Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AR7189

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-10-2004
Datum publicatie
08-12-2004
Zaaknummer
02/4264 DK
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Douanekamer stelt voorop dat de indelingsverordening, naar volgt uit artikel 3 daarvan, eerst op 6 juli 1999 in werking is getreden, en derhalve nog niet van toepassing was ten tijde van de litigieuze aangiften voor het vrije verkeer. Anders dan de inspecteur stelt, volgt naar het oordeel van de Douanekamer uit de considerans, noch uit de bepalingen van de indelingsverordening dat deze ook van toepassing is op goederen welke vóór de inwerkingtreding daarvan voor het vrije verkeer zijn aangegeven. Daarbij merkt de Douanekamer op dat de in de bijlage bij de indelingsverordening vermelde tuinpaviljoens reeds afwijken van de door belanghebbende voor het vrije verkeer aangegeven partytenten in die zin dat de overkapping van de door belanghebbende voor het vrije verkeer aangegeven partytenten van een ander materiaal is dan de in de bijlage bij de indelingsverordening opgenomen tuinpaviljoens. De Douanekamer zal mitsdien bij de beoordeling van het geschil de indelingsverordening buiten beschouwing laten.

Belanghebbende heeft kopieën overgelegd van drie door de inspecteur op 27 april 1998 aan een ander dan belanghebbende verstrekte BTI’s betreffende de tariefindeling van de in deze BTI’s als partytenten omschreven goederen. Krachtens de communautaire bepalingen kan evenwel slechts degene ten behoeve van wie een bindende tariefinlichting is afgegeven, daaraan rechten ontlenen met betrekking tot de indeling van de goederen waarvoor de inlichting is verstrekt. De Douanekamer verwijst te dezen naar het bepaalde in de artikelen 4, lid 5 en 12, leden 2 en 3, van het CDW en artikel 10, lid 1, van de Uitvoeringsverordening CDW, alsmede naar het arrest van de Hoge Raad van 21 november 2003, nr. 38 458 (onder meer gepubliceerd in Douanerechtspraak 2004/7). Hieruit volgt dat belanghebbende geen rechten kan ontlenen aan de door haar overgelegde kopieën van de BTI’s.

Tussen partijen is niet in geschil - de Douanekamer verwijst te dezen naar de tot de gedingstukken behorende correspondentie welke na de mondelinge behandeling tussen de Douanekamer en partijen is gevoerd - dat de door belanghebbende voor het vrije verkeer aangegeven goederen een product betreft dat bestaat uit een overkapping van polyester van 3m x 3m, zonder zijwanden die wordt gespannen over een uit een buizenframe bestaand “geraamte” op vier poten. Naar het oordeel van de Douanekamer dienen dergelijke goederen te worden aangemerkt als een tuinparasol of een dergelijk artikel als bedoeld in post 6601 1000 van het GDT, nu zij in wezen dezelfde kenmerken vertonen als een traditionele (tuin)parasol en voor dezelfde doeleinden gebruikt kunnen worden. Aan dit oordeel doet niet af de omstandigheid dat de onderhavige goederen geen centrale stok hebben, doch op een geraamte met vier poten rusten. Steun hiervoor vindt de Douanekamer in de toelichting van de IDR op post 6601 van het GDT, waarin – als geciteerd onder 3.3 – uitdrukkelijk is aangegeven dat het voor de hoedanigheid van een parasol of dergelijk artikel niet uitmaakt van welke stof het overtrek of het geraamte zijn vervaardigd.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de door belanghebbende voor het vrije verkeer aangegeven partytenten bij de aangiften voor het vrije verkeer terecht zijn ingedeeld onder post 6601 1000 van het GDT. Het beroep is mitsdien gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 02/04264 DK

de dato 12 oktober 2004

1. De procedure

1.1. Op 26 juli 2002 is ter griffie een beroepschrift ingekomen van G van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid G B.V. te B, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict R (hierna: de inspecteur) van 17 juni 2002, kenmerk 01/42/2416/143, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de in één aanslagbiljet (hierna: de UTB) vervatte uitnodigingen tot betaling van 23 april 2001, kenmerk 0069.62.622/02.7.0304 ten bedrage van in totaal f 27.349,40 (€ 12.410,62) aan douanerechten, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Griffier een griffierecht van € 218 geheven.

