Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AR7915

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2004
Datum publicatie
03-01-2005
Zaaknummer
745/04 en 1129/04
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AU9726
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2006:AU9726
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Donor is belanghebbende in adoptieprocedure. Family life. Niet kan worden gezegd dat thans en voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat het kind niets meer van de man (de donor) in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. Niet aan alle voorwaarden voor adoptie is voldaan.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 798
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2005, 23
JPF 2005/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 23 december 2004 in de zaken met rekestnummer 745/04 en 1129/04 van:

[...],

wonende te [woonplaats],

DE MAN,

procureur: mr. R.J. Neijenhof,

t e g e n

[...],

wonende te [woonplaats],

[X],

en

[...],

wonende te [woonplaats],

DE MOEDER,

procureur: mr. S.H.R. van Heeks.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. De man is in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 17 maart 2004 van de rechtbank te Amsterdam, met rekestnummer 273361 FA RK 03.4739 en van een gedeelte van de beschikking van 16 juni 2004 van de rechtbank te Amsterdam, met rekestnummer 273361/ FA RK 03-4739.

1.2. De moeder en[ X] hebben een verweerschrift ingediend in het hoger beroep van de man tegen voornoemde beschikking van 17 maart 2004.

1.3. De beide zaken zijn op 29 september 2004 tegelijkertijd ter zitting behandeld.

2. De feiten

2.1. De moeder is zwanger geworden door kunstmatige inseminatie met het zaad van de man. Uit deze zwangerschap is op 23 mei 2000 [de minderjarige] geboren.

De moeder en [X] hebben een affectieve relatie. Zij voeren sinds 1993 een gemeenschappelijke huishouding en zijn op 20 maart 2002 gehuwd. [De minderjarige] verblijft sinds haar geboorte bij de moeder en [X]. De moeder en [X] oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige].

2.2. De man heeft de rechtbank te Utrecht verzocht om hem vervangende toestemming in de zin van artikel 1: 204 lid 3 BW te verlenen om [de minderjarige] te erkennen. Het hof te Amsterdam heeft de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep hiertegen bij arrest van 24 januari 2003 verworpen.

2.3. De man heeft sedert mei 2001 volgens een door partijen overeengekomen regeling eenmaal per drie weken gedurende enkele uren omgang met [de minderjarige] bij de moeder en [X] thuis.

3. Het geschil in het hoger beroep met rekestnummer 745/2004

3.1. Bij de beschikking van 17 maart 2004 heeft de rechtbank bepaald dat de vader niet als belanghebbende zal worden aangemerkt in de door de moeder en [X] aanhangig gemaakte procedure tot adoptie van [de minderjarige] door [X].

3.2. De man verzoekt, met vernietiging van de beschikking van 17 maart 2003 in zoverre, te bepalen dat hij als belanghebbende dient te worden aangemerkt in de adoptieprocedure.

3.3. De moeder en [X] verzoeken de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Het geschil in het hoger beroep met rekestnummer 1129/2004

4.1. Bij de bestreden beschikking is op verzoek van de moeder en geïntimeerde de adoptie uitgesproken door [X] van [de minderjarige] en is bepaald dat [de] geslachtsnaam [van de minderjarige] [geslachtsnaam moeder] zal blijven.

4.2. De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het verzoek tot adoptie van [de minderjarige] door [X] alsnog af te wijzen.

5. Beoordeling van het hoger beroep

5.1. Het hof zal het hoger beroep in beide zaken in het hiernavolgende behandelen.

5.2. De eerste vraag die beantwoording behoeft is de vraag of de man dient te worden aangemerkt al belanghebbende in de zin van artikel 798 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de adoptieprocedure. Daarvoor is van belang vast te stellen of sprake is van family life in de zin van artikel 8 EVRM tussen de man en [de minderjarige]. Partijen verschillen hierover van mening. Volgens de man is sprake van family life tussen [de minderjarige] en hem. De moeder en [X] ontkennen dat.

