Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AT7348

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-11-2004
Datum publicatie
11-07-2005
Zaaknummer
23-003089-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bewezengeachte levert op: Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd, Medeplegen van poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd en medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. Veroordeling tot 4 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

rolnummer: 23-003089-03

datum uitspraak: 19 november 2004

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 6 augustus 2003 in de strafzaak onder parketnummer 13-067035-03 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1978],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in PI Overijssel, HvB Karelskamp, Almelo te Almelo.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 23 juli 2003 en in hoger beroep van 12 maart 2004, 4 juni 2004, 11 juni 2004, 18 juni 2004, 3 september 2004 en 5 november 2004.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 23 juli 2003 op vordering van de officier van justitie en de op de terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2004 op vordering van de advocaat-generaal toegestane wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1A, 4 en 5 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1B, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij

1B op 19 januari 2003 deels te Amsterdam en deels elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders de telefoons van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] afgenomen en die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vervoerd naar een woning in Amsterdam ([adres]) en [slachtoffer 1] bij zijn arm gepakt en vastgehouden en vervolgens naar voornoemde woning meegevoerd en in die woning de handen en de voeten van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] vastgetaped en vastgebonden en hun mond dichtgetaped en belemmerd die woning te verlaten en die [slachtoffer 2] bewaakt met een stofzuigerstang;

2. op tijdstippen op 19 januari 2003 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen (de telkens aan handen en voeten vastgebonden) [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, telkens met dat opzet met zijn mededaders [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meermalen met kracht tegen het gezicht hebben geslagen en met een stofzuigerstang meermalen met kracht tegen de rug en de benen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben geslagen en [slachtoffer 2] met kracht op de grond hebben gegooid;

3. op tijdstippen op 19 januari 2003 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededaders telkens opzettelijk dreigend [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd:

- “We rijden nou ergens heen, als je nou niet zegt waar het spul is, dan rijden we ergens heen en daar komen jullie niet meer uit. Het is beter als jullie nu zeggen waar het spul is” en

- “Het spul moet echt boven water komen anders gaat het echt jullie leven kosten” en

- “Luister, jullie hebben nog één kans. Het spul moet boven water komen. Als we zo naar boven lopen gaan er hele erge dingen gebeuren” en

- “Lopen, lopen anders gaan er nare dingen gebeuren” en

- “Jullie krijgen nog één kans. Jullie mogen nog één keer bellen. Hiervoor wil ik zelfs vijftien jaar zitten, maar dan wil ik eerst mijn geld terug” en

- “Jullie pakken ook zijn brood af. Hij gaat jullie flink te pakken nemen als jullie niet praten. Jullie kunnen beter praten voordat hij hier is” en

- “Jullie gaan eraan”

en hebben hij, verdachte en zijn mededaders tijdens het uiten van enige van bovengenoemde woorden met een mes de kleding van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] losgesneden en met dat mes stekende bewegingen in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] gemaakt en een machinepistool op die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] gericht en daarmee gezwaaid in de directe nabijheid van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2].

Hetgeen onder 1B, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

ten aanzien van het onder 1B bewezengeachte:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 2 bewezengeachte:

Medeplegen van poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 3 bewezengeachte:

Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank te Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar met aftrek van voorarrest, en de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toegewezen tot een bedrag van € 12.915,89 met daarbij de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van € 12.915,89 subsidiair 40 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar met aftrek van voorarrest, alsmede toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], primair tot het bedrag van € 30.357,81 en subsidiair tot een bedrag van € 20.915,89 zijnde € 20.000,00 bij wijze van voorschot voor immateriële schade en € 915,89 voor materiële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot dat bedrag.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte, zoals die ook is beschreven in het omtrent verdachte opgemaakte rapport door de psycholoog J.M. Oudejans van 31 mei 2004.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte is samen met zijn neef [medeverdachte 1], nadat [medeverdachte 1] telefonisch was meegedeeld dat er een partij cocaïne verdwenen was, naar het benzinepompstation De Hackelaer gereden om informatie over de vermiste partij cocaïne te verkrijgen van de chauffeur, [slachtoffer 2], die voor[medeverdachte 1]i de cocaïne naar Engeland zou transporteren. Bij het benzinepompstation zijn [slachtoffer 2] en zijn vriend [slachtoffer 1], die toevallig die avond in zijn gezelschap was, bij [medeverdachte 1] en verdachte in de auto gestapt. In de auto die, naar later bleek, onderweg was naar de [adres] in Amsterdam zijn de telefoons van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] afgepakt en is in dreigende taal tegen hen gesproken. Op het moment dat deze vier in de [adres] aankwamen, arriveerde vrijwel gelijktijdig een andere neef van verdachte, [medeverdachte 2]. In de woning zijn [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] langdurig van de vrijheid beroofd gehouden, waarbij zij aan handen en voeten werden vastgetaped en de mond werd afgeplakt. Nadat een zesde persoon in de woning was aangekomen, zijn de slachtoffers op allerlei manieren op een afschuwelijke wijze gemarteld, waaraan de slachtoffers voor de rest van hun leven lichamelijke en wellicht ook geestelijke littekens zullen overhouden.

Weliswaar heeft verdachte de woning verlaten voordat de ergste martelingen plaatsvonden, echter voordat hij de woning verliet heeft hij meegeholpen de slachtoffers vast te binden en heeft hij voor de aanwezigheid van het strijkijzer gezorgd en hij is bovendien later die dag in de woning teruggekeerd en heeft er toen voor gezorgd dat de toen nog als enig slachtoffer aanwezige [slachtoffer 2], de woning niet kon verlaten. Verdachte heeft zich door terug te keren derhalve niet gedistantieerd van de strafbare feiten, waaraan hij in een eerder stadium had deelgenomen, dan wel waarvan hij kon vermoeden dat deze strafbare handelingen zouden doorgaan buiten zijn aanwezigheid.

Door dit handelen heeft verdachte een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke bewegingsvrijheid van de slachtoffers. Het slachtoffer [slachtoffer 1], die verdachte als zijn vriend beschouwde, heeft - zoals ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen - onvoorstelbaar en onherstelbaar leed ondervonden en zal – naar het zich laat aanzien – nog langdurig psychische problemen blijven ondervinden.

Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 18 februari 2004 blijkt dat verdachte eerder terzake van het plegen van misdrijven is veroordeeld.

Het hof is alles overwegende van oordeel dat, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van € 30.357,81 zoals door haar ook in eerste aanleg gevorderd.

De benadeelde partij heeft door middel van haar ter terechtzitting in hoger beroep verschenen wettelijk vertegenwoordiger, mr. X.B. Sijmons, gesteld dat gedurende de tijd dat de zaak aanhangig was bij de rechtbank nog niet alle kosten bekend waren. Ook nu nog moeten medische kosten gemaakt worden en is het slachtoffer nog onder behandeling van een psycholoog.

De verdachte heeft deze vorderingen niet betwist.

Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de onder 1B, 2 en 3 bewezengeachte strafbare feiten rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te noemen bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 282, 285 (oud), 302 en 303 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1A, 4 en 5

tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1B, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1B, 2 en 3 meer of

anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte, die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien (en voorzover) de een aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan (in zoverre) zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan mr. X.B. Sijmons, als gemachtigde van de benadeelde partij, gevestigd te Amersfoort, rekening nummer [rekeningnummer] (derdenrekening) een bedrag van € 12.915,89 (twaalfduizendnegenhonderdvijftien euro en negenentachtig cent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som gelds, groot

€ 12.915,89 (twaalfduizendnegenhonderdvijftien euro en negenentachtig cent), zulks ten behoeve van [slachtoffer 1] voornoemd.

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de 7e meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. IJland-Van Veen, Hartsuiker en Wabeke, in tegenwoordigheid van Bisschop, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 november 2004.

Mr. Wabeke is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.