslistermijn van een jaar zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is gedaan. Hieraan doet niet af dat belanghebbende stelt de uitspraak niet te hebben ontvangen. Dit is immers hersteld door hem alsnog een afschrift toe te zenden.

5.3. De termijn waarbinnen een uitnodiging tot betaling moet worden vastgesteld wordt, ingevolge artikel 221, vierde lid, van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) juncto artikel 22e van de AWR verlengd tot vijf jaar indien er sprake is van een strafrechtelijk vervolgbare handeling. De inspecteur voert aan dat in het onderhavige geval gelet op artikel 48, eerste lid, letter b van de Douanewet, artikel 68, tweede lid, van de AWR, dan wel artikel 47 van de Douanewet juncto artikel 7 van de Verordening (EEG) nr. 918/83 sprake is van een strafrechtelijk vervolgbare handeling. De termijn voor boeking achteraf is derhalve vijf jaar. Dat betekent dat de uitnodiging tot betaling binnen de daarvoor gestelde termijn is vastgesteld.

5.4. De inspecteur is van mening dat de verhuisboedelvrijstelling toepassing mist omdat belanghebbende zijn normale verblijfplaats niet heeft overgebracht naar Nederland. Belanghebbende heeft derhalve niet voldaan aan de in dit verband gestelde voorwaarde die verbonden is aan de toepassing van de verhuisboedelvrijstelling. Voorts voert de inspecteur aan dat belanghebbende zich daarenboven niet heeft gehouden aan de in artikel 7, eerste lid, van de Verordening Douanevrijstellingen opgenomen voorwaarde dat de goederen niet mogen worden vervreemd binnen één jaar na de invoer. Uit de door de Fiod vastgestelde feiten concludeert de inspecteur dat belanghebbende beide auto’s binnen één jaar na de datum van invoer heeft verkocht. Voor beide auto’s geldt dat de enige handeling die ná het verstrijken van de termijn van twaalf maanden heeft plaatsgevonden de tenaamstelling van het kenteken is. De daadwerkelijke verkoop, levering en betaling hebben plaatsgevonden binnen evenbedoelde termijn van één jaar.

5.5. Met betrekking tot belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel is de inspecteur van mening dat het geval waar belanghebbende naar verwijst niet vergelijkbaar is met de onderhavige zaak. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel moet worden verworpen.

5.6. Belanghebbendes klacht over de onprofessionele behandeling die hem ten deel is gevallen kan volgens de inspecteur, wat er verder ook van zij, niet leiden tot vernietiging van de uitnodiging tot betaling of van de uitspraak op bezwaar.

5.7. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

5.8. Ter zitting heeft de inspecteur, zakelijk weergegeven, nog het volgende aan zijn stellingen toegevoegd. Belanghebbende heeft eveneens beroep ingesteld tegen de opgelegde naheffingsaanslag in de BPM. De zitting in deze zaak heeft plaatsgevonden op 16 september jl. Er is nog geen uitspraak gedaan. De naheffingsaanslag in de BPM zal in ieder geval worden verminderd in verband met de datum van invoer. Ik heb in de zaak inzake de naheffingsaanslag in de BPM aangeboden, gelet op de wijze waarop een en ander is gelopen, de daadwerkelijk gemaakte kosten te vergoeden evenals de door belanghebbende gemaakte reiskosten. Nu de BPM-zaak en de onderhavige nagenoeg gelijk zijn, resteren voor de onderhavige zaak derhalve uitsluitend de reiskosten. Ik bied aan de kosten van het ticket à € 356 te vergoeden. De inspecteur persisteert voorts bij hetgeen hij in zijn verweerschrift en conclusie van dupliek heeft aangevoerd. Belanghebbende heeft niet aan de voorwaarden van de verhuisboedelvrijstelling voldaan; dat brengt mee dat de eerder verleende vrijstelling met terugwerkende kracht vervalt. Belanghebbende wordt de belasting verschuldigd op grond van artikel 201 van het CDW. Belanghebbende is niet daadwerkelijk strafrechtelijk vervolgd. Dat is echter niet relevant. De inspecteur kan zelfstandig beoordelen of sprake is van in beginsel strafrechtelijk vervolgbare handelingen. Naar mijn mening is dat het geval. Belanghebbende heeft de bepalingen van artikel 48 en 47 van de Douanewet overtreden. Dat betekent dat de navorderingstermijn wordt verlengd tot vijf jaren.