5.3. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het enkele donorschap van de man brengt op zichzelf geen family life tussen hem en [de minderjarige] met zich, daarvoor moet ook sprake zijn van bijkomende omstandigheden. Vaststaat dat partijen voor de conceptie van [de minderjarige] afspraken hebben gemaakt over de vormgeving van het contact tussen de man en [de minderjarige] na de geboorte. Voldoende is komen vast te staan dat de man daarbij een rol is toebedeeld in het leven van [de minderjarige]. Hoewel naar nu blijkt, de bedoelingen die partijen hadden met de afspraken over en weer niet (meer) geheel overeenstemmen, geeft het feit dat aan deze afspraken uitvoering is uitgegeven door middel van een reeds geruime tijd plaatsvindende omgang tussen de man en [de minderjarige], aanleiding er in de huidige situatie van uit te gaan dat sprake is van family life tussen de man en [de minderjarige].

5.4. Uit de memorie van toelichting bij artikel 1:227 BW blijkt dat het begrip ouder in dat artikel ruim opgevat dient te worden. Het omvat niet alleen de juridische ouder maar onder omstandigheden ook de biologische ouder. Gezien hetgeen onder 5.3. is overwogen, dient de man te worden aangemerkt als ouder in de zin van het bepaalde in artikel 1:227 BW en dient hij derhalve aangemerkt te worden als belanghebbende in de adoptieprocedure. De beschikking van de rechtbank van 17 maart 2004 kan daarom niet in stand blijven.

5.5. Vervolgens rijst de vraag of aan de wettelijke voorwaarden voor adoptie van [de minderjarige] is voldaan. Vooropgesteld dient te worden dat bij adoptie juridisch ouderschap wordt gecreëerd en alle juridische banden met de oorspronkelijk ouder worden verbroken. Dit maakt dat adoptie met veel waarborgen moet zijn omgeven. Ingevolge artikel 1:227 derde lid kan het verzoek tot adoptie alleen worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden genoemd in artikel 228, wordt voldaan.

5.6. Het hof zal eerst onderzoeken of op dit moment ook voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat [de minderjarige] niets meer van de man in zijn hoedanigheid als ouder te verwachten heeft.

5.7. Partijen zijn het er over eens dat de moeder en [X] de verzorgende ouders van [de minderjarige] zijn. De man stelt echter dat hij ook invulling wil en wat hem betreft ook kan geven aan het ouderschap door er te zijn voor [de minderjarige] op het moment dat [deze] “levensvragen” heeft als [deze] ouder wordt. Ook zou hij graag opvoedende taken op zich nemen en in emotionele zin betrokken blijven bij [de] ontwikkeling [van de minderjarige]. De moeder en [X] willen niet dat de man deze rol op zich neemt.

5.8. Het hof overweegt het volgende. Ouderschap impliceert het dragen van verantwoordelijkheid jegens het kind, onder meer ten aanzien van verzorging en opvoeding, maar ook door het geven van aandacht en affectie. De vader krijgt daarvoor vooralsnog van de moeder en [X], die samen het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uitoefenen, weinig tot geen ruimte. Dit is echter niet doorslaggevend.

Uit de wetgeschiedenis blijkt dat indien (in dit geval) de man zijn rol als ouder wel wil vervullen, maar zulks in feite belet wordt door degenen die het gezag hebben over het kind, niet mag worden aangenomen dat aan voormeld door de wet gestelde criterium voor adoptie is voldaan. Bovendien valt op dit moment, gelet op het tot stand gekomen family life tussen de man en [de minderjarige] en de inzet die de man daarbij heeft getoond, met onvoldoende zekerheid vast te stellen dat de rol van de man in de toekomst niet van relevante betekenis voor [de minderjarige] zal kunnen zijn.

Het vorenstaande overziend, komt het hof tot de conclusie dat in deze zaak niet kan worden gezegd dat thans en voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat [de minderjarige] van de man in diens hoedanigheid van ouder niets meer te verwachten heeft. Derhalve is niet aan alle voorwaarden voor adoptie is voldaan en zal het verzoek daartoe alsnog worden afgewezen.

5.9. Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. Beslissing

Het hof:

bepaalt dat de man in de adoptieprocedure als belanghebbende wordt aangemerkt, met vernietiging van de beschikking van de rechtbank d.d. 17 maart 2004 in zoverre;

vernietigt de beschikking van de rechtbank d.d. 16 juni 2004 en wijst het inleidend verzoek van de moeder en geïntimeerde alsnog af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.E. van Zandwijk-Hillebrands, L.H.A.M. Voncken en J.Th.L. Brouwer in tegenwoordigheid van mr. I.S. Kuijken als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2004.