Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AS1889

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-11-2004
Datum publicatie
10-01-2005
Zaaknummer
297/2004 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat met betrekking tot het tweede klachtonderdeel ter zake van het onterecht doorgeven van het bankrekeningnummer van klager door de notaris aan de zwager van klager - gelet op de brief van klager aan de notaris van 18 juli 2003 waarin klager verzoekt uitbetaling onder geheimhouding van zijn bankrekeningnummer - dat dit klachtonderdeel gegrond is. Echter, het hof is tevens van oordeel dat deze handelwijze van de notaris niet dusdanig laakbaar is dat een maatregel op zijn plaats is. Het hof zal de notaris dan ook geen maatregel opleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 25 november 2004 in de zaak onder rekestnummer 297/2004 NOT van:

[naam],

wonende te [plaats]

APPELLANT,

t e g e n

MR. [naam],

notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Door appellant, verder te noemen klager is bij een op 11 maart 2004 ter griffie

ingekomen verzoekschrift – met bijlagen - tijdig hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en de kandidaat-notarissen te Leeuwarden, verder te noemen de kamer, van 10 februari 2004. Bij deze beslissing is de klacht van klager, tegen geïntimeerde, verder te noemen, de notaris ongegrond verklaard.

1.2. Op 16 april 2004 is van de zijde van de notaris een verweerschrift – met bijlagen – ter griffie ingekomen.

1.3. Op 7 mei 2004 zijn van de zijde van klager aanvullende stukken ter griffie ingekomen.

1.4. Op 24 september 2004 is van de zijde van klager een brief ter griffie van het hof ingekomen, waarin klager mededeelt af te zien van de mondelinge behandeling.

1.5. De notaris heeft zich bij brief van 29 september 2004 akkoord verklaard met deze gang van zaken.

1.6. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 14 oktober 2004. Klager en de notaris zijn, zoals aangekondigd in hun brieven van respectievelijk 23 en 29 september 2004, niet verschenen.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en van de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in haar beslissing hieromtrent heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

4. Het standpunt van klager

4.1. De klacht van klager heeft betrekking op de gedragingen van de notaris als boedelnotaris in de nalatenschap van de vader van klager, verder te noemen de erflater, jegens klager.

4.2. In de eerste plaats verwijt klager de notaris dat de nalatenschap na bijna twee jaar nog niet is vereffend, terwijl volgens het Burgerlijk Wetboek de nalatenschap binnen een jaar afgewikkeld dient te zijn. Hoewel de notaris in zijn brief van 31 oktober 2001 heeft geschreven dat het binnen een half jaar duidelijk zal zijn of er nog nagekomen posten zijn, heeft de notaris nadien niets meer van zich laten horen. Klager is van mening dat op deze manier de nalatenschap niet is vereffend.

4.3. In de tweede plaats verwijt klager de notaris dat deze tot tweemaal toe ten onrechte het bankrekeningnummer van klager heeft doorgegeven aan de zwager van klager, terwijl was afgesproken dat de notaris het uit te betalen bedrag zou overboeken naar de bankrekening van klager.

4.4. Ook legt de notaris naar de mening van klager - ten onrechte - niet het archief van de erflater aan klager over.

4.5. Bovendien heeft de notaris ten onrechte het beheer over de rekening-courant alsmede over de spaarrekening van de erflater overgelaten aan de zwager van klager en heeft de notaris hierover geen controle gehouden.

4.6. Voorts heeft de notaris een bedrag van fl. 12.235, 48 aan inkomsten niet verwerkt in de staat van inkomsten en uitgaven, en evenmin een aantal pro memorieposten.

4.7. Klager verwijt de notaris tevens dat hij niet alle originele facturen aan klager heeft overgelegd.

4.8. Naar de mening van klager heeft de notaris geen antwoord gegeven op de vraag van klager met betrekking tot een lijst met onduidelijke bedragen.