1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Op 6 december 2002 is van belanghebbende een conclusie van repliek ingekomen. De inspecteur heeft bij brief van 7 januari 2003 een conclusie van dupliek ingediend.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van de douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: Douanekamer) van 16 maart 2004. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende G, tot bijstand vergezeld van L, alsmede namens de inspecteur drs. H en F. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de Douanekamer en aan de inspecteur. De inspecteur heeft de gelegenheid gehad zich uit te laten over de bij deze pleitnota gevoegde bijlagen. De Douanekamer rekent vermelde pleitnota en de daarbij gevoegde bijlagen tot de stukken van het geding.

1.5. De Douanekamer heeft het onderzoek heropend teneinde nadere informatie van partijen te verkrijgen. Ter zake heeft een briefwisseling met partijen plaatsgevonden. Belanghebbende heeft bij brief van 25 mei 2004 toestemming gegeven dat zonder nadere zitting op het beroep wordt beslist. De inspecteur heeft daartoe op eveneens op 25 mei 2004 toestemming gegeven.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, douane-expediteur, heeft gedurende de periode 8 mei 1998 tot en met 6 juli 1998 verschillende aangiften voor het vrije verkeer gedaan van zendingen goederen, welke in deze aangiften zijn omschreven als “partytenten, kompleet met toebehoren”. Het ging daarbij telkens om een product, bestaande uit een overkapping van polyester weefsel van 3m x 3m, zonder zijwanden, die wordt gespannen over een uit een buizenframe bestaand “geraamte” op vier poten. De goederen zijn in alle gevallen aangegeven onder tariefpost 6601 1000 van het Gemeenschappelijk Douanetarief (hierna: GDT) en zijn door de douane ook onder die post ingedeeld. Het destijds op goederen van deze tariefpost van toepassing zijnde tarief bedroeg 5,4%.

2.2. In het kader van een op de voet van artikel 78 van het communautair douanewetboek (hierna: CDW) bij belanghebbende ingestelde controle naar de juistheid van de onder 2.1 bedoelde aangiften voor het vrije verkeer, zijn monsters genomen van door belanghebbende aangegeven goederen. Bij brieven van 4 april 2001, beide met kenmerk 01/42/9991, heeft de inspecteur belanghebbende geïnformeerd dat bij dit monsteronderzoek het volgende bevonden is:

“Partytent van weefsel van synthetische textielvezels van polyester voorzien van een deklaag van kunststof van polyurethaan, zonder celstructuur, die met het blote oog kan worden waargenomen. Deze partytent moet worden ingedeeld onder TARIC-code 6306 9900 00.

Opgemerkt wordt dat op de verpakking het monster als volgt is omschreven: Hochwertiger Polyester-Pavillon, 300 D / PU-Beschictung ca. 180g/m2, 100% wetterfest, wasserabweisend ca. 250 ml/m2, UV stabit, extrem haltbare mit Polyester verstärkte klettverschlüsse. (…)”.

en

“Partytent vervaardigd van een weefsel van strippen van polyethyleen dat aan beide zijden voorzien is van een deklaag van kunststof van polyethyleen zonder celstructuur. Beide deklagen zijn met het blote oog waarneembaar. Op grond van aantekening 2a, punt 3, op hoofdstuk 59 wordt dit materiaal niet aangemerkt als zijnde textiel maar als een vel van kunststof versterkt met weefsel. De partytent moet worden ingedeeld onder TARIC-code 3926 9091 90.(…).”

