Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AS6027

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-01-2005
Datum publicatie
15-02-2005
Zaaknummer
01/90137 DK
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

6.1. Partijen zijn er, zo blijkt uit de stukken en uit hetgeen ter zitting is opgemerkt, vanuit gegaan dat de onderhavige douaneschuld is ontstaan op grond van artikel 201 van het CDW. De Douanekamer zal partijen hierin volgen, nu deze zienswijze geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

6.2. Tussen partijen is buiten geschil dat de aangiften in het tijdvak waarop de navordering ziet, zijn afgewikkeld op basis van gegevens die belanghebbende heeft verstrekt en aanvankelijk zijn geaccepteerd, maar die achteraf onjuist blijken te zijn.

Achteraf is geconstateerd dat de douanewaarde is bepaald op basis van de veredelingskosten, verhoogd met de vrachtkosten, waardoor te weinig douanerechten zijn geheven ter zake van de betreffende aangiften ten invoer.

6.3. Op grond van artikel 201, derde lid, derde volzin, van het CDW kunnen in het geval wettelijk verschuldigde douanerechten geheel of gedeeltelijk niet zijn geheven, eveneens als schuldenaar voor de ontstane douaneschuld worden aangemerkt de personen die voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt, terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat die gegevens onjuist waren.

6.4. Het ligt op de weg van de inspecteur om aannemelijk te maken dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de door haar aan de aangever verstrekte gegevens onjuist waren. Naar het oordeel van de Douanekamer is de inspecteur daarin niet geslaagd. De enkele stelling van de inspecteur dat de wettelijke bepalingen duidelijk zijn en dat gelet op deze bepalingen de vrijstellingsberekening van belanghebbende evident onjuist is, is daarvoor onvoldoende. Ook de stukken bevatten geen aanwijzingen dat belanghebbende wist dat de douanewaarde te laag was aangegeven. Daar komt nog bij dat tijdens de ingestelde boeken-onderzoeken geen enkele opmerking van de zijde van de douane is gemaakt inzake de door belanghebbende gehanteerde vrijstellingsberekening. Belang-hebbende kon naar het oordeel van de Douanekamer in de gegeven omstandigheden aannemen dat, met name bij het onder 2.4. genoemde onderzoek over het jaar 1997, de vrijstellings-berekening op haar fiscale merites was beoordeeld en dat ook de inspecteur zich in die berekening kon vinden; alsdan kan in het algemeen niet meer worden gesteld dat belanghebbende, gelet op het wettelijk systeem, wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de door haar verstrekte gegevens onjuist waren. Voor belanghebbende bestond met name geen aanleiding aangaande de juistheid van de door haar verstrekte gegevens nader onderzoek in te stellen.

6.5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat belanghebbende niet als schuldenaar is aan te merken, zodat de bestreden uitspraak en de uitnodiging tot betaling moeten worden vernietigd. Het subsidiaire en meer subsidiaire geschilpunt behoeven derhalve geen behandeling meer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. DK 01/90137 (voorheen: nr. 0137/2001 TC)

de dato 14 januari 2005

1. De procedure

1.1. Op 21 mei 2001 is een beroepschrift ingekomen bij de Tariefcommissie te Amsterdam van mr. N te A, ingediend namens de besloten vennootschap F B.V. te O, belanghebbende, en aangevuld bij brief van 17 augustus 2001. Het beroepschrift is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict R (hierna: de inspecteur) van 13 april 2001, kenmerk 00/42/4801/143, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de uitnodiging tot betaling, kenmerk ... van 24 november 2000 voor f 144.731,70 aan douanerechten, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de secretaris van de Tariefcommissie een griffierecht van f 450,-- geheven.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001 (Stb. 419) is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: Douanekamer) in de plaats getreden van de Tariefcommissie.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer op 5 juni 2003.

Ter zitting zijn verschenen namens belanghebbende mr. W, tot haar bijstand vergezeld van F en namens de inspecteur drs. J.

De gemachtigde heeft een pleitnota overgelegd en voor-ge-lezen.

2. De feiten

2.1. Belanghebbende houdt zich bezig met de groothandel in en fabricage van autotechnische en elektrotechnische producten en artikelen.