4.9. Ten slotte klaagt klager over de gang van zaken bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg. In het bijzonder beklaagt klager zich er over dat het proces-verbaal van de zitting van de kamer van 13 januari 2004 onjuistheden bevat en dat de kamervoorzitter voorafgaand aan het voorlezen van de pleitnota van klager een zodanige reactie heeft gegeven dat klager daaruit heeft moeten concluderen dat de voorzitter bevooroordeeld is. Bovendien is klager het woord ontnomen.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris betwist dat de nalatenschap nog niet is vereffend. De notaris is van mening dat er juist sprake is van een vlotte afwikkeling van de nalatenschap. De afwikkeling is begonnen op 28 februari 2001 en beëindigd op 31 oktober 2001. Er resteerde als reserve nog een post van fl. 5000,--, die te zijner tijd door de executeur-testamentair verdeeld zal worden onder de erfgenamen. De notaris wijst in dit verband naar zijn brief gericht aan klager van 31 oktober 2001, waarin de notaris tevens aangeeft dat, mocht klager nog vragen hebben dienaangaande, hij zich tot hem kan wenden.

5.2. De klacht ten aanzien van het doorgeven van het bankrekeningnummer en de klacht met betrekking tot het niet overleggen van het archief zijn, volgens de notaris, volkomen uit de lucht gegrepen.

5.3. De klacht dat de notaris het beheer over de rekening-courant en de spaarrekening aan de zwager van klager overgelaten zou hebben wijst de notaris van de hand. De executeur-testamentair heeft de administratie keurig gevoerd. De notaris heeft aan de hand van de bankbescheiden alle inkomsten en uitgaven gecontroleerd. Alle tellingen kloppen en er ontbreken geen posten. Mochten er verschillen zijn ontstaan, dan komt dat omdat klager van mening is dat bepaalde posten niet ten laste van hem hoeven te komen. Ten slotte heeft de notaris aangeboden om in overleg met de executeur-testamentair een deskundigenonderzoek te laten verrichten.

6. De beoordeling

6.1. Voor zover klager bezwaar heeft gemaakt tegen de gang van zaken in eerste aanleg, in het bijzonder dat het proces-verbaal van de zitting van 13 januari 2004 onjuistheden bevat en dat de kamervoorzitter bevooroordeeld zou zijn, alsmede dat hem het woord is ontnomen, behoeven deze bezwaren van klager geen nadere behandeling nu deze beweerdelijke tekortkomingen tengevolge van de behandeling in hoger beroep in ieder geval zijn hersteld.

6.2. Het eerste klachtonderdeel betreft het verwijt van klager dat de notaris de nalatenschap na twee jaar nog niet heeft vereffend. De notaris heeft betoogd dat uit de brief van 31 oktober 2001 blijkt dat de afwikkeling van de nalatenschap heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel gaat het hof uit van de brief 31 oktober 2001 waarvan de tekst – voor zover van belang – luidt:

“Dan resteert er nog een depot van f. 5000,-- en vermoedelijk nog wat lopende rente.

Dat bedrag blijft onder beheer van de executeur-testamentair i.v.m. eventueel na te komen nota’s of belasting (IB 2001).

Tussen nu en een half jaar zal duidelijk zijn of er nog nagekomen posten zijn, waarna het depot of het restant door de executeur wordt verdeeld.

Mocht u naar aanleiding van het vorenstaande nog vragen hebben dan kunt u uiteraard contact met mij opnemen.”

Het hof leest in deze brief dat de nalatenschap voor wat betreft de notariële werkzaamheden op dat moment is afgewikkeld, dat het restantbedrag van fl. 5000,-- onder beheer is van de executeur-testamentair en dat deze de eventuele verdeling van hetgeen resteert op zich neemt.