6. De rechtsoverwegingen

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep

6.1. De inspecteur heeft uitspraak op het bezwaar gedaan bij brief van 20 augustus 2001. De inspecteur heeft deze uitspraak per post verzonden naar het hem laatst bekende postbusadres van belanghebbende te S. Nadat belanghebbende de inspecteur heeft meegedeeld de uitspraak niet te hebben ontvangen omdat het desbetreffende postbusadres niet meer bestond, heeft deze de uitspraak opnieuw aan belanghebbende toegezonden op 12 september 2002. De inspecteur heeft aangevoerd dat omtrent de feitelijke juistheid van de stelling van belanghebbende dat hij als gevolg van de toezending naar het postbusadres te S de uitspraak niet voor 12 september 2002 heeft ontvangen, geen zekerheid bestaat. De inspecteur concludeert daarom tot ontvankelijkverklaring van het beroep, zulks mede gelet op, aldus begrijpt het Hof, de onduidelijkheid die bestond over het juiste adres van belanghebbende. Uit vorenvermelde feiten en omstandigheden leidt het Hof af dat de uitspraak eerst op 12 september 2002 is bekendgemaakt. Derhalve moet er van worden uitgegaan dat de beroepstermijn is aangevangen op 13 september 2002. Nu het beroepschrift op 22 oktober 2002 ter griffie van het Hof is ingekomen, is het ingekomen binnen de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedoelde termijn van zes weken. Het beroep is mitsdien ontvankelijk.

Met betrekking tot de wijze van bekendmaking van de uitspraak op bezwaar

6.2. In artikel 3:41 van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Gelet op het onder 6.1. overwogene heeft zulks op 12 september 2002 plaatsgehad. De stelling van belanghebbende dat de uitnodiging tot betaling desalniettemin vanwege de wijze van bekendmaking van de uitspraak op bezwaar dient te worden vernietigd vindt geen steun in het recht en faalt derhalve.

Met betrekking tot de wijze van bekendmaking van de uitnodiging tot betaling

6.3. Met betrekking tot belanghebbendes stelling dat de uitnodiging tot betaling dient te worden vernietigd vanwege de wijze van bekendmaking staat vast dat belanghebbende het aanslagbiljet - weliswaar “via via” - heeft ontvangen. Tevens staat vast dat belanghebbende binnen de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn van zes weken, uitgaande van een aanvang van de termijn op 30 januari 2001 - de dagtekening van het aanslagbiljet -, bezwaar heeft ingediend en dat de inspecteur het bezwaar ontvankelijk heeft verklaard. In zoverre is belanghebbende op geen enkele wijze door de wijze van bekendmaking in zijn processuele belangen geschaad. Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat de uitnodiging tot betaling desalniettemin vanwege de wijze van bekendmaking daarvan dient te worden vernietigd geldt, evenzeer als met betrekking tot wijze van bekendmaking van de uitspraak op bezwaar, dat deze stelling geen steun vindt in het recht en derhalve faalt.

Met betrekking tot de overschrijding van de beslistermijn van één jaar

6.4. Op grond van artikel 25, eerste lid, van de AWR, doet de inspecteur, in afwijking van artikel 7:10 van de Awb, binnen een jaar na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak daarop. Gelet op artikel 25, derde lid, van de AWR ontslaat het verstrijken van de termijn de inspecteur niet van zijn verplichting uitspraak te doen. Ingeval niet binnen een jaar uitspraak is gedaan heeft belanghebbende de mogelijkheid, gelet op artikel 6:2 van de Awb, beroep in te stellen niettegenstaande het feit dat nog geen uitspraak is gedaan. In casu heeft belanghebbende beroep ingesteld na ontvangst van de uitspraak welk beroep, zoals hiervoor is overwogen, door het Hof ontvankelijk is verklaard. Belanghebbende is derhalve in zoverre niet geschaad in zijn processuele belangen. Belanghebbendes stelling dat de uitspraak niet rechtsgeldig is gedaan, reeds vanwege het feit dat deze niet binnen één jaar op de juiste wijze bekend is gemaakt, faalt omdat deze geen steun vindt in het recht.

