Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AV0883

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-05-2004
Datum publicatie
07-02-2006
Zaaknummer
02/00766
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hof vermindert aanslagen op basis van eerder door de inspecteur gevraagde maar pas in de beroepsfase door belanghebbende verstrekte gegevens en inlichtingen. Geen aanleiding voor volledige veroordeling van de inspecteur tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 8:73 Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73, geldigheid: 2004-05-25
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e, geldigheid: 2004-05-25
Algemene wet inzake rijksbelastingen 47, geldigheid: 2004-05-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 296
FutD 2006-0295

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

uitspraken van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van de gemachtigde van belanghebbende, mr. A van het kantoor A Advocaten-Belastingkundigen te P, is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 15 januari 2002, aangevuld bij schrijven van 13 maart 2002. Het beroep is gericht tegen de in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur, gedagtekend 5 december 2001, betreffende het tegen de aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 en vermogensbelasting 1998 ingediende bezwaarschrift.

1.2. Belanghebbende heeft aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 gedaan van een belastbaar inkomen van -/- ? 16.330 en aangifte vermogensbelasting 1998 gedaan van een belastbaar vermogen van ? 32.158. Aan belanghebbende zijn in afwijking hiervan met dagtekening 1 november 2000 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 en vermogensbelasting 1998 opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ? 283.670 en belastbaar vermogen van ƒ 332.158. Na bezwaar tegen de aanslagen zijn deze bij de bestreden uitspraken gehandhaafd. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraken van de inspecteur en het verminderen van de aanslagen tot de aangegeven bedragen. De inspecteur heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

1.3. De gemachtigde heeft bij brief van 11 april 2003 stukken naar het Hof en de inspecteur gezonden. Het beroep is op 22 april 2003 behandeld ter zitting van de Eerste Meervoudige Belastingkamer. Het beroep is vervolgens aangehouden en de gemachtigde is bij brief van het Hof van 8 mei 2003 in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verstrekken. De gemachtigde heeft bij brief van 4 juni 2003 nadere informatie verstrekt. De inspecteur heeft op deze brief en nadere informatie gereageerd in een schrijven van 10 juli 2003. Het beroep is vervolgens opnieuw behandeld ter zitting van de Eerste Meervoudige Belastingkamer op 19 augustus 2003. Van het verhandelde op de zittingen zijn door de griffier processen-verbaal opgemaakt die zijn aangehecht aan deze uitspraak. Bij brief van 19 augustus 2003 is aan partijen medegedeeld dat in het beroep schriftelijk uitspraak zou worden gedaan.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 1964, heeft op 23 april 1997 tezamen met Y, destijds de partner van belanghebbende, een koopcontract gesloten waarbij beide partijen, ieder voor de onverdeelde helft, het pand A-straat 1 te Q (hierna: het pand) hebben gekocht voor ? 1.185.000 kosten koper, inclusief ? 20.000 voor roerende zaken. Ter zake van deze verkrijging was ? 69.000 overdrachtsbelasting verschuldigd. Bij akte van 16 september 1997 is het pand aan belanghebbende en Y geleverd.

2.2. Bij akte van 16 september 1997 is door belanghebbende aan C B.V. te R het recht van hypotheek op het pand gegeven als zekerheid voor de terugbetaling van een geldlening van ? 202.000. Blijkens een brief van C B.V. van 17 september 1997 is op 16 september 1997 tevens een akte gepasseerd waarbij Y het recht van hypotheek op het pand heeft gegeven als zekerheid voor de terugbetaling van een geldlening van ? 200.000.

2.3. Belanghebbende heeft in 1997 het hem in eigendom toebehorende pand B-straat 1 te Amsterdam voor ? 925.000 verkocht. Na aflossing van een hypothecaire geldlening van ? 150.000 kreeg belanghebbende de beschikking over een bedrag van ? 775.000.

2.4. Belanghebbende heeft in zijn op 4 juni 1999 gedagtekende aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 en vermogensbelasting 1998 een belastbaar inkomen en vermogen aangegeven met de volgende samenstelling.

