Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AS3246

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-01-2005
Datum publicatie
26-01-2005
Zaaknummer
04/01236
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in 2001 een inkomen uit werk en woning dat ten gevolge van het toerekenen van rente aan dat jaar ex artikel I, AK van de Invoeringswet IB2001, meer bedraagt dan de inkomensgrens voor de toepassing van de ouderenaftrek. Het Hof oordeelt dat het niet toepassen van de ouderenaftrek conform het doel en de strekking van de wet is.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 5.6, geldigheid: 2005-01-11
Wet inkomstenbelasting 2001 5.5, geldigheid: 2005-01-11
Wet inkomstenbelasting 2001 5.2, geldigheid: 2005-01-11
Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 I, geldigheid: 2005-01-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2005, 136
FutD 2005-0186
V-N 2005/23.10

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Zeventiende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende

tegen

een uitspraak van de inspecteur te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 2 april 2004. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 26 februari 2004, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 (hierna: de aanslag) en de daarbij bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente.

1.2. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ad € 19.221 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen ad € 5.578. De in rekening gebrachte heffingsrente bedraagt € 125. Na bezwaar tegen de aanslag en de beschikking heffingsrente zijn deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur, tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van – naar het Hof begrijpt - € 5.112 en tot vernietiging van de beschikking heffingsrente. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert uiteindelijk tot gegrond verklaring van het beroep voor zover gericht tegen de beschikking heffingsrente en tot ongegrond verklaring voor zover gericht tegen de aanslag.

1.4. Belanghebbende heeft op 8 november 2004 een pleitnota ingediend. De inspecteur heeft op 23 november 2004 een pleitnota ingediend.

1.5. Ter zitting van 8 december 2004 zijn verschenen belanghebbende en, namens de inspecteur, A.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is ongehuwd en is in 2001 65 jaar oud geworden. Zijn gemiddelde rendementsgrondslag in dat jaar bedraagt minder dan € 232.944.

2.2. Het belastbare inkomen uit werk en woning van belanghebbende is in 2001 als volgt opgebouwd:

Belastbaar loon (AOW en pensioen) € 12.865

Belastbare inkomsten uit eigen woning € 2.976

Rente € 3.380 +

Totaal € 19.221

De rente is op grond van artikel I, AK van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Invoeringswet) aangemerkt als inkomsten uit werk en woning.

3. Geschil

3.1. In geschil is of belanghebbende recht heeft op toepassing van de ouderentoeslag.

3.2. Niet langer is in geschil dat de beschikking heffingsrente dient te worden vernietigd. Het beroep is in zoverre gegrond.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

4.2. Ter zitting heeft belanghebbende nog het volgende naar voren gebracht:

Het zuivere inkomen uit werk en woning is het inkomen zonder de rente. Het nieuwe systeem wordt door de toepassing van het overgangsrecht geblokkeerd. Het inkomen uit werk en woning in 2001 bedraagt € 19.221. Ten gevolge van een correctie van de WOZ-waarde van de woning is dat minder dan ik in de stukken heb gesteld.

4.3. De inspecteur heeft ter zitting nog het volgende opgemerkt:

Per abuis is geen kopie van de aangifte en de aanslag bij het verweerschrift gevoegd. Op grond van de wettekst dient de rentecomponent in het belastbare inkomen uit werk en woning niet te worden geëlimineerd voor de ouderentoeslag. De ratio van de ouderentoeslag doet daaraan niet af. Als de wetgever inderdaad de rente niet had willen meenemen, had hij een uitzondering in de wet opgenomen. Nu hij dat niet heeft gedaan, is dat kennelijk zijn bedoeling niet.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Artikel 5.6, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) luidt, voor zover in deze van belang, als volgt:

1. Het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5, wordt verhoogd met de ouderentoeslag indien:

a. de belastingplichtige bij het einde van het kalenderjaar (...) de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, en

b. de gemiddelde rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.2, na aftrek van het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5, doch voor het in aanmerking nemen van de ouderentoeslag (saldogrondslag) niet meer bedraagt dan € 232 944 (ƒ 513 341).