2.2. Op 19 januari 1996 is aan belanghebbende onder nummer 3/96.002 een vergunning verleend voor het gebruik van de regeling passieve veredeling. De datum van inwerkingtreding van de vergunning is 22 januari 1996. Op 21 december 1998 is aan belanghebbende een gewijzigde vergunning met nummer 3/98.117 afgegeven. In de vergunning is vermeld dat deze wordt verleend onder de voorwaarden en bepalingen die zijn opgenomen in de tot de vergunning behorende bijlagen. De goederen die veredeld zullen worden zijn aansluitmaterialen, draad en kabel voor kabelbomen. Het land waar de veredeling wordt verricht is Tsjechië en de weer in te voeren veredelingsproducten zijn kabelbomen voor vervoermiddelen. De aangifte tot wederinvoer geschiedde door de firma G B.V. te B. Onder punt 1.3. van bijlage 1. van de vergunning is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“VRIJSTELLING 1.3.

GEDEELTELIJKE VRIJSTELLING 1.3.1.

Gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer vindt plaats door het bedrag van de rechten bij invoer die van toepassing zijn op de in het vrije verkeer gebrachte veredelingsprodukten, te verminderen met het bedrag van de rechten bij invoer die van toepassing zouden zijn op de tijdelijk uitgevoerde goederen, indien deze in het douanegebied van de Gemeenschap werden ingevoerd uit het land waar de veredelingshandeling of de laatste veredelingshandeling heeft plaatsgevonden.”

2.4. Op 22 en 23 oktober 1998 is bij belanghebbende een onderzoek ingesteld over het jaar 1997. In het op 16 december 1998 opgemaakte controlerapport is onder meer het volgende opgenomen:

“Controle opdracht

Dit rapport betreft een ingesteld onderzoek bij F B.V. (…) over het jaar 1997 inzake de volgende vergunning:

passieve veredeling, be- of verwerking, doorlopend (nr. 3/96.002) (…)

Onderwerp van controle waren de in het jaar 1997 tijdelijk uitgevoerde goederen, waarvan de wederinvoer in het jaar 1997 heeft plaatsgevonden.

(…)

3.2. Bevindingen tijdens het onderzoek (…)

3.2.8. Administratie (…)

De navolgende feiten werden bevonden:

? Tijdens het initieel onderzoek in 1996 was afgesproken dat de uitvoeraangiften voorzien zouden worden van een per kalenderjaar uniek en doorlopend nummer. Vastgesteld werd dat dit niet is geschied. F dient de oorspronkelijk afgesproken werkwijze te hanteren.

(…)

5. Recapitulatie van het boekenonderzoek

5.1. Correcties

Vastgesteld werd dat F niet geheel heeft voldaan aan de voorwaarden en bepalingen van de aan haar verleende vergunning (zie paragraaf 3.2.8.). Dit heeft echter niet in een financiële correctie geresulteerd.”

2.5. Op 15 december 1998 is bij belanghebbende een onderzoek ingesteld over het jaar 1998. In het op 29 januari 1999 opgemaakte controlerapport is onder meer het volgende opgenomen:

“Controle opdracht (deelonderzoek)

Ten behoeve van de belastingheffing heb ik een onderzoek ingesteld bij F B.V. (…) naar uitsluitend het navolgende element van de vergunning passieve veredeling, be- of verwerking, doorlopend (…) over de periode 1 januari t/m 15 december 1998:

verhoging van de douanewaarde van de wederingevoerde goederen met de waarde van goederen en diensten die F gratis of voor een verminderd bedrag levert aan de veredelaar van de door haar tijdelijk uitgevoerde goederen

1. Algemeen (...)

1.4. Vorig onderzoek

Het vorig boekenonderzoek is afgerond in december 1998. Het betrof toen een volledig onderzoek over het jaar 1997. Onderwerp van controle waren de in dat jaar tijdelijk uitgevoerde goederen, waarvan de wederinvoer in datzelfde jaar had plaatsgevonden.

(…)

3. Douanewaarde (…)

3.2. Bevindingen tijdens het onderzoek

Door F worden van (…) een aantal machines en gereedschappen gehuurd. IN de periode van 1 augustus t/m 31 oktober 1998 zijn deze machines en gereedschappen aan de veredelaar van de wederingevoerde kabelbomen ter beschikking gesteld ter assemblage van deze kabelbomen. De waarde van deze toeleveringen (…) maakte geen deel uit van de werkelijk betaalde prijs. Derhalve dient de douanewaarde van de in voornoemde periode geassembleerde kabelbomen met deze waarde te worden verhoogd. Het verschuldigd douanerecht (…) zal alsnog achteraf worden geboekt.

4. Recapitulatie van het boekenonderzoek

4.1. Correcties

Wegens het niet verhogen van de douanewaarde van de in de periode 1 augustus t/m 31 oktober 1998 geassembleerde wederingevoerde goederen zal (…) douanerecht alsnog achteraf worden geboekt (zie paragraaf 3.2.).”