Na ontvangst van deze brief had het op de weg van klager gelegen zich bij voor hem eventueel nog bestaande onduidelijkheden tot de notaris te wenden en na ommekomst van de in de brief genoemde termijn van een half jaar zich te wenden tot de executeur-testamentair, die immers belast is met het beheer van het restantbedrag. Dit klachtonderdeel is dan ook tevergeefs voorgesteld. Het hof acht dit klachtonderdeel ongegrond.

6.3. Met betrekking tot het tweede klachtonderdeel ter zake van het onterecht doorgeven van het bankrekeningnummer van klager door de notaris aan de zwager van klager, is het hof van oordeel - gelet op de brief van klager aan de notaris van 18 juli 2003 waarin klager verzoekt uitbetaling onder geheimhouding van zijn bankrekeningnummer - dat dit klachtonderdeel gegrond is. Echter, het hof is tevens van oordeel dat deze handelwijze van de notaris niet dusdanig laakbaar is dat een maatregel op zijn plaats is. Het hof zal de notaris dan ook geen maatregel opleggen.

6.4. Met betrekking tot het verwijt van klager dat de notaris weigert hem het archief van de erflater af te geven is het hof van oordeel dat ook deze klacht faalt. Uit de brieven van 30 juli 2003 en 11 augustus 2003 van de notaris aan klager blijkt dat de notaris aangegeven heeft niet over het archief te beschikken, de notaris verwijst hiervoor naar de executeur-testamentair. De executeur-testamentair heeft op 11 augustus 2003 - blijkens haar brief van diezelfde datum – het archief aan klager doen toekomen. Uit het vorenstaande volgt dat de notaris niet over het archief kon beschikken. Daarenboven heeft hij bevorderd, door telefonisch contact met de executeur-testamentair op te nemen, dat klager over het archief kon beschikken. Het hof is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is.

6.5. Het hof zal de klachtonderdelen 4.5., 4.6., 4.7. en 4.8. tezamen en in samenhang bij de beoordeling betrekken daar deze klachtenonderdelen op dezelfde materie betrekking hebben. Uit de stukken is gebleken dat de verhouding tussen klager en de executeur-testamentair, zijnde de zuster van klager, problematisch van aard is. Dit vindt zijn weerslag in de verhouding tussen klager en de notaris.

Op de brief van 4 oktober 2003, waarin klager zijn klachten uit met betrekking tot de financiële afwikkeling van de nalatenschap, heeft de notaris gereageerd bij brief van 13 oktober 2003.

In deze brief stelt de notaris voor samen met de executeur-testamentair en haar echtgenoot rond de tafel te gaan zitten om alle door klager naar voren gebrachte punten te bespreken. Op dit aanbod is klager niet ingegaan.

Uit stukken blijkt verder dat de notaris ook heeft voorgesteld om in samenspraak met de executeur-testamentair een deskundige in te schakelen. Op dit aanbod is klager eveneens niet in gegaan.

Hiermee heeft klager de notaris de kans ontnomen om volledig inzicht en inzage te verschaffen in de financiële afwikkeling van de nalatenschap.

Met betrekking tot de vraag of de notaris in deze laakbaar heeft gehandeld is het hof van oordeel dat daarvan niet is gebleken. Het hof acht deze klachtonderdelen ongegrond.

6.6. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.7. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

-verklaart met vernietiging in zoverre van de beslissing van de kamer van 10 februari 2004 het klachtonderdeel zoals hiervoor onder punt 6.3. genoemd, gegrond zonder oplegging van een maatregel aan de notaris;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, A.L.G.A. Stille en P.J.N. van Os, en in het openbaar uitgesproken op donderdag 25 november 2004.

KAMER VAN TOEZICHT OVER NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE LEEUWARDEN

Reg.nr.: KvT.nr. 2003/20

UITSPRAAK

van de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Leeuwarden, hierna te noemen de Kamer, in de zaak van:

[naam]r,

wonende te [plaats],

klager,

tegen

mr. [naam],

notaris te [plaats],

hierna te noemen: de notaris.