Met betrekking tot de Verordening Douanevrijstellingen (de verhuisboedelvrijstelling)

6.5. Op grond van het bepaalde in artikel 2 van de Verordening Douanevrijstellingen zijn, behoudens het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 10 van rechten bij invoer, vrijgesteld de persoonlijke goederen, ingevoerd door natuurlijke personen die hun normale verblijfplaats naar het douanegebied van de Gemeenschap overbrengen. Op grond van artikel 7 van de Verordening Douanevrijstellingen mogen de met vrijstelling ingevoerde goederen, tot het verstrijken van een termijn van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop de aangifte daarvan voor het vrije verkeer is aanvaard, niet worden uitgeleend, verpand, verhuurd, noch onder bezwarende titel of om niet worden overgedragen, zonder dat de bevoegde autoriteiten daarvan vooraf in kennis zijn gesteld.

6.6. Op 28 november 1996 is van auto 1 en op 4 december 1996 is van auto 2 de aangifte voor het vrije verkeer met toepassing van de verhuisboedelvrijstelling aanvaard. Gelet op de feiten en omstandigheden en verklaringen aan de juistheid waarvan het Hof geen reden heeft te twijfelen, een en ander als vermeld in 2.6 en 2.7 is het Hof van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat auto 1 op of omstreeks 10 februari 1997 door belanghebbende is overgedragen aan een Chrysler-dealer en dat auto 2 op of omstreeks 2 oktober 1997 door belanghebbende is overgedragen aan een derde. De enkele omstandigheid dat belanghebbende tot en met 7 december 1997 in het kentekenregister van de Rijksdienst voor het Wegverkeer geregistreerd heeft gestaan als kentekenhouder van auto 1 en tot en met 12 december 1997 als kentekenhouder van auto 2 doet hier niet aan af.

6.7. Nu de overdrachten van auto 1 en auto 2 hebben plaatsgevonden binnen twaalf maanden na de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer van de auto’s en belanghebbende de douane-autoriteiten niet in kennis heeft gesteld van evenvermelde overdrachten heeft belanghebbende niet voldaan aan de hiervoor onder 6.5. vermelde voorwaarde van artikel 7 van de Verordening Douanevrijstellingen. Gelet op het bepaalde in artikel 7, tweede lid van de Verordening Douanevrijstellingen, voor wat betreft de omzetbelasting gelezen in verbinding met artikel 21, eerste lid, onderdeel a, van de Wet, volgt daaruit dat ter zake van de invoer van de auto’s omzetbelasting en douanerechten verschuldigd zijn geworden. In zoverre is het gelijk aan de inspecteur. Het antwoord op de vraag of belanghebbende zijn normale verblijfplaats heeft overgebracht van de Verenigde Staten van Amerika naar Nederland en heeft voldaan aan de ter zake in artikel 4 van de Verordening Douanevrijstelling gestelde voorwaarde kan mitsdien in het midden blijven.

Met betrekking tot de navorderingstermijn

6.8. Op grond van artikel 221, derde lid, van het CDW (tekst 2001) is navordering niet meer mogelijk indien vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan een termijn van drie jaren is verstreken. Deze termijn kan evenwel op grond van het vierde lid van dit artikel door de lidstaten worden verlengd ingeval van een strafrechtelijk vervolgbare handeling. Op grond van artikel 22e, eerste lid van de AWR kan ingeval van een strafrechtelijk vervolgbare handeling, de uitnodiging tot betaling worden vastgesteld binnen een termijn van vijf jaren, te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan. Gelet op het tweede lid van evenbedoeld artikel geldt deze verlenging van de termijn niet ten aanzien van personen wier handelen of nalaten niet gericht was op ontduiking van de rechten bij invoer. Tussen partijen is in geschil of de verlengde termijn van vijf jaren te dezen toepassing kan vinden.

6.9. Gelet op artikel 47 van de Douanewet begaat degene die in strijd met de wettelijke bepalingen goederen waarvoor vrijstelling van rechten bij invoer wordt genoten gebruikt of doet gebruiken op een wijze of voor doeleinden waarvoor de vrijstelling niet geldt een strafbaar feit. Het niet verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, door degene die daartoe ingevolge wettelijke bepalingen verplicht is, vormt eveneens, gelet op artikel 48, eerste lid, aanhef en onderdeel b, ten 1e , van de Douanewet een strafbaar feit.

