Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AR8448

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-11-2004
Datum publicatie
29-12-2004
Zaaknummer
04/00816
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft niet bewezen dat zij haar zoon in belangrijke mate heeft onderhouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-0088
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te P, belanghebbende,

tegen

een uitspraak met dagtekening 29 januari 2004 van Y te Z, de inspecteur, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 (de uitspraak vermeldt per vergissing 2002).

Het beroep is behandeld ter zitting van 21 oktober 2004.

Beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Belanghebbende was gedurende het gehele jaar 2000 ongehuwd. Haar belastbare inkomsten bestonden uitsluitend uit alimentatie van haar ex-echtgenoot. Op het adres van belanghebbende stond in het bevolkingsregister gedurende het gehele jaar 2000 ook de op 4 juli 1975 geboren zoon van belanghebbende ingeschreven (verder de zoon). Belanghebbende genoot voor de zoon geen kinderbijslag. De zoon had geen recht op studiefinanciering.

2. Het belastbaar inkomen van de zoon - die zelfstandig werkend disc jockey is - is over het jaar 2000 vastgesteld op f 11.615.

3. Belanghebbende heeft aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 50.100, waarbij zij heeft verzocht te worden ingedeeld in tariefgroep 4. In de aangifte claimde belanghebbende aftrek voor kosten van het levensonderhoud van de zoon ter grootte van ƒ 2.700. Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur deze aftrekpost niet geaccepteerd. Het belastbaar inkomen is vastgesteld op ƒ 52.800. Voorts heeft de inspecteur belanghebbende ingedeeld in tariefgroep 2.

4. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende kan worden ingedeeld in tariefgroep 4, en/of zij op basis van artikel 46, eerste lid, onderdeel a, aanhef en ten eerste, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 2000, hierna: de Wet) recht heeft op aftrek van buitengewone lasten in verband met uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van de zoon.

5.1. In artikel 46, eerste lid, onderdeel a, aanhef en ten eerste, van de Wet is – voor zover hier van belang - het volgende bepaald:

1. Buitengewone lasten zijn de op de belastingplichtige drukkende:

a. uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van:

1°. kinderen (…) , die jonger dan 27 jaar zijn, voor wie de belastingplichtige geen recht op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet heeft (…) en die zelf geen recht hebben op studiefinanciering ingevolge hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering of op tegemoetkoming ingevolge hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten, mits die kinderen in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden;

5.2. In artikel 55, vijfde lid, van de Wet is onder andere het volgende bepaald:

De (…) belastingplichtige geniet de alleenstaande-ouderaftrek indien hij, ongehuwd zijnde, in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden een huishouding heeft gevoerd met een kind of pleegkind dat in belangrijke mate door hem is onderhouden, en hij deze huishouding gedurende die tijd heeft gevoerd met geen ander dan kinderen of pleegkinderen die bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar niet hebben bereikt.

5.3. In artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 is bepaald dat een kind voor de toepassing van de artikelen 46, eerste lid, onderdeel a, 10 en 55, vijfde lid, van de Wet geacht wordt in belangrijke mate op kosten van de ouder te worden onderhouden indien de ouder voor het kind recht heeft op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet, dan wel indien de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten minste ƒ 56 per week beloopt.

6. Ter onderbouwing van haar stelling dat zij haar zoon financieel heeft ondersteund, heeft belanghebbende in haar beroepschrift erop gewezen dat de inkomsten die de zoon als disc jockey verdiende, in aanmerking nemende de afbetaling van een leenschuld die hij aan zijn zus gedaan had, onvoldoende waren om in zijn levensonderhoud te voorzien. Voorts schreef zij:

Het behoeft geen betoog dat, hoe treurig ook, mijn zoon bijgevolg in 2000 niet zelfstandig in zijn dagelijkse levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Voorzover het de kosten van huisvesting en voeding betrof, kon ik daarbij de helpende hand bieden (…) het levensonderhoud van mijn zoon [is] in 2000 voor een aanmerkelijk groter bedrag dan ? 56 per week voor mijn rekening (…)gekomen, immers, voor dat bedrag kon niemand in het jaar 2000 dagelijkse kost en inwoning worden geboden.

In haar pleitnota is belanghebbende op dit punt niet inhoudelijk van haar standpunt afgeweken.

7.1. Uit het hierboven onder 6 weergeven citaat - en in aanmerking nemende dat belanghebbende voor wat betreft de door haar gedane uitgaven ten behoeve van het levensonderhoud van haar zoon uitsluitend een nota van KPN Telecom overgelegd waarop een abonnement voor ‘iMac met 128 Mb extra’ voor de periode 1 oktober 2000 tot en met 30 november 2000 ten bedrage van f 219 (exclusief BTW) is gefactureerd en gelet op de overige gedingstukken - leidt het Hof af dat belanghebbende stelt dat zij kosten voor huisvesting en voeding ten behoeve van de zoon heeft gemaakt en uitsluitend om die reden recht heeft op de litigieuze aftrek/tariefgroepindeling.

7.2. In BNB 1976/214 overwoog de Hoge Raad op 25 februari 1976 (Rolno. 17 866) als volgt:

dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld, dat bij de schatting van de kosten van levensonderhoud van belanghebbendes zoon met betrekking tot de kosten verbonden aan diens kost en inwoning niet alleen de zogenaamde additionele kosten in aanmerking moeten worden genomen, maar ook een evenredig deel van de kosten die in belanghebbendes gezin ook nodig zouden zijn geweest als deze zoon in 1972 niet tot zijn huishouden had behoord, maar waarvan hij wel meegeprofiteerd heeft;

dat toch gezinsuitgaven, welke belanghebbende ook zou hebben gedaan indien zijn zoon niet tot zijn huishouden had behoord, niet - ook niet voor een evenredig deel - kunnen worden gerekend tot de ingevolge artikel 46, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 als buitengewone lasten aan te merken op belanghebbende drukkende uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van evenbedoelde zoon;

Gelet op dit arrest kunnen belanghebbendes huisvestingskosten - ook niet voor een evenredig deel - tot de kosten van levensonderhoud van de zoon gerekend worden. Het Hof neemt hierbij mede in aanmerking dat belanghebbende geen enkel feit of omstandigheid heeft gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij uitsluitend in verband met het verstrekken van huisvesting aan haar zoon hogere huisvestingskosten heeft gehad dan het geval zou zijn als de zoon niet tot haar huishouden zou behoren.

Met betrekking tot de kosten van voeding heeft belanghebbende geen enkel stuk overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat belanghebbende - rekening houdende met het hierboven aangehaalde arrest - meer dan ? 56 aan voeding ten behoeve van de zoon heeft uitgegeven. Het Hof is van oordeel dat het enkele feit dat de zoon tot haar huishouden behoorde onvoldoende is; zeker niet nu de inspecteur niet althans onvoldoende weersproken heeft gesteld dat de ex-echtgenoot van belanghebbende heeft verklaard in de kosten van het levensonderhoud van de zoon bij te dragen.

8. Het hof acht dan ook niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende, op wie in dezen de bewijslast rust, haar zoon in belangrijke mate heeft onderhouden. Dit betekent dat belanghebbende geen recht heeft op de litigieuze aftrekpost, noch op de daar haar gewenste tariefgroepindeling.

9. Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 4 november 2004 door mr. Goes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Milder-Wolbers als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door genoemd lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.