2.3. Naar aanleiding van deze controle en dit monsteronderzoek heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de door belanghebbende voor het vrije verkeer aangegeven goederen ten onrechte onder tariefpost 6601 1000 van het GDT zijn ingedeeld en, afhankelijk van het materiaal waarvan zij gemaakt zijn, hadden moeten worden ingedeeld onder tariefpost 3926 9091 van het GDT dan wel tariefpost 6306 9900 van het GDT.

Op 23 april 2001 heeft de inspecteur aan belanghebbende de onder 1.1. vermelde UTB uitgereikt voor de meer verschuldigde douanerechten. De inspecteur heeft daarbij de volgende aangiften voor de daarbij vermelde bedragen gecorrigeerd:

IM 4 nummer Datum aanvaarding Indeling en tarief vlgs insp Meer verschuldigd

10000.16.342/02 98 08163548 8 mei 1998 6306.9900 (13,2%) fl. 6.747,90

2 0000.16.342/02 98 08163580 11 mei 1998 6306.9900 (13,2%) fl. 1.380,30

3 0000.16.342/02 98 08164353 26 mei 1998 Artikel 1: 6306.9900 (13,2%)

Artikel 2: 3926 9091 (0%) artikel 1: fl. 7.002,90

artikel 2: -/- fl. 1.223,50

4 0000.16.342/02 98 08165068 9 juni 1998 Artikel 1: 6303.9900 (13,2%)

Artikel 2: 3926.9091 (0%)

artikel 1: fl. 3.527,90

artikel 2: -/- fl. 1.839,70

5 0000.16.342/02 98 08165501 19 juni 1998 6306.9900 (13,2%) fl. 3.520,40

60000.16.342/02 98 08165881 1 juli 1998 6306.9900 (13,2%) fl. 3.962,80

7 0000.16.342/02 98 08165880 1 juli 1998 6306.9900 (13,2%) fl. 3.201,90

8 0000.16.342/02 98 08166060 6 juli 1998 6306.9900 (13,2%) fl. 1.068,50

fl. 27.349,40

2.4. Tot de stukken van het geding behoren afschriften van drie bindende tariefinlichtingen in de zin van artikel 12, lid 1, van het CDW (verder: de BTI’s) van 27 april 1998. De BTI’s zijn verstrekt aan L B.V. te R en betreffen partytenten met niet gesloten zijden op vier poten, waarvan het frame gevormd wordt door het ineen schuiven van ronde metalen tentstokken van verschillende lengte en doorsnede. De partytenten waarvoor de BTI’s zijn afgegeven verschillen onderling in aantallen bijbehorende stokken, afmetingen en gewicht. Twee van de drie BTI’s hebben betrekking op een partytent met een tentzeil van polyethyleen, de derde BTI vermeldt niet het materiaal waarvan het tentzeil is gemaakt. In de BTI’s zijn de daarin omschreven goederen ingedeeld onder tariefpost 6601 1000 van het GDT. Als motivering is telkens vermeld dat de indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, alsmede de tekst van GN-code 6306 en de toelichting op de GN-codes 6306 en 6601.

2.5. Op 14 juni 1999 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Commissie) Verordening (EG) Nr. 1218/1999 vastgesteld tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur (hierna: de indelingsverordening). Op grond van artikel 1 van de indelingsverordening worden de goederen, omschreven in kolom 1 van de in de bijlage bij de indelingsverordening opgenomen tabel in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de corresponderende GN-code vermeld in kolom 2 van voornoemde tabel. In de bijlage bij deze verordening is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

Omschrijving van de goederen Indeling (GN-code) Motivering

Tuinpaviljoen (afmetingen 3 m x 3 m), bestaande uit een verhemelte van dit weefsel (100% katoen). dit artikel wordt aangeboden met metalen staanders die het raamwerk moeten vormen en spanners waarmee het kan worden vastgezet aan de grond. Het weefsel vormt het dak van het artikel en bedekt de vier staanders 6306 91 00 De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1, 3 b) en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, aantekening 1 op hoofdstuk 63, alsmede de tekst van de GN-codes 6306 en 6306 91 00. Aangezien dit artikel aan de vier zijkanten open is, kan het niet worden aangemerkt als een tent.