2.6. Op 8 augustus 2000 is een boekenonderzoek ingesteld over de periode 1 januari 1998 tot en met 30 april 2000. In het op 31 augustus 2000 opgemaakte controlerapport is onder meer het volgende opgenomen:

“Controle opdracht (deelonderzoek)

Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de wederinvoeraangiften in het kader van de doorlopende vergunning passieve veredeling (be- of verwerking) (…) over de periode 1 januari 1998 tot en met 30 april 2000, waarbij de juistheid van de toegepaste vrijstellingsberekening van de wederingevoerde goederen is gecontroleerd, en dan het uitsluiten het navolgende element:

de verhoging van de douanewaarde met de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen, verminderd met het bedrag van de rechten bij invoer die van toepassing zouden zijn op de tijdelijk uitgevoerde goederen, als deze in het douanegebied van de Gemeenschap worden ingevoerd uit het land waar de veredelingshandeling heeft plaatsgevonden

1. Algemeen (…)

1.2. (…)

De aangifte tot wederinvoer van de kabelbomen geschiedt (…) door G B.V.

(…)

1.5. Vorig onderzoek

Het vorig boekenonderzoek is afgerond in januari 1999. Het betrof toen een onderzoek naar uitsluitend de verhoging van de douanewaarde van de wederingevoerde goederen met de waarde van goederen en diensten die F gratis of voor een verminderd bedrag aan de veredelaar van de door haar tijdelijk uitgevoerde goederen leverde over de periode 1 januari tot en met 15 december 1998. Wegens het niet verhogen van de douanewaarde van wederingevoerde goederen werd f (…) douanerecht achteraf geboekt.

1.6. Verloop boekenonderzoek

Het onderzoek is ingesteld na bevindingen van het Team Aangiftebehandeling (…) van het Douane district (…). Bij verificatie van een wederinvoeraangifte werd vastgesteld dat een onjuiste vrijstellingsberekening is toegepast waardoor te weinig douanerecht is afgedragen. Deze onjuiste vrijstellingsberekening is sinds 1996 toegepast. De jaren 1996 en 1997 zijn echter buiten controle gelaten omdat deze reeds in controle zijn geweest. Middels de administratie van F is het in de periode 1 januari 1998 tot en met 30 april 2000 te weinig afgedragen douanerecht vastgesteld. Vanaf 1 mei 2000 wordt de vrijstellingsberekening juist toegepast.

(…)

4. Maatstaf van heffing (…)

Vastgesteld werd dat de douanewaarde van de wederingevoerde goederen gedurende de controleperiode onjuist is vastgesteld. De douanewaarde werd namelijk bepaald door het bedrag van de veredelingskosten te vermeerderen met een bedrag voor vrachtkosten. Om de douanewaarde op correcte wijze te kunnen bepalen hadden deze bedragen vermeerderd moeten worden met de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen en verminderd met het bedrag van de rechten bij invoer die van toepassing zouden zijn op de tijdelijk uitgevoerde goederen, als deze in het douanegebied van de Gemeenschap werden ingevoerd uit het land waar de veredelingshandeling heeft plaatsgevonden. Omdat het heffingspercentage van de tijdelijk uitgevoerde goederen lager is dan het heffingspercentage van de wederingevoerde goederen (…) is te weinig douanerecht afgedragen.”

2.7. Op 24 november 2000 heeft de inspecteur aan belanghebbende de onder 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling uitgereikt, onder verwijzing naar het onder 2.6. genoemde controlerapport.

3. Het geschil

Primair is in geschil of belanghebbende als importeur van de wederingevoerde goederen met toepassing van artikel 201, derde lid, van het Communautair Douanewetboek (hierna: het CDW), voor de onderhavige douaneschuld aansprakelijk kan worden gesteld.

Subsidiair is in geschil of de uitnodiging tot betaling op grond van artikel 220, tweede lid, letter b, achterwege had moeten blijven.

Meer subsidiair is in geschil of de inspecteur, gelet op artikel 22a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en artikel 109 van de Douaneregeling, voor iedere aangifte afzonderlijk een uitnodiging tot betaling had moeten doen.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Belanghebbende voert aan dat G B.V. als aangever van de goederen, gelet op artikel 201, derde lid, van het CDW, primair verantwoordelijk is voor de douaneschuld. G B.V. heeft de aangiften in opdracht van belanghebbende gedaan maar op eigen naam en rekening. Belanghebbende heeft de gegevens verstrekt voor de opstelling van de aangifte maar wist niet, en had redelijkerwijs ook niet kunnen weten, dat die gegevens verkeerd waren. De berekening van het bedrag dat vrij is van rechten - de vrijstellingsberekening - is in de periode 1996 tot en met 2000 diverse keren onderwerp geweest van controle door de douane. Belang-hebbende is bij die controles nooit gewezen op een onjuiste toepassing van de vrijstellingsberekening. Bovendien handelde belanghebbende te goeder trouw. Dat betekent dat belanghebbende niet mag worden aangewezen als schuldenaar.