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij brief van 14 oktober 2003, aangevuld bij brief van 23 oktober 2003, is door klager een klacht ingediend tegen de notaris. De notaris heeft schriftelijk verweer gevoerd bij brief van 5 december 2003. De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 13 januari 2004 ter vergadering van de voltallige Kamer. Klager is verschenen. De notaris is eveneens verschenen.

2. DE FEITEN

2.1 Op 18 februari 2001 is de vader van klager overleden. De notaris is opgetreden als boedelnotaris en de zuster van klager is benoemd als executeur-testamentair. Op 31 oktober 2001 stuurt de notaris klager een overzicht van de nalatenschap. Hieruit volgt dat zowel aan de zuster van klager als aan klager zelf een som van fl. 52.919,38 zal worden uitgekeerd. Er resteert een bedrag van fl. 5.000,= dat onder beheer blijft van de executeur-testamentair in verband met eventueel na te komen nota’s of belastingaanslagen. Op 12 december 2001 is de akte van depôt opgemaakt.

2.2 Op 18 juli 2003 vraagt klager de notaris om de definitieve afrekening van de nalatenschap en het archief. De notaris heeft gereageerd bij brief van 30 juli 2003 en aangegeven dat na 31 oktober 2001 geen stukken meer door hem zijn geproduceerd inzake de nalatenschap van klagers vader. Reeds in een eerder stadium heeft de notaris aan klager kenbaar gemaakt dat hij niet in het bezit was van een archief met betrekking tot de nalatenschap. Voorts deelt de notaris mee dat volgens de executeur-testamentair de verdeling van de fl. 5.000,= wacht op nadere informatie van de belastingdienst.

2.3 Aangezien klager het niet eens is met de gang van zaken beklaagt hij zich bij brief van 11 augustus 2003 bij de notaris, daar hij inzage wil hebben in alle stukken, waaronder de inkomsten en uitgaven. De notaris heeft vervolgens contact gezocht met de zuster van klager, hetgeen heeft geresulteerd in toezending van het archief, voor zover aanwezig, door de zuster aan klager. Voorts is meegedeeld dat het resterende bedrag aan klager zal worden overgemaakt. Bij brief van 4 oktober 2003 stuurt klager de notaris opnieuw een brief, waarin hij diverse vragen aan de notaris voorlegt in de vorm van een klacht.

2.4 Bij brief van 13 oktober 2003 stelt de notaris klager voor om de verdeling van de nalatenschap nog eens door te lopen, waarbij als voorwaarde wordt gesteld dat de executeur- testamentair daarbij aanwezig is. Klager mag daartoe een adviseur c.q. deskundige meenemen. Bij brief van 14 oktober 2003 wendt klager zich tot de Kamer.

3. DE KLACHT

Klager heeft de volgende klachten naar voren gebracht:

1. De nalatenschap is na bijna twee jaar nog niet afgerond, terwijl het Burgerlijk Wetboek zegt dat de nalatenschap binnen één jaar moet zijn afgewikkeld.

2. De notaris heeft ten onrechte het bankrekeningnummer van klager doorgegeven aan de zwager van klager, terwijl de afspraak was dat het uit te betalen bedrag naar klagers rekening zou worden overgeboekt door de notaris. Dit tot tweemaal toe.

3. De notaris legt ten onrechte niet het archief over van klagers vader.

4. Ten onrechte heeft de notaris de regie ten aanzien van de rekening-courant alsmede de spaarrekening aan klagers zwager overgelaten en ontbrak de controle van de notaris hierover.

5. Een bedrag van fl 12.235,48 aan inkomsten is niet verwerkt op de door de notaris opgemaakte staat van inkomsten en uitgaven, evenals diverse pro memorie posten.