De indelingsverordening is gepubliceerd in Pb EG L148/9 van 15 juni 1999. Zij treedt blijkens haar artikel 3 in werking op de eenentwintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, dat wil zeggen op 6 juli 1999.

3. Het geschil

3.1. Tussen partijen is uiteindelijk nog in geschil het antwoord op de volgende vragen:

I. Moeten de in 2.3 onder nummers 1 tot en met 3 (artikel 1) en 5 tot en met 8 bedoelde partytenten worden ingedeeld onder tariefpost 6601 1000 van het GDT, zoals belanghebbende voorstaat, dan wel moeten zij met toepassing van de algemene indelingsregels onder post 6306 9900 van het GDT worden ingedeeld, hetgeen de inspecteur verdedigt.

II. Is bij belanghebbende het in rechte te honoreren vertrouwen gewekt dat de onderhavige partytenten onder tariefpost 6601 1000 konden worden ingedeeld?

Niet is in geschil dat uitnodiging tot betaling welke is vastgesteld met betrekking tot de in 2.3 onder 4 vermelde aangifte voor het vrije verkeer (nummer 0000.16.342/02 98 08165068) terecht is vastgesteld tot een bedrag van – per saldo – fl. 1.688,20. Voorts heeft belanghebbende ter zitting haar beroep, voor zover betrekking hebbend op artikel 2 van de in 2.3. onder 3 vermelde aangifte voor het vrije verkeer, ingetrokken.

3.2. De relevante posten uit het GDT luiden als volgt:

Post 6306 9900

“6306

6306 99 00

Dekkleden en zonneschermen voor winkelpuien en dergelijke; tenten; zeilen voor schepen, zeilplanken, zeilwagens en zeilsleden; kampeerartikelen:

(…)

- andere:

(…)

-- van andere textielstoffen”.

Post 6601 1000

“6601

6601 1000

Paraplu’s en parasols (wandelstokparaplu’s, tuinparasols en dergelijke artikelen daaronder begrepen):

- tuinparasols en dergelijke artikelen

(…)”.

3.3. De toelichting van de IDR bij post 6601 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Deze post omvat paraplu’s en parasols van alle soorten, met inbegrip van (…) tuin-, markt- en terrasparasols, parasoltenten en dergelijke artikelen, ongeacht de stof waarvan het overtrek, de stok, het handvat of het geraamte zijn vervaardigd (…)

Parasoltenten zijn grote parasols voorzien van een rand die tot op de grond hangt en kan worden vastgezet met pennen en koord zoals bij een gewone tent, of met zandzakken. (…) Van deze post zijn uitgezonderd: (…) b. strandtenten die niet de kenmerken vertonen van eigenlijke parasols of parasoltenten (post 63.06).”.

De aanvullende toelichting van de IDR bij post 6601 vermeldt:

“Als tuinparasols en dergelijke artikelen worden beschouwd de parasols die niet zijn vervaardigd om bij het gebruik in de hand te worden gedragen maar om vastgezet te worden (bijvoorbeeld op de grond, aan een tafel of op een voetstuk. (…)”.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. De ingevoerde goederen moeten worden ingedeeld onder tariefpost 6601 1000 van het GDT. Steun voor dit standpunt wordt gevonden in de uitspraak van de Tariefcommissie van 12 mei 1997, nr. 0259/95 TC (UTC 1997/25). Ook uit de toelichting van de IDR op post 6601 blijkt dat het voor de indeling van goederen onder deze tariefpost niet uitmaakt of het geraamte bestaat uit een opvouwbaar harmonicaframe of uit een buizenframe.

4.2. De indelingsverordening is pas op 5 juli 1999 in werking getreden en gold derhalve nog niet ten tijde van de onderhavige aangiften voor het vrije verkeer. Bovendien heeft de indelingsverordening betrekking op tuinpaviljoenen met een verhemelte van 100% katoen. De onderhavige partytenten hebben een verhemelte van 100% polyester en zijn dus niet dezelfde partytenten als die waarop de indelingsverordening ziet.