4.2. Zo het gelijk met betrekking tot het primaire geschilpunt aan de inspecteur is stelt belanghebbende zich op het standpunt, dat gelet op de ingestelde boekenonderzoeken, artikel 220, tweede lid, letter b, van het CDW in de weg staat aan het doen van de onderhavige uitnodiging tot betaling. De berekening van de vrijstelling is door de douane gecontroleerd. De controle over het jaar 1997 betrof een volledige controle. Daarbij is uiteraard ook aandacht besteed aan de berekening van de vrijstelling. De controle over het jaar 1998 betrof de verhoging van de douanewaarde met een aantal elementen. De Douane heeft bij beide controles geen enkele opmerking gemaakt over de vrijstellingsberekening. Naar aanleiding van die twee controles mocht belanghebbende erop vertrouwen dat de door haar gehanteerde berekeningswijze was gecontroleerd en juist bevonden. Dat brengt mee dat de constatering dat de door belanghebbende gehanteerde berekeningswijze niet correct is pas gevolgen kan hebben vanaf het moment van die constatering.

4.3. Ingeval het gelijk met betrekking tot het primaire en subsidiaire geschilpunt aan de inspecteur is, stelt belanghebbende zich op het standpunt dat het, gelet op de artikelen 22a, AWR en 109 Douaneregeling, niet toegestaan is verschillende douaneschulden te verenigen op één uitnodiging tot betaling. In dit verband is van belang dat de desbetreffende bepalingen in Nederland per 1 juni 1996 in de nationale wetgeving zijn opgenomen. Belanghebbende merkt daarbij op dat de uitspraken die de Tariefcommissie over dit onderwerp in het verleden heeft gedaan betrekking hebben op zaken waarbij de uitnodigingen tot betaling zijn uitgereikt vóór 1 juni 1996 en dat daarmee die zaken in zoverre niet zonder meer vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak.

4.4. Ter zitting heeft belanghebbende aangegeven dat, hoewel op de uitnodiging tot betaling artikel 204 is vermeld, partijen ervan uit zijn gegaan dat de desbetreffende uitnodiging is gebaseerd op artikel 201 van het CDW.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende terecht als schuldenaar is aangemerkt. De douanewaarde van veredelingsproducten wordt vastgesteld op basis van de artikelen 28 tot en met 36 van het CDW. Belanghebbende wist of had redelijkerwijze moeten weten dat de waarde van de wederingevoerde goederen in het economische verkeer veel hoger is dan de veredelingskosten vermeerderd met de vrachtkosten.

5.2. De inspecteur is voorts van mening dat artikel 220, tweede lid, letter b, van het CDW niet in de weg staat aan de boeking achteraf. Met betrekking tot de controle over het jaar 1997 geldt dat niet de gehele werking van de vergunning is gecontroleerd. Uit de controleopdracht blijkt dat het onderwerp van de controle slechts een deel van de in 1997 tijdelijk uitgevoerde goederen betrof. Met betrekking tot de controle over 1998 geldt dat slechts een bepaald element van de douanewaarde is bezien. Het niet-boeken van de verschuldigde rechten was derhalve, aldus de inspecteur, geen gevolg van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf. Ook aan de overige twee voorwaarden om boeking achteraf achterwege te laten is niet voldaan.

5.3. De inspecteur voert voorts aan dat de douaneschulden weliswaar betrekking hebben op meer aangiften ten invoer doch dat deze van dezelfde aard zijn. Artikel 109 van de Douaneregeling biedt de mogelijkheid deze douaneschulden op één aanslagbiljet te verenigen.

