Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AT7493

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-10-2004
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
04/1023
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu er geen sprake is van eigen schulden van de vrouw dan wel medeschulden waarvoor zij aansprakelijk kan worden gehouden, komt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de vrouw niet voor toewijzing in aanmerking.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 284
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST van 26 oktober 2004 in de zaak met

rekestnummer 1023/04 van:

[schuldenaar],

wonende aan [adres]

te [woonplaats],

APPELLANTE,

procureur: mr. G.J.J. van den Boogert.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Appellante – [[x] – is bij op 24 augustus 2004 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 16 augustus 2004 met rekestnummers 292455/292460 FT/RK 04.1158/04.1159, waarbij het verzoek van [appellante] (en haar echtgenoot [x] [echtgenoot]) tot van toe¬passing verklaring van de wettelijke schuldsanerings¬regeling is afgewezen.

1.2 Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 15 oktober 2004. Ter zitting is Thavaratanam verschenen, vergezeld van haar echtgenoot en bijgestaan door haar procureur voornoemd.

2. De gronden van de beslissing

2.1. De rechtbank is op de in de beslissing waarvan beroep vermelde gronden tot het oordeel gekomen dat [appellante] (en haar echtgenoot) bij het ontstaan van de schuld aan de Sociale Dienst Amsterdam niet te goeder trouw zijn geweest. De omvang van deze schuld, gegeven de overige schulden, is van dien aard dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 288 lid 2 onder b Faillissementswet (Fw.) naar haar oordeel dient te worden afgewezen.

2.2 In hoger beroep is het volgende gebleken.

[appellante] en haar echtgenoot hebben de Sri Lankese nationaliteit. Zij zijn in 1975 op Sri Lanka met elkaar gehuwd. De echtgenoot van [appellante] verblijft sedert 1993 in Nederland. [appellante] is op 1 juli 2001 naar Nederland gekomen met één zoon. Zij is de Nederlandse taal niet machtig, maar volgt 3 dagen per week lessen in de Nederlandse taal. Het echtpaar heeft nog twee kinderen op Sri Lanka, van 26 en 23 jaar, die bij de moeder van [echtgenoot] wonen. Hun derde kind op Sri Lanka, hun oudste zoon, is al enige tijd onvindbaar.

De totale schuldenlast van [echtgenoot] bedroeg blijkens de verklaring ex artikel 285 lid 1 onder e Fw. op 27 mei 2004 € 26.797,94, waaronder een schuld aan de Sociale Dienst Amsterdam van € 17.747,37. Deze schuld is ontstaan vanwege onterecht genoten bijstand, daar [echtgenoot] over de periode 25 september 1997 tot en met 30 juni 1998 alsmede – met onderbrekingen – over de periode 1 januari 1999 tot en met 23 maart 2000 naast zijn uitkering inkomsten uit arbeid heeft genoten. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellante] verklaard dat zij er niet van op de hoogte was dat haar echtgenoot naast inkomsten uit arbeid ook een uitkering had. Zij ontving van hem op Sri Lanka ongeveer € 150,-- per maand.

[appellante] heeft ter zitting in hoger beroep ontkend zelf schulden te hebben gemaakt.

2.3. Het hof komt tot het volgende oordeel.

Het huwelijk van [appellante] met [echtgenoot] is op Sri Lanka gesloten, zodat de regels met betrekking tot hun huwelijksvermogensrechtelijke positie wordt beheerst door het recht van dat land. Op grond van die regels bestaat er niet enige vorm van huwelijksgoederengemeenschap tussen [appellante] en [echtgenoot] (zie Bergmann/Ferid, Internationales Ehe- und Kindschaftsrecht, blz. 17 Sri Lanka).

Nu er geen sprake is van eigen schulden van [appellante] dan wel mede-schulden waarvoor zij aansprakelijk kan worden gehouden, komt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] niet voor toewijzing in aanmerking.

De beslissing van de rechtbank zal derhalve op die grond ten aanzien van [appellante] worden bekrachtigd.

3. De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt ten aanzien van [appellante] de beslissing waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Dijk, Van de Beek en Mout en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 26 oktober 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.