Loon Stichting C van 1/1 tot 31/1 ? 5.000

Beroepskosten ? 500

? 4.500

Huurwaarde eigen woning A-straat 1 ? 2.437

Hypotheekrente van de eigen woning ? 12.423

Inkomsten uit B-straat 1 ? 0

Rente van schulden ? 10.844

? 10.844

Belastbaar inkomen -/- ? 16.330

Eigen woning A-straat 1 ? 150.000

Auto ? 4.000

Banktegoed ? 27.508

Contant geld ? 650

Totaal bezittingen ? 182.158

Hypotheekschuld ? 150.000

Belastbaar vermogen ? 32.158

2.5. Gedurende de periode 6 april 2000 tot 11 oktober 2000 heeft de inspecteur met de gemachtigde van belanghebbende gecorrespondeerd omtrent door de inspecteur naar aanleiding van de aangiften gestelde vragen en door hem gedane verzoeken tot verstrekking van nadere informatie. Deze vragen en verzoeken waren uiteindelijk erop gericht een sluitend inzicht te verkrijgen in de aanwending door belanghebbende van de met de verkoop van het pand B-straat 1 verkregen gelden en de voor aankoop van het pand A-straat 1 verworven gelden.

2.6. Bij brief van 11 oktober 2000 is belanghebbende medegedeeld dat het aangegeven belastbaar inkomen met ? 300.000 zou worden verhoogd omdat de uitgaven die belanghebbende in 1997 had gedaan niet aantoonbaar verantwoord konden worden uit de aangegeven bron van inkomen en onvoldoende duidelijkheid en opheldering was verschaft doordat de door de inspecteur gestelde vragen niet waren beantwoord door belanghebbende en verzochte bescheiden, waaronder hypotheekakten en notariële afrekeningen met betrekking tot de panden A-straat 1 en 135, door hem niet waren overgelegd. Met dagtekening 1 november 2000 zijn aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 en vermogensbelasting 1998 opgelegd die dienovereenkomstig afwijken van de ingediende aangiften. Belanghebbende heeft tegen deze aanslagen bezwaar aangetekend.

2.7. In de loop van 2001 heeft bij belanghebbende een onderzoek plaatsgevonden. Gedurende de periode daarna heeft de inspecteur wederom met de gemachtigde van belanghebbende gecorrespondeerd omtrent de door de inspecteur gestelde vragen over de aangiften en door hem gedane verzoeken nadere informatie te verstrekken. In een brief van 25 oktober 2001 heeft de inspecteur een overzicht gegeven van de door hem verzochte kopieën van bescheiden die, zo stelt de inspecteur, ondanks herhaalde verzoeken niet door belanghebbende zijn overgelegd, te weten:

- de afrekennota van de notaris m.b.t. het pand B-straat 1;

- de stortingsbewijzen inzake de afwikkeling van de hypotheek en de verkoop van het pand B-straat 1;

- de afrekennota van de notaris m.b.t. het pand A-straat 1; en

- de stortingsbewijzen inzake de afwikkeling van de hypotheek en de aankoop van het pand A-straat 1.

2.8. Het bezwaar van belanghebbende is bij uitspraken van de inspecteur van 5 december 2001 ongegrond verklaard.

2.9. De onder 1.3 vermelde brief van de griffier van 8 mei 2003 luidt onder meer als volgt:

“Het Hof is tot het voorlopig oordeel gekomen dat belanghebbende op grond van het bepaalde in artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gehouden is de afrekeningen van de notaris betreffende de verkoop van het pand B-straat 1 en de aankoop van het pand A-straat 1 aan de inspecteur beschikbaar te stellen en – indien hij niet meer over deze afrekeningen beschikt – kopieën daarvan bij de notaris op te vragen teneinde deze stukken alsnog beschikbaar te stellen.

Het Hof acht deze stukken in het onderhavige geval van een zodanig gewicht dat de weigering die stukken aan de inspecteur beschikbaar te stellen de toepassing rechtvaardigt van de zogenoemde ‘omkering van de bewijslast’ als bedoeld in artikel 27e AWR.

Gelet op onderdeel 21 van uw pleitnota stelt het Hof u in de gelegenheid de hiervoor bedoelde afrekeningen alsnog te overleggen. Tevens acht het Hof het gewenst dat u daarbij een aansluiting opstelt tussen deze afrekeningen en bankafschrift 4/002, Productie L bij uw beroepschrift”.