5.4. Ter zitting heeft de inspecteur aangegeven uit te zijn gegaan van een douaneschuld bij invoer die is ontstaan op grond van artikel 201 CDW. Artikel 204 van het CDW heeft hij niet in de beschouwing betrokken. De inspecteur is van mening dat het, gelet op het wettelijk systeem, voor iedereen duidelijk zou moeten zijn dat de douanewaarde niet beperkt is tot de loonkosten. Het wettelijk systeem sluit immers aan bij de waarde in het economisch verkeer en loonkosten vormen slechts een deel van die waarde. In zoverre wist belanghebbende, dan wel had zij redelijkerwijze moeten weten, dat haar berekening niet deugde. Dat valt belanghebbende ook te verwijten. Uit de omstandigheid dat de jaren 1996 en 1997 niet in de navordering zijn betrokken, kan niet worden afgeleid dat de inspecteur van oordeel zou zijn dat belanghebbende te goeder trouw is geweest. Reeds omdat de driejaarstermijn navordering verhindert over die jaren zijn deze jaren buiten beschouwing gebleven. Overigens valt op de controle over 1998 wel wat af te dingen. Het lijkt erop dat artikel 30 van het CDW nooit ter sprake is gebracht. Voor zover de inspecteur weet is G B.V. niet aansprakelijk gesteld. De inspecteur bestrijdt dat artikel 220 van het CDW navordering verhindert. Aan de voorwaarden om boeking achteraf achterwege te laten is niet voldaan.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Partijen zijn er, zo blijkt uit de stukken en uit hetgeen ter zitting is opgemerkt, vanuit gegaan dat de onderhavige douaneschuld is ontstaan op grond van artikel 201 van het CDW. De Douanekamer zal partijen hierin volgen, nu deze zienswijze geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

6.2. Tussen partijen is buiten geschil dat de aangiften in het tijdvak waarop de navordering ziet, zijn afgewikkeld op basis van gegevens die belanghebbende heeft verstrekt en aanvankelijk zijn geaccepteerd, maar die achteraf onjuist blijken te zijn.

Achteraf is geconstateerd dat de douanewaarde is bepaald op basis van de veredelingskosten, verhoogd met de vrachtkosten, waardoor te weinig douanerechten zijn geheven ter zake van de betreffende aangiften ten invoer.

6.3. Op grond van artikel 201, derde lid, derde volzin, van het CDW kunnen in het geval wettelijk verschuldigde douanerechten geheel of gedeeltelijk niet zijn geheven, eveneens als schuldenaar voor de ontstane douaneschuld worden aangemerkt de personen die voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt, terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat die gegevens onjuist waren.

6.4. Het ligt op de weg van de inspecteur om aannemelijk te maken dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de door haar aan de aangever verstrekte gegevens onjuist waren. Naar het oordeel van de Douanekamer is de inspecteur daarin niet geslaagd. De enkele stelling van de inspecteur dat de wettelijke bepalingen duidelijk zijn en dat gelet op deze bepalingen de vrijstellingsberekening van belanghebbende evident onjuist is, is daarvoor onvoldoende. Ook de stukken bevatten geen aanwijzingen dat belanghebbende wist dat de douanewaarde te laag was aangegeven. Daar komt nog bij dat tijdens de ingestelde boeken-onderzoeken geen enkele opmerking van de zijde van de douane is gemaakt inzake de door belanghebbende gehanteerde vrijstellingsberekening. Belang-hebbende kon naar het oordeel van de Douanekamer in de gegeven omstandigheden aannemen dat, met name bij het onder 2.4. genoemde onderzoek over het jaar 1997, de vrijstellings-berekening op haar fiscale merites was beoordeeld en dat ook de inspecteur zich in die berekening kon vinden; alsdan kan in het algemeen niet meer worden gesteld dat belanghebbende, gelet op het wettelijk systeem, wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de door haar verstrekte gegevens onjuist waren. Voor belanghebbende bestond met name geen aanleiding aangaande de juistheid van de door haar verstrekte gegevens nader onderzoek in te stellen.

6.5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat belanghebbende niet als schuldenaar is aan te merken, zodat de bestreden uitspraak en de uitnodiging tot betaling moeten worden vernietigd. Het subsidiaire en meer subsidiaire geschilpunt behoeven derhalve geen behandeling meer.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht termen aanwezig de inspecteur op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten, welke met toepassing van het besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op 1,5 (beroepschrift, verschijnen ter zitting) x 1,5 (gewicht) x € 322,-- = € 724,50.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep, alsmede

- vernietigt de uitnodiging tot betaling van 24 november 2000,

nr. 8002.93.241/00.7.0001, groot f 144.731,70 (€ 65.676,38);

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten, groot € 724,50 aan belanghebbende te voldoen;

- wijst de Staat der Nederlanden aan het griffierecht ad € 204,20 (? 450) aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus gewezen op 14 januari 2005 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, mr. J.W.M. Tijnagel en mr. E.M. Vrouwenvelder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.G. van Aalst, griffier.

De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden(belastingkamer). Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en tenminste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.