Bij een inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek van:

Meer dan Maar niet meer dan Bedraagt de ouderenaftrek 50% van de saldo-grondslag, doch ten hoogste

- € 11.906 € 23.296

€ 11.906 € 16.565 € 11.648

€ 16.565 - nihil

5.2. Op grond van de letterlijke tekst van artikel 5.6 van de Wet heeft belanghebbende geen recht op de ouderentoeslag. Immers, het belastbare inkomen uit werk en woning bedraagt meer dan € 16.565. Er is geen uitzondering opgenomen voor de op grond van artikel I, AK van de Invoeringswet tot het belastbare inkomen uit werk en woning gerekende rente-inkomsten.

Belanghebbende stelt dat de op grond van de Invoeringswet in aanmerking genomen rente een “overlooppost” vormt die buiten het systeem van de Wet valt, dat in 2002 ook geen rente-inkomsten in aanmerking kunnen worden gekomen en daarom de rente-inkomsten in 2001 buiten aanmerking moeten worden gelaten voor de toepassing van artikel 5.6 van de Wet. Voor de toepassing van dat artikel bedraagt het belastbare inkomen uit werk en woning in 2001 dan € 15.841 en derhalve minder dan € 16.565.

5.3. Het Hof begrijpt de stelling van belanghebbende aldus dat hij naar zijn mening op grond van doel en strekking van de wet recht heeft op de ouderentoeslag. Omtrent het doel van artikel 5.6 van de Wet is tijdens de parlementaire behandeling hieromtrent het volgende overwogen:

Met deze toeslag wordt op globale wijze compensatie geboden voor het feit dat ouderen die naast een relatief laag inkomen uit werk en woning ook vermogensinkomsten hebben, door introductie van het vaste tarief van 30% voor inkomen uit sparen en beleggen per saldo met nadelige koopkrachteffecten zouden kunnen worden geconfronteerd. Dit nadelige koopkrachteffect hangt samen met het feit dat inkomen uit sparen en beleggen niet meer tegen het - voor hen lagere - progressieve tabeltarief maar tegen het vaste tarief van 30% in de heffing wordt betrokken. Belastingplichtigen die de leeftijd van 65 jaar nog niet hebben bereikt, ervaren door de introductie van dit vaste tarief van 30% een verlaging van het tarief voor inkomen uit sparen en beleggen. Dit geldt zowel in vergelijking met de huidige tarieven (in 1999 bedraagt het tarief in de geknipte 1e schijf 35,75% respectievelijk 37,05%) als voor de tarieven die in 2001 gaan gelden (32% in de 1e schijf). Voor ouderen geldt bij een inkomen in de 1e schijf echter een aanzienlijk lager tarief (1999: 17,85% respectievelijk 19,15%), waardoor een vast tarief van 30% voor hen nadelige gevolgen heeft.

(...)

De (...) inkomensgrenzen van € 11 500 en € 16 000 komen globaal overeen met een inkomen op het AOW-niveau voor partners (circa ƒ 15 000), aangevuld met ƒ 10 000 respectievelijk ƒ 20 000 overige inkomsten.

Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 238-239.

'Binnen de vermogensrendementsheffing wordt voorgesteld om voor belastingplichtigen van 65 jaar en ouder een zogenoemde ouderentoeslag op te nemen. Achtergrond daarvan is dat 65-plussers met een relatief laag totaalinkomen door de introductie van de vermogensrendementsheffing aanzienlijk meer moeten gaan betalen over hun inkomsten uit vermogen. Dit hangt samen met het feit dat 65-plussers met een belastbaar inkomen dat (inclusief de inkomsten uit vermogen) het maximum van de eerste schijf niet overschrijdt, in 1999 te maken hebben met een effectief tarief van 17,85% (bij een belastbaar inkomen boven ƒ 15 000 bedraagt dit tarief 19,05%). Dit tarief is lager dan het algemene tarief in de eerste schijf (35,75% over de eerste ƒ 15 000 en 37,05% over het restant van de eerste schijf) omdat 65-plussers geen AOW-premie betalen. Deze benadering wordt in de Wet inkomstenbelasting 2001 gecontinueerd. De opzet van de Wet inkomstenbelasting 2001 brengt echter met zich dat dit lagere tarief alleen binnen box I van toepassing kan zijn. Bij de vermogensrendementsheffing worden de forfaitaire inkomsten uit sparen en beleggen, ongeacht de leeftijd van de belastingplichtige die deze inkomsten geniet, belast tegen een vast tarief van 30%. Hierdoor zou deze groep 65-plussers door de introductie van de vermogensrendementsheffing in de sfeer van het inkomen uit sparen en beleggen geconfronteerd worden met een aanzienlijke lastenverzwaring, waardoor de belastingherziening voor hen per saldo een nadelig koopkrachteffect zou kunnen krijgen. Om dit ongewenste effect te voorkomen hebben wij voorgesteld om een ouderentoeslag op te nemen in het forfaitaire rendement. Op zich is het juist dat hiermee - de leden van de fractie van D66 wijzen daar op - enige afbreuk wordt gedaan aan de eenvoud van het systeem, maar gegeven de achtergrond van het voorkomen van een ongewenst koopkrachtnadeel van een specifieke groep 65-plussers achten wij een dergelijke inbreuk gerechtvaardigd. Via de ouderentoeslag kan namelijk op globale wijze compensatie voor dit koopkrachtnadeel worden geboden.'