4.3. Er is uitgebreid overleg gepleegd met de douane over de indeling van partytenten zoals de onderhavige. Daarbij heeft de douane altijd verwezen naar een door de EG uitgegeven boekje met foto’s en goederencodes, waarbij onder tariefpost 6601 1000 een afbeelding van een tuinpaviljoen stond. Bovendien zijn, weliswaar aan een andere importeur, BTI’s afgegeven waarin vergelijkbare partytenten onder tariefpost 6601 1000 zijn ingedeeld.

4.4. Ter zitting heeft belanghebbende hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd.

Voor zover het beroep betrekking heeft op de goederen, welke volgens de inspecteur hadden moeten worden aangegeven onder post 3926 9091 en waarop teruggaaf is verleend, wordt dat beroep hierbij ingetrokken. Voorts wordt ingetrokken het beroep tegen de uitnodiging tot betaling die is vastgesteld naar aanleiding van de aangifte met nummer 0000.16.342/02 98

08165068; deze aangifte betrof uitsluitend zijpanelen voor partytenten. Dergelijke panelen kunnen niet als tuinparasol worden aangemerkt.

Het is bekend dat een beroep op de overgelegde, niet aan belanghebbende uitgereikte, BTI’s op zich niet mogelijk is. Het wekt echter verbazing dat de douane rond het tijdstip waarop de aangiften voor het vrije verkeer zijn gedaan BTI’s heeft afgegeven waarin dezelfde soort goederen onder post 6601 1000 van het GDT zijn ingedeeld. Ten tijde van de invoer was de douane derhalve kennelijk ook van mening dat partytenten onder post 6601 1000 van het GDT moesten worden ingedeeld. De indelingsverordening bestond toen nog niet en gold toen ook niet. Er behoort dan ook niet op basis van die indelingsverordening te worden nageheven.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Partytenten als de onderhavige dienen onder post 6306 9900 te worden ingedeeld; dat volgt uit de tekst van de tariefposten, de algemene indelingsregels, aantekening 1 op hoofdstuk 63 van het GDT en de indelingsverordening. Alleen tuinparasols, bestaande uit een afdekdoek, baleinen en één voetstandaard moeten onder tariefpost 6601 1000 worden ingedeeld. Uit de uitspraak van de Tariefcommissie van 12 mei 1997, nr. 0259/95 TC (UTC 1997/25) blijkt dat partytenten met een opvouwbaar harmonicaframe en vier telescopische poten ook onder tariefpost 6601 1000 kunnen worden gebracht. Niet is gebleken dat belanghebbende tuinparasols, parasoltenten of partytenten met opvouwbaar harmonicaframe ten invoer zijn aangegeven.

5.2. De indelingsverordening betreft geen aanpassing van de indeling, maar een verduidelijking daarvan. De verordening kan derhalve ook worden toegepast op goederen welke vóór de inwerkingtreding van de verordening voor het vrije verkeer zijn aangegeven. De BTI’s die aan een andere importeur van partytenten zijn verstrekt binden de douane niet tegenover belanghebbende.

5.3. Ter zitting heeft de inspecteur, zakelijk weergegeven, nog het volgende aan zijn stellingen toegevoegd.

De uitspraak van de Tariefcommissie van 12 mei 1997 betreft een specifieke soort partytent, die enigszins op een parasol lijkt en een met dat van een “gewone” parasol vergelijkbaar uitzetmechanisme had.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. De Douanekamer stelt voorop dat de indelingsverordening, naar volgt uit artikel 3 daarvan, eerst op 6 juli 1999 in werking is getreden, en derhalve nog niet van toepassing was ten tijde van de litigieuze aangiften voor het vrije verkeer. Anders dan de inspecteur stelt, volgt naar het oordeel van de Douanekamer uit de considerans, noch uit de bepalingen van de indelingsverordening dat deze ook van toepassing is op goederen welke vóór de inwerkingtreding daarvan voor het vrije verkeer zijn aangegeven. Daarbij merkt de Douanekamer op dat de in de bijlage bij de indelingsverordening vermelde tuinpaviljoens reeds afwijken van de door belanghebbende voor het vrije verkeer aangegeven partytenten in die zin dat de overkapping van de door belanghebbende voor het vrije verkeer aangegeven partytenten van een ander materiaal is dan de in de bijlage bij de indelingsverordening opgenomen tuinpaviljoens. De Douanekamer zal mitsdien bij de beoordeling van het geschil de indelingsverordening buiten beschouwing laten.