6.10. Naar volgt uit hetgeen onder 6.6. en 6.7. is overwogen, heeft belanghebbende gehandeld in strijd met de in artikel 7 van de Verordening Douanevrijstellingen gestelde voorwaarden, die tevens opgenomen waren in de hem verleende vergunningen. Met het zonder voorafgaande melding overdragen van de auto’s heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof een op de voet van artikel 47 van de Douanewet strafrechtelijk vervolgbare handeling begaan, terwijl hij voorts door - ondanks daartoe te zijn gehouden - de douane-autoriteiten daarvan niet in kennis te stellen van de evenbedoelde overdrachten, ook het in artikel 48, eerste lid, aanhef en onderdeel b ten 1e van die wet strafbaar gestelde feit heeft begaan. Dit brengt met zich dat ingevolge artikel 22e, eerste lid, van de AWR de uitnodiging tot betaling kon worden vastgesteld binnen vijf jaren, tenzij moet worden geoordeeld dat belanghebbendes handelen of nalaten niet was gericht op ontduiking van de douanerechten en omzetbelasting bij invoer.

6.11. Op grond van de onder 2.6. en 2.7. vermelde feiten en omstandigheden en de daarin vermelde verklaringen die door belanghebbende niet worden betwist, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende wist dat hij ingeval de auto’s binnen 12 maanden na aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer van de auto’s werden overgedragen alsnog douanerechten en omzetbelasting diende te betalen en dat hij de overdrachten in verband daarmee diende te melden aan de douane-autoriteiten. Gelet op de onder 2.2 aangehaalde passages uit de beschikkingen heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof in redelijkheid niet kunnen menen dat de (overdracht van de) tenaamstelling van de auto’s doorslaggevend was voor de toepasselijkheid van de vrijstelling. In aanmerking nemende de geloofwaardige verklaringen van de kopers van de auto’s, als vermeld onder 2.6 en 2.7 acht het Hof acht het voorts aannemelijk dat het handelen van belanghebbende - het zonder voorafgaande kennisgeving overdragen van de auto’s - gericht was op ontduiking van douanerechten en omzetbelasting bij invoer. Dit brengt mee dat in casu de verlengde termijn van vijf jaren voor boeking achteraf toepassing kan vinden

6.12. De stelling van belanghebbende dat uitsluitend de strafrechter kan bepalen of sprake is van strafrechtelijk vervolgbare handelingen wordt verworpen. Uit de tekst van artikel 221, derde lid, van het CDW, noch uit het bepaalde in artikel 22e van de AWR noch uit de parlementaire geschiedenis van deze bepaling blijkt dat voor de verlenging van de driejaarstermijn een oordeel van strafrechter noodzakelijk is.

Met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel

6.13. Naar het Hof begrijpt doet belanghebbende een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende verwijst in dit verband naar de omstandigheid dat minister Korthals de bouwfraude niet kon worden aangerekend omdat hij er formeel niet van op de hoogte was. Naar ’s Hofs oordeel faalt dit beroep, wat er overigens ook van zij, reeds omdat geen sprake is van vergelijkbare gevallen. Ook in zoverre faalt belanghebbende beroep.

Conclusie

6.14. Gelet op al het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Met betrekking tot belanghebbendes verzoek aan het Hof om ingeval het beroep ongegrond wordt verklaard een betalingsregeling te treffen, geldt dat zulks niet tot de competentie van het Hof behoort. Belanghebbende dient zich hiervoor tot de ontvanger te wenden.

7. Proceskosten

Ter zitting heeft de inspecteur aangegeven bereid te zijn de reiskosten van belanghebbende vanuit de Verenigde Staten van Amerika à € 356 voor het bijwonen van deze zitting te vergoeden. Het Hof zal de inspecteur hierin volgen. Het Hof acht overigens geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb nu het beroep ongegrond wordt verklaard.

8. De beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 356 en wijst de Staat der Nederlanden aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

De uitspraak is vastgesteld op 14 februari 2005 door mrs. D.B. Bijl, voorzitter en M.E. van Hilten en E.M. Vrouwenvelder, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.M. van Waalwijk-van Doorn als griffier en mr. A. Roelvink-Verhoeff als auditeur.

De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.