Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AS5147

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-02-2005
Datum publicatie
09-02-2005
Zaaknummer
04/00776
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De inspecteur heeft in het onderhavige jaar (jaar 1999) naar het oordeel van het Hof terecht geen rekening gehouden met het in het jaar 2003 terugbetaalde bedrag aan subsidie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/23.13 met annotatie van Redactie
FutD 2005-0339
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie per fax een beroepschrift ontvangen op 26 februari 2004, aangevuld bij brief met dagtekening 27 april 2004 en ingediend door A (...) te R als zijn gemachtigde. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 20 januari 2004, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 (hierna: de aanslag).

1.2. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ? 66.784. Na bezwaar is de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en uiteindelijk tot vermindering van de aanslag tot nihil alsmede vaststelling van een verlies over het jaar 2000 van ? 6.716.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend, waarin hij concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.5. Ter zitting van 9 november 2004 zijn verschenen belanghebbende en zijn voornoemde gemachtigde, alsmede namens de inspecteur B. Gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De pleitnota wordt tot de gedingstukken gerekend. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het door de griffier opgemaakte proces-verbaal, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 1950 en gehuwd, is in het jaar 2000 in loondienst werkzaam als makelaar bij D. Daarnaast geniet belanghebbende winst uit onderneming uit de vennootschap onder firma, genaamd ‘E Makelaars’ en een winstaandeel van 50% uit de vennootschap onder firma, genaamd ‘F’. Belanghebbende verhuurt voorts aan derden een aantal tot zijn privé-vermogen behorende onroerende zaken.

2.2. De Woningdienst Amsterdam heeft aan belanghebbende een subsidie van in totaal ? 98.000 verstrekt voor onderhoudswerkzaamheden aan de tot het privé-vermogen van belanghebbende behorende woningen aan de a-straat 1 huis, I, II en III (hierna: pand x). De toekenning van de subsidie werd op 9 februari 1999 schriftelijk vastgelegd en de subsidie is op 22 maart 1999 aan belanghebbende uitbetaald. Op 22 juli 1999 heeft belanghebbende pand x verkocht. In een aan belanghebbende gerichte brief van de Woningdienst Amsterdam met dagtekening 4 december 2002 staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“N.a.v. het gesprek d.d. 5 november 2002 met betrekking tot de verkoop van 4 woningen, adres a-straat 1 Hs-I-II-III welke met subsidie op grond van de Verordening Woninggebonden Subsidies van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995 zijn verbeterd meld ik u het volgende:

In bovengenoemd gesprek heeft u aangegeven, dat u wel op de hoogte was van de regelgeving, maar dat de meldingsplicht m.b.t. de verkoop (...) u eenvoudigweg door het hoofd geschoten was. U pleitte voor een gematigder terugvordering, waarvoor u een aantal argumenten noemde (...). Ik deel u mede dat genoemde argumenten geen gegronde redenen naar voren brengen, om af te zien van de boeteclausule, genoemd in het besluit van het dagelijks bestuur van het ROA van 6 juni 1996 artikel 110 II c. Om die reden ga ik over tot intrekking van een gedeelte (75%) van de subsidie voor ingrijpende voorzieningen. Tevens treft u een factuur aan inzake de teruggevorderde subsidie.”

Belanghebbende heeft naar aanleiding hiervan op 20 mei 2003 een bedrag van ? 73.500 (zijnde 75% van ? 98.000) aan de Woningdienst Amsterdam terugbetaald.

2.3. Belanghebbende heeft voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van negatief ? 65.362. Als onderhoudskosten terzake van de ‘inkomsten uit overige onroerende zaken’ heeft belanghebbende in dat jaar een bedrag van ? 340.660 verantwoord. De inspecteur heeft dit bedrag bij de aanslagregeling verminderd met de onder 2.2 vermelde toegekende subsidie ten bedrage van ? 98.000. De aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 is met inachtneming van deze correctie met dagtekening 14 april 2001 opgelegd naar een belastbaar inkomen van ? 32.638. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag geen bezwaarschrift ingediend.

2.4. Met dagtekening 1 mei 2002 heeft belanghebbende voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van ? 66.784. Als ‘inkomsten uit overige onroerende zaken’ is in de aangifte een bedrag van negatief ? 236.450 verantwoord. Met dagtekening 20 december 2002 heeft de inspecteur de aanslag voor het jaar 2000 overeenkomstig de ingediende aangifte opgelegd. Na verrekening van de ingehouden loonbelasting ten bedrage van ? 51.240 en de voorlopige teruggaaf ten bedrage van ? 33.124 bedraagt deze nihil. In bezwaar verzoekt belanghebbende alsnog rekening te houden met de terugbetaling van de subsidie ten bedrage van ? 73.500. De inspecteur heeft het bezwaar bij de bestreden uitspraak afgewezen.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of de inspecteur in het onderhavige jaar terecht geen rekening heeft gehouden met het in het jaar 2003 terugbetaalde bedrag aan subsidie.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende stelt dat nu de inspecteur in het jaar 1998 bewust is afgeweken van het zogenoemde kasstelsel door rekening te houden met een eerst in 1999 ontvangen subsidie, thans ook rekening dient te worden gehouden met de terugbetalingsverplichting ter grootte van 75% van het bedrag van de ontvangen subsidie. Dat dit bedrag diende te worden terugbetaald, was na verkoop van het pand in 1999 immers voldoende zeker. Belanghebbende stelt dat hij het jaar 2000 als laatst openstaande jaar aangrijpt voor zijn verzoek om vermindering van het belastbare inkomen met dit bedrag omdat de aanslagen over de jaren 1998 en 1999 formele rechtskracht hebben gekregen en de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering van die aanslagen heeft afgewezen. Door de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 kan de terugbetaling van de subsidie in het jaar 2003 niet tot enige aftrek van het belastbare inkomen in box 1 leiden. Belanghebbende vindt het niet redelijk dat hij op dit punt met de gevolgen van deze wetswijziging wordt geconfronteerd omdat de terugbetalingsverplichting reeds is ontstaan bij de verkoop van het pand in 1999.