6.2. Belanghebbende heeft, als weergegeven onder 2.4, kopieën overgelegd van drie door de inspecteur op 27 april 1998 aan een ander dan belanghebbende verstrekte BTI’s betreffende de tariefindeling van de in deze BTI’s als partytenten omschreven goederen. Krachtens de communautaire bepalingen kan evenwel slechts degene ten behoeve van wie een bindende tariefinlichting is afgegeven, daaraan rechten ontlenen met betrekking tot de indeling van de goederen waarvoor de inlichting is verstrekt. De Douanekamer verwijst te dezen naar het bepaalde in de artikelen 4, lid 5 en 12, leden 2 en 3, van het CDW en artikel 10, lid 1, van de Uitvoeringsverordening CDW, alsmede naar het arrest van de Hoge Raad van 21 november 2003, nr. 38 458 (onder meer gepubliceerd in Douanerechtspraak 2004/7). Hieruit volgt dat belanghebbende geen rechten kan ontlenen aan de door haar overgelegde kopieën van de BTI’s.

6.3. Tussen partijen is niet in geschil - de Douanekamer verwijst te dezen naar de tot de gedingstukken behorende correspondentie welke na de mondelinge behandeling tussen de Douanekamer en partijen is gevoerd - dat de door belanghebbende voor het vrije verkeer aangegeven goederen een product betreft dat bestaat uit een overkapping van polyester van 3m x 3m, zonder zijwanden die wordt gespannen over een uit een buizenframe bestaand “geraamte” op vier poten. Naar het oordeel van de Douanekamer dienen dergelijke goederen te worden aangemerkt als een tuinparasol of een dergelijk artikel als bedoeld in post 6601 1000 van het GDT, nu zij in wezen dezelfde kenmerken vertonen als een traditionele (tuin)parasol en voor dezelfde doeleinden gebruikt kunnen worden. Aan dit oordeel doet niet af de omstandigheid dat de onderhavige goederen geen centrale stok hebben, doch op een geraamte met vier poten rusten. Steun hiervoor vindt de Douanekamer in de toelichting van de IDR op post 6601 van het GDT, waarin – als geciteerd onder 3.3 – uitdrukkelijk is aangegeven dat het voor de hoedanigheid van een parasol of dergelijk artikel niet uitmaakt van welke stof het overtrek of het geraamte zijn vervaardigd.

6.4. Uit hetgeen onder 6.3 is overwogen volgt dat de door belanghebbende voor het vrije verkeer aangegeven partytenten bij de aangiften voor het vrije verkeer terecht zijn ingedeeld onder post 6601 1000 van het GDT. Het beroep is mitsdien gegrond.

7. De proceskosten

Nu niet is gebleken van aan belanghebbende beroepsmatig verleende rechtsbijstand en door belanghebbende geen aanspraak is gemaakt op reis- en verblijfkosten, acht de Douanekamer geen termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vernietigt de in de tabel in 2.3 onder nummers 1 tot en met 3 en 5 tot en met 8 vermelde uitnodigingen tot betaling

- handhaaft de in de tabel in 2.3 onder nummer 4 vermelde uitnodiging tot betaling;

- gelast de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht ad

€ 218 te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 12 oktober 2004 door mrs. Tijnagel, voorzitter, en Kennis en Van Hilten, leden, in tegenwoordigheid van mr. Van Aalst als griffier.

De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraken kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.