Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AS4072

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-01-2005
Datum publicatie
02-02-2005
Zaaknummer
04/01392
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afzonderlijk verhuurde kantoorunits in een bedrijfsverzamelgebouw zijn geen zelfstandig te belasten object voor het rioolrecht (aansluitrecht), wanneer de gebruikers van de units zijn aangewezen op buiten de units gesitueerde toiletvoorzieningen.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 229, geldigheid: 2005-01-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2005, 242
FutD 2005-0278
Belastingblad 2005/492

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vijfde Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X B.V. te Amsterdam, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder.

1. Loop van het geding

Belanghebbende heeft beroep ingesteld op 14 april 2004 tegen uitspraken van verweerder van 12 maart 2004 betreffende drie aan belanghebbende opgelegde aanslagen voor het hebben van een aansluiting op het rioolstelsel vanuit de adressen a-plein 101, 202, en 303 te Amsterdam.

Verweerder heeft belanghebbende voor deze drie aansluitingen aanslagen opgelegd van elk € 105,38. Bij de uitspraken heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en de aanslagen gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraken van verweerder en, naar het Hof begrijpt, vernietiging van de aanslagen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot vernietiging van de uitspraken op het bezwaar, het alsnog ontvankelijk verklaren van belanghebbende in het bezwaar en handhaving van de drie aanslagen.

Ter zitting van 13 januari 2005 zijn verschenen mw. mr. A namens belanghebbende, vergezeld door mr. drs. B (advocaat), en mr. C namens verweerder. Ter zitting heeft B pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd. C heeft een publicatie van het arrest van de Hoge Raad van 8 oktober 2004, FED 2004/642, overgelegd.

2. Verordening

De Verordening rioolrecht 2001 (hierna: de Verordening) van de gemeente Amsterdam bevat onder meer de volgende artikelen:

Art. 2. 1. Voor de toepassing van deze verordening wordt:

b. onder object verstaan: een roerende of een onroerende zaak.

2. Voor de toepassing van hoofdstuk II van deze verordening wordt onder onroerende zaak verstaan:

a. een gebouwd eigendom;

c. een gedeelte van een in onderdeel a … bedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt; …

Art. 3. 1. Onder de naam rioolrecht wordt een recht geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, … van een object dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, …

3. Vaststaande feiten

Belanghebbende is eigenaar van een gebouw, bestaande uit de begane grond en zes verdiepingen, aan het a-plein in Amsterdam. In dit gebouw bevinden zich zo'n 140 afzonderlijk afsluitbare kantoorunits die belanghebbende verhuurt aan verschillende gebruikers. Deze gebruikers maken gebruik van gemeenschappelijke voorzieningen, waaronder 19 toiletgroepen verspreid door het gebouw.

De diverse units beschikken niet over eigen toiletten.

4. Geschil

In geschil is of de drie aanslagen terecht zijn opgelegd.

5. Standpunten van partijen

5.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding. Samengevat weergegeven komt de stelling van belanghebbende erop neer dat verweerder de drie units a-plein 101, 202 en 303 ten onrechte als onroerende zaken als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder c, van de Verordening heeft aangemerkt. Subsidiair heeft hij gesteld dat de heffing per unit in strijd is met het gelijkheids- en het legaliteitsbeginsel.

5.2. Ter zitting heeft belanghebbende nog het volgende opgemerkt:

Het gaat in totaal om circa 140 aanslagen. Er zijn huurders die op enig moment over meerdere verdiepingen verspreid units huren. Iedere unit heeft een eigen huisnummer. Bij gezamenlijke verhuur van aangrenzende units blijft de tussenmuur staan. De huurders maken ook gebruik van een gezamenlijk receptie en kopieerapparatuur. Wij hebben meer verzamelgebouwen in Amsterdam en de gemeente heft het rioolrecht bij al die gebouwen anders.

5.3. Verweerder heeft ter zitting nog het volgende opgemerkt:

Als een huurder drie units huurt, is er sprake van één object. Het hoogheemraadschap heeft tegen de uitspraak van dit Hof van 27 mei 2004, VN 2004/61.18, bewust geen beroep in cassatie ingesteld.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Op grond van artikel 2 juncto 3 van de Verordening is steeds een bedrag aan rioolrecht verschuldigd voor een gedeelte van een gebouwd eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt.

Uit de woorden "als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt" leidt het Hof af dat van genot van een object pas sprake is indien de bewuste ruimte, gelet op zijn functie, voldoende zelfstandigheid bezit. Die zelfstandigheid dient naar het oordeel van het Hof te worden afgeleid uit de aard en inrichting van de ruimte, waarbij bepalend is of de gebruiker bij het gebruik van de ruimte op een wijze waarvoor die naar aard en inrichting is bestemd, meer dan bijkomstig afhankelijk is van buiten de ruimte aanwezige voorzieningen. Is dat laatste het geval dan bezit de ruimte onvoldoende zelfstandigheid.

6.2. Voor het gebruik als kantoorruimte acht het Hof de aanwezigheid van sanitaire voorzieningen in het algemeen van wezenlijk belang, aangezien de in de diverse ruimtes werkzame personen niet zonder deze voorzieningen zullen kunnen. Indien een ruimte naar aard en inrichting bestemd is voor een gebruik waarbij de in het bedrijf werkzame personen daarin slechts incidenteel en kortstondig aanwezig zijn, zoals zich bij opslagruimten zou kunnen voordoen, zijn dergelijke voorzieningen niet van wezenlijk belang. In het onderhavige geval is daarvan kennelijk geen sprake, aangezien de diverse units in gebruik zijn als kantoorruimte met normaliter aanwezigheid van personen gedurende langere tijd. Essentieel is dan dat er ten behoeve van die personen een toiletvoorziening aanwezig is.

6.3. Nu vaststaat dat in de gehuurde kantoorunits a-plein 101, 202 en 303 te Amsterdam geen eigen toiletten aanwezig zijn en de aanwezige personen aangewezen zijn op elders in het gebouw aanwezige voorzieningen, zijn de kantoorunits geen afzonderlijk geheel in de zin van artikel 2, tweede lid, onder c, van de Verordening. Dit betekent dat de aanslagen ten onrechte zijn opgelegd.

De overige stellingen van belanghebbende kunnen dan ook buiten beschouwing blijven.

7. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen in het onderhavige geval voor vergoeding in aanmerking de kosten voor rechtsbijstand van B ter zitting. Het Hof stelt deze kosten op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 322.

8. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken van verweerder en de drie opgelegde aanslagen;

- veroordeelt verweerder in de door belanghebbende gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322 en wijst de gemeente Amsterdam aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen; en

- gelast de gemeente Amsterdam het griffierecht ad € 273 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 27 januari 2005 door mr. J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van mr. B. van Schaik als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie ingesteld worden bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.