5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat in het jaar 1999 aan belanghebbende een subsidie is verleend op de tot de aftrekbare kosten te rekenen onderhoudskosten van een tot het privé-vermogen van belanghebbende behorend onroerend goed. Het Hof stelt voorop dat een dergelijke subsidie wordt aangemerkt als een voordeel dat uit dat onroerend goed wordt getrokken en ingevolge artikel 24 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) tot de inkomsten uit vermogen behoort. De terugbetaling van (een deel van) voornoemde subsidie, is alsdan aan te merken als een negatief voordeel dat uit dat onroerend goed wordt getrokken. Het Hof is van oordeel dat, voor het antwoord op de vraag wanneer een op belanghebbende rustende verplichting tot terugbetaling van zo een genoten voordeel voor de vaststelling van het belastbare inkomen in aanmerking kan worden genomen, één van de in artikel 33 van de Wet vermelde tijdstippen beslissend is.

5.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 33 van de Wet wordt de terugbetalingsverplichting van de ontvangen subsidie aan de Woningdienst Amsterdam geacht te zijn genoten als negatieve inkomsten uit vermogen op het tijdstip waarop zij:

a. ontvangen of verrekend is, ter beschikking van de Woningdienst is gesteld of rentedragend is geworden; dan wel

b. vorderbaar en tevens inbaar is geworden.

De gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat de Woningdienst Amsterdam betreffende de terugbetaling van de subsidie geen rente in rekening heeft gebracht, zodat niet kan worden geoordeeld dat de subsidie rentedragend is geworden. Vaststaat dat in het onderhavige jaar geen van de overige onder a genoemde gevallen zich heeft voorgedaan. Alsdan dient het Hof te beoordelen of de subsidie in het onderhavige jaar vorderbaar en tevens inbaar is geworden, als bedoeld onder b hierboven. De Woningdienst Amsterdam heeft zich eerst bij brief van 4 december 2002, als vermeld onder 2.2, op het standpunt gesteld dat zij overgaat tot intrekking van 75% van de toegekende subsidie en terzake daarvan een factuur uitgereikt. Daar komt bij dat belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat de terugbetalingsverplichting geen automatisme is aangezien bij de verstrekking van de subsidie als voorwaarde is gesteld dat de Woningdienst de subsidie binnen tien jaar geheel of gedeeltelijk kan intrekken. Op dit punt voert de Woningdienst een bepaald beleid, zo heeft belanghebbende bevestigd. In het onderhavige geval heeft dit beleid er kennelijk toe geleid dat de Woningdienst bij de genoemde brief van 4 december 2002 uiteindelijk als beslissing heeft medegedeeld dat belanghebbende 75% van de toegekende subsidie diende terug te betalen. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat het bedrag van ? 73.500 reeds in 2000 een vordering op belanghebbende vertegenwoordigde en dat deze vordering vorderbaar en inbaar was. De enkele verkoop van het pand in het jaar 1999 in samenhang bezien met de gestelde voorwaarden bij de subsidieverlening is daartoe onvoldoende. Ook de omstandigheid dat belanghebbende bij de schriftelijke subsidietoekenning naar hij stelt heeft moeten tekenen voor een verplichting tot terugbetaling bij verkoop van de woning is hiervoor onvoldoende, omdat de terugbetaling – gemachtigde heeft de desbetreffende voorwaarde ter zitting voorgelezen – zoals gezegd niet als een onvoorwaardelijke verplichting is geformuleerd maar als een discretionaire bevoegdheid van de Woningdienst waarbij deze dienst de verleende subsidie geheel of gedeeltelijk kan intrekken. Dat de Wet inkomstenbelasting 2001 op dit punt is gewijzigd en de terugbetaling van de subsidie vanaf dat jaar niet langer rechtstreeks ten laste van het belastbare inkomen kan worden gebracht, brengt hierin geen verandering. Evenmin doet aan dit oordeel af de omstandigheid dat de inspecteur in het jaar 1998 bewust van het kasstelsel is afgeweken, wat daarvan ook zij.

5.4. Gezien het hiervoor overwogene is het gelijk aan de inspecteur.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een van de partijen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is gedaan op 1 februari 2005 door mrs. P.M.F. van Loon, voorzitter, H.E. Kostense en A.P.M. van Rijn, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M.E. Jonk als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.