6. De notaris heeft niet alle originele facturen aan klager overgelegd.

7. Er is een lijst met onduidelijke bedragen, waar de notaris geen afdoende antwoord op heeft gegeven.

4. HET STANDPUNT VAN DE NOTARIS

De notaris is van mening dat er sprake is van een zeer vlotte afwikkeling van de nalatenschap, aangezien de afwikkeling is gestart op 28 februari 2001 en geëindigd op 31 oktober 2001. Wat nog resteerde was een restpost van fl. 5.000,=, te zijner tijd door de executeur-testamentair te verdelen. Voorts concludeert de notaris dat zowel de executeur- testamentair als hijzelf er voor instaan dat de cijfers kloppen en dat iedereen heeft gekregen waar hij recht op heeft. De executeur-testamentair heeft de administratie keurig gevoerd. De opmerkingen van klager inzake het doorgeven van een bankrekeningnummer en het niet opmaken van de boedelbeschrijving zijn volkomen uit de lucht gegrepen. Aan het punt van het archief heeft de notaris aandacht besteed, door klagers zuster hieromtrent te benaderen.

5. DE BEOORDELING DOOR DE KAMER

5.1 De Kamer ziet zich gesteld voor de vraag of de notaris bij de afwikkeling van de boedel tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. De Kamer overweegt als volgt.

5.2 De Kamer constateert dat klager zich pas na anderhalf jaar tot de notaris heeft gewend teneinde duidelijkheid te verkrijgen over de afwikkeling van de nalatenschap van zijn vader. Klager had dit reeds in een eerder stadium kunnen doen, zodat eventuele onduidelijkheden eerder opgehelderd hadden kunnen worden. Voor zover klager de notaris verwijt dat de nalatenschap nog steeds niet is afgerond, merkt de Kamer op dat deze grief geen stand kan houden. Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is naar het oordeel van de Kamer genoegzaam komen vast te staan dat van de zijde van de notaris geen sprake is geweest van passiviteit en dat de notaris niet nodeloos lang bezig is geweest met de afwikkeling van de boedel.

5.3 De Kamer stelt vervolgens vast dat klager geen gebruik heeft gemaakt van het aanbod van de notaris om de gehele afwikkeling van de nalatenschap nog eens na te lopen, eventueel in aanwezigheid van een door klager meegenomen deskundige. Hierdoor heeft klager de gelegenheid laten lopen om eventuele onduidelijkheden in de afwikkeling op te helderen. Voor zover klager heeft willen betogen dat de notaris in gebreke is gebleven bepaalde vermeende onjuistheden in bedragen te ontkrachten, overweegt de Kamer dat klager niet in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat de notaris op enigerlei wijze tekortgeschoten is bij de afwikkeling van de nalatenschap. Hierbij merkt de Kamer op dat het niet aan de Kamer is om de gehele afwikkeling over te doen, doch dat de Kamer zich dient te beperken tot de beoordeling of de notaris tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. Hiervan is de Kamer niet gebleken.

5.4 Ook overigens is de Kamer niet gebleken dan wel heeft klager niet voldoende aannemelijk kunnen maken dat de notaris bij de afwikkeling van de nalatenschap van klagers vader nalatig dan wel onzorgvuldig heeft gehandeld.

5.5 Gelet op het bovenstaande wordt als volgt beslist.

6. DE BESLISSING

De Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Leeuwarden:

- verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is genomen te Leeuwarden door mr. W.K.F. Hangelbroek, voorzitter, mrs. J.C.G. Leijten, G. Gast, G. van Wijk en H.Ph. Breuker, leden, bijgestaan door mr. M.R. Molenaar, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2004.

De beslissing is verzonden op

Binnen dertig dagen na de dag van verzending van de aangetekende brief waarin van bovenstaande beslissing wordt kennisgegeven, kan hoger beroep tegen deze beslissing worden ingesteld. Dit dient te geschieden door middel van een verzoekschrift bij de griffie van het Gerechtshof te Amsterdam, Prinsengracht 436, correspondentieadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.