2.10. In zijn brief aan het Hof van 4 juni 2003 schrijft de gemachtigde onder meer het volgende:

“Bijgaand treft u derhalve de afrekening van de notaris aangaande de verkoop van het pand B-straat 1 aan, alsmede aangaande de aankoop van het pand A-straat 1, en de door de opvolger van de notaris opgestelde aansluiting tussen de afrekeningen en bankafschrift 4/002. Tot slot voeg ik het faxbericht van notaris D van 9 april 2003 toe, in welk faxbericht hij de herkomst van de onder hem gestorte bedragen nader aangeeft”.

2.11. In zijn brief aan het Hof van 10 juli 2003 schrijft de inspecteur onder meer het volgende:

“Thans is wel duidelijk geworden waar het geld vandaan is gekomen: van Y. Weliswaar is in totaal door Y f. 228.500 gestort bij de aankoop van het perceel A-straat 1 doch onduidelijk is uit welke bron(nen) van inkomen zij deze gelden heeft verkregen. De correspondentie tussen haar en mijn ambtgenoot in R, dat ik als bijlage bij mijn nader stuk van 18 november 2002 heb gevoegd, geeft geen duidelijkheid daarover. De termijn voor navordering is inmiddels verstreken”.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende de door de inspecteur verzochte gegevens en inlichtingen al dan niet heeft verstrekt of moest verstrekken, meer in het bijzonder of die gegevens van belang kunnen zijn voor de belastingheffing te zijnen aanzien, en of de weigering van belanghebbende om die gegevens te verstrekken de toepassing rechtvaardigt van artikel 27e, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr). Indien belanghebbende in het gelijk wordt gesteld is tevens in geschil de omvang van de schadevergoeding ter zake van de door belanghebbende in verband met het bezwaar gemaakte kosten.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en de processen-verbaal van de zittingen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De inspecteur verdedigt de aanslag in eerste instantie met een beroep op hetgeen is bepaald in artikel 27e, onderdeel b, Awr. Hierin is bepaald, voor zover hier van belang, dat de rechter het beroep van de belastingplichtige ongegrond verklaart indien niet volledig is voldaan aan de verplichting van artikel 47 Awr, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Het is dan aan de belastingplichtige – zo stelt de inspecteur - om te bewijzen dat de aanslag lager moet zijn.

5.2. Artikel 47 Awr luidt, voor zover hier van belang:

1. Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur:

a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn;

b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.

5.3. Het Hof is van oordeel dat de door de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 4 juni 2003 overgelegde gegevens en inlichtingen voor de belastingheffing van belanghebbende van belang kunnen zijn omdat zij een sluitend inzicht geven in de aanwending door belanghebbende van de met de verkoop van het pand B-straat 1 verkregen gelden en de voor de aankoop van het pand A-straat 1 verworven gelden. Uit onder meer de onder 2.5, 2.6 en 2.7 genoemde en van de gedingstukken deel uitmakende correspondentie blijkt dat de inspecteur belanghebbende in de aanslag- en bezwaarfase diverse malen tevergeefs om toezending van deze gegevens en inlichtingen heeft verzocht. Het Hof acht deze gegevens en inlichtingen in het onderhavige geval van een zodanig gewicht dat de weigering deze tijdens de bezwaarfase aan de inspecteur te verstrekken, de toepassing rechtvaardigt van het bepaalde in artikel 27e Awr. Hieruit volgt dat het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op het bezwaar onjuist zijn.

5.4. Uit de gedingstukken kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat de in de aanslagen begrepen afwijkingen ten opzichte van de door belanghebbende ingediende aangiften uitsluitend zijn gebaseerd op de onduidelijkheid die was gerezen door het niet beantwoorden van vragen en verzoeken over de aanwending door belanghebbende van de met de verkoop van het pand B-straat 1 verkregen gelden en de voor aankoop van het pand A-straat 1 verworven gelden. Deze onduidelijkheid is weggenomen doordat belanghebbende in de beroepsfase alsnog de gevraagde gegevens en inlichtingen heeft verschaft. Met deze gegevens is een sluitend overzicht verstrekt van de wijze van financiering van het pand A-straat 1 en is komen vast te staan – zoals de inspecteur ook aangeeft in zijn brief van 10 juli 2003 – dat daarbij een bedrag van ? 228.500 is gestort door Y. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende daarmee ervan doen blijken dat de uitspraken op het bezwaar onjuist zijn en dat de aanslagen moeten worden vastgesteld conform de aangiften. Het gelijk is op dit punt derhalve volledig aan belanghebbende.