Nader Verslag,, Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 275.

5.4. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de ouderentoeslag is bedoeld om koopkrachtverlies bij ouderen ten gevolge van de invoering van de Wet te voorkomen. Het koopkrachtverlies zou zich voordoen bij 65-plussers die vóór 1 januari 2001 een inkomen uit vermogen genieten dat (deels) belast is in de eerste en tweede belastingschijf. Dit inkomen wordt na 1 januari 2001 belast tegen het hogere tarief van 30%, het tarief waartegen het (fictief vastgestelde) inkomen uit sparen en beleggen na die datum wordt belast. Gekozen is voor een globale wijze van tegemoetkoming. Daarin ligt besloten dat mogelijk bepaalde mensen wel koopkrachtverlies lijden en niet gecompenseerd daarvoor worden door de ouderentoeslag, en andersom. Uit de wetgeschiedenis volgt voorts dat voor de hoogte van de inkomensgrenzen van € 11.906 en € 16.565 is aangesloten bij het AOW-inkomen voor een gehuwde persoon (circa ? 15.000) die daarnaast ? 10.000 (voor de lage inkomensgrens) dan wel ? 20.000 (voor de hoge inkomensgrens) aan inkomen geniet.

5.5. De mogelijkheid bestaat dat belanghebbende vóór 1 januari 2001 een inkomen uit vermogen genoot dat (deels) belast was in de eerste en tweede belastingschijf, zodat de ouderentoeslag voor hem bedoeld lijkt te zijn. Echter, uit de feiten volgt dat belanghebbende vóór 1 januari 2001 nog geen 65 jaar oud was. Van enig koopkrachtverlies ten gevolge van de invoering van de Wet kan uit dien hoofde dan ook geen sprake zijn. De regeling is niet bedoeld voor personen die in 2001 zonder de invoering van de Wet minder belasting zouden betalen. Het niet behalen van een koopkrachtwinst in 2001 ten gevolge van de invoering van de Wet kan niet worden aangemerkt als een koopkrachtverlies zoals bedoeld in de parlementaire geschiedenis van artikel 5.6 van de Wet. Het niet toekennen van de ouderentoeslag aan belanghebbende is naar het oordeel van het Hof dan ook niet in strijd met doel en strekking der wet.

5.6. Uit het vooroverwogene vloeit voort dat belanghebbende geen recht heeft op de toepassing van de ouderentoeslag. Het gelijk is derhalve in zoverre aan de inspecteur.

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Aangezien gesteld noch gebleken is dat andere in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht vermelde kosten zijn gemaakt dan de reiskosten voor het bijwonen van de zitting in Amsterdam door belanghebbende, zal het Hof de veroordeling tot die kosten beperken. Voor de vergoeding komen in aanmerking de reiskosten per openbaar vervoer, niet zijnde een taxi, laagste klasse. Het Hof begroot de kosten op € 2 in totaal.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen de beschikking heffingsrente,

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur voor zover deze betrekking heeft op de heffingsrente,

- vernietigt de beschikking heffingsrente,

- verklaart het beroep ongegrond voor zover gericht tegen de aanslag,

- gelast de inspecteur het gestorte griffierecht ad € 37 aan belanghebbende te vergoeden, en

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 2.

De uitspraak is vastgesteld op 11 januari 2005 door mr. J.P.F. Slijpen, in tegenwoordigheid van mr. T.N. van Rijn als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de vervanging in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.