5.5. Tussen partijen is uiteindelijk niet meer in geschil dat er gronden zijn om de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende geleden schade voor de in verband met het bezwaar gemaakte kosten. Ook de omvang van de totale kosten van het bezwaar (€ 3.494) is tussen partijen niet langer in geschil. De inspecteur stelt zich daarbij op het standpunt dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van de helft van die totale kosten, zijnde € 1.747, vanwege de aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheid dat hij niet tijdig heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 47 Awr. Belanghebbende is van opvatting dat geen aanleiding bestaat voor een dergelijke toerekening en dat voor het volledige bedrag van € 3.494 sprake is van in redelijkheid gemaakte kosten.

5.6. Indien de inspecteur een belastingaanslag vaststelt die naderhand door de rechter wordt verminderd of vernietigd wegens een onjuiste uitleg dan wel een onjuiste toepassing van het recht, begaat dat bestuursorgaan daarmee een onrechtmatige daad jegens de belastingplichtige. Ook indien de inspecteur geen verwijt treft, moet worden aangenomen dat deze onrechtmatige daad aan de Staat dient te worden toegerekend, behoudens ingeval zich bijzondere omstandigheden voordoen. Het Hof is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden. Op grond van het hiervoor overwogene is immers komen vast te staan dat de inspecteur bij de aanslagregeling terecht op basis van de door hem aangevoerde gronden is afgeweken van de ingediende aangifte en dat belanghebbende om hem moverende redenen - wat daar verder van zij - uitdrukkelijk ervoor heeft gekozen de informatie op basis waarvan hij in het gelijk is gesteld in weerwil hiervan eerst in de beroepsfase naar voren te brengen. Daarbij weegt het Hof mee dat de inspecteur de bedoelde gegevens bij belanghebbende heeft opgevraagd vóórdat hij de aanslag heeft vastgesteld. Het Hof acht het voldoende aannemelijk dat de inspecteur de aanslag conform de aangifte had vastgesteld indien belanghebbende reeds op het hem vóór de aanslagregeling gedane verzoek de uiteindelijk bij brief van 4 juni 2003 overgelegde gegevens zou hebben verstrekt. Dat belanghebbende in de aanslagfase in de onmogelijkheid verkeerde dit te doen is niet gesteld en strookt ook niet met de nadien in beroep gebleken feiten.

5.7. Op grond van het voorgaande is het Hof van oordeel dat in beginsel geen aanleiding bestaat voor een volledige veroordeling van de inspecteur tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 8:73 Awb. Nu tussen partijen niet in geschil is dat aan belanghebbende in ieder geval een schadevergoeding van € 1.747 moet worden toegekend, zal het Hof deze schadevergoeding niet lager stellen dan het genoemde bedrag. Gelet op de hiervoor vermelde bijzondere omstandigheden ziet het Hof geen reden voor een verdergaande toerekening aan de Staat van de onrechtmatige daad dan overeenkomt met 50% van de door belanghebbende gestelde kosten.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, veroordeelt het Hof de inspecteur in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage van het Besluit opgenomen tarief op: 3 (het schrijven van een beroepschrift, het verstrekken van schriftelijke inlichtingen en verschijnen ter zitting en nadere zitting) ? 1 (wegingsfactor gewicht van de zaak: gemiddeld) ? € 322, ofwel € 966.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraken;

- vermindert de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 tot nihil;

- vermindert de aanslag vermogensbelasting 1998 tot een naar een belastbaar vermogen van ? 32.158;

- gelast de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht ad € 29 te vergoeden;

- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden schade tot een beloop van € 1.747 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen; en

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 966 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

De uitspraak is vastgesteld op 25 mei 2004 door mrs. Van der Ouderaa, voorzitter, Kostense en Lubbers, leden, in tegenwoordigheid van mr. Couperus als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.