Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AR7037

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-11-2004
Datum publicatie
08-12-2004
Zaaknummer
03/04077
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

X is in 1994 ontslagen door het Ministerie van A. Sindsdien heeft X van de uitkeringsinstantie B een wachtgelduitkering ontvangen waarop in 2001 geen arbeidskorting is toegepast. In 2001 heeft de Centrale Raad van Beroep het ontslag vernietigd en vastgesteld dat de werkgever het achterstallige salaris aan belanghebbende moet betalen. Hof: voor het verlenen van de arbeidskorting is niet het bestaan van een dienstbetrekking doorslaggevend, maar het verrichten van tegenwoordige arbeid.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 8.11
Wet inkomstenbelasting 2001 1.7a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-2281
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst te P, hierna de inspecteur, gedagtekend 16 september 2003, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 en de daarbij bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente.

Het beroep is behandeld ter zitting van 15 november 2004.

Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1.1. Belanghebbende is in 1994 ontslagen door zijn werkgever het Ministerie van A (hierna: de werkgever). Sinds dat moment tot medio 2003 heeft belanghebbende van de uitkeringsinstantie B een wachtgelduitkering ontvangen ter grootte van 70% van zijn laatstverdiende salaris. Bij de inhouding van loonbelasting op de wachtgelduitkering door het B is in 2001 geen arbeidskorting toegepast.

1.2. Op 30 augustus 2001 heeft de Centrale Raad van Beroep belanghebbendes ontslag vernietigd en vastgesteld dat de werkgever het achterstallige salaris aan belanghebbende moet betalen.

1.3. Belanghebbende heeft aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.830. Aan belanghebbende is een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 opgelegd, waarbij geen arbeidskorting is toegepast.

2. In geschil is of belanghebbende in 2001 recht heeft op de arbeidskorting.

3.1. Ter zitting heeft belanghebbende, zakelijk weergegeven en voor zover in deze van belang, het volgende verklaard. Op het moment van het opstellen van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001 was duidelijk dat het karakter van de wachtgelduitkering anders was dan normaal, namelijk in feite een onvolledige salarisbetaling.

In april 2003 is het vanaf 1994 aan mij betaalde wachtgeld teruggevorderd en heeft het Ministerie van A mijn achterstallige salaris betaald. Door verrekening van de wachtgeldschuld met de salarisvordering is mij in dat jaar het verschil van 30% uitbetaald.

De inspecteur meet met twee maten door in 2003 de nabetaling van het salaris van 30% wel te willen belasten, maar in 2001 geen arbeidskorting te willen toepassen. Belanghebbende bestrijdt de heffing over de nabetaling in 2003.

In juli 2003 ben ik weer aan de slag gegaan bij het Ministerie. Daarvóór heb ik mijn vak bijgehouden. Ik had geen abonnementen op economische tijdschriften, veel van die informatie is op internet te vinden en voorts heb ik tijd doorgebracht in de bibliotheek van C. Ik heb in de jaren voor 2001 advocaatkosten gemaakt in verband met de procedure tegen mijn ontslag, de kosten daarvan heb ik in aftrek kunnen brengen.

3.2. Ter zitting heeft de inspecteur, zakelijk weergegeven en voor zover in deze van belang, het volgende verklaard.

Belanghebbendes activiteiten in 2001 ter verkrijging van het aanvullende salaris en het teniet doen van het ontslag, staan in een te ver verwijderd verband met de dienstbetrekking. De inkomsten in 2001 vloeien voort uit vroegere arbeid. Ik verwijs naar een uitspraak van Hof Arnhem van 3 oktober 2003, nr. 03/00338, waarin sprake was van een pensioenuitkering. Een wachtgelduitkering moet worden gelijkgesteld met een pensioenuitkering.

Het verrichten van arbeid in de tegenwoordige tijd is mijns inziens cruciaal. In de onderhavige zaak is in 2001 geen arbeid verricht in het kader van de dienstbetrekking. Belanghebbende is pas weer in 2003 aan de slag gegaan. De in 2003 ontvangen nabetaling is als loon uit tegenwoordige of vroegere arbeid belast. Ik erken dat er in 2001 een dienstbetrekking tussen belanghebbende en het Ministerie van A bestond.

4.1. Artikel 8.11, eerste lid en tweede lid, eerste volzin, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) en artikel 1.7a van de Wet luiden voor 2001 als volgt:

“8.11 1. De arbeidskorting geldt voor de belastingplichtige die met tegenwoordige arbeid winst uit een onderneming, loon of resultaat uit een werkzaamheid geniet.

2. De arbeidskorting wordt berekend over het gezamenlijke bedrag van hetgeen met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden (arbeidskortingsgrondslag). (…).”

“1.7a 1. Voor de toepassing van de artikelen 3.141, 8.11, 8.14 en 8.16 en de daarop berustende bepalingen wordt met loon uit tegenwoordige arbeid gelijkgesteld:

a. inkomsten genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid;

b. uitkeringen op grond van de Wet financiering loopbaanonderbreking en aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat.

2. Inkomsten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid zijn niet uitkeringen op grond van:

a. de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

b. de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, tenzij het uitkeringen in verband met bevalling betreffen;

c. de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

d. buitenlandse arbeidsongeschiktheidsverzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de regelingen die zijn vermeld in de onderdelen a, b en c.”

4.2. Op grond van de hiervoor vermelde artikelen is voor de beantwoording van de vraag of een belastingplichtige recht heeft op toepassing van de arbeidskorting, doorslaggevend of degene uit tegenwoordige arbeid winst uit een onderneming, loon of resultaat uit een werkzaamheid geniet. Uit de stukken maakt het Hof op dat in de onderhavige zaak niet in geschil is dat belanghebbende in 2001 geen winst uit onderneming of resultaat uit een werkzaamheid geniet en dat de door hem ontvangen wachtgelduitkering als loon moet worden aangemerkt. De vraag is derhalve of belanghebbende het loon in dat jaar geniet uit tegenwoordige arbeid.

4.3. Belanghebbende stelt dat hij in 2001 inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking heeft genoten en dat hij uit dien hoofde recht heeft op toepassing van de arbeidskorting. Kennelijk neemt belanghebbende het standpunt in dat, mocht sprake zijn van loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, voldaan is aan de eisen zoals verwoord in artikel 8.11, eerste lid, van de Wet.

4.4. Gelet op hetgeen de inspecteur ter zitting heeft verklaard, is niet (langer) in geschil dat ten gevolge van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep tussen het Ministerie van A staat en belanghebbende in 2001 een (publiekrechtelijke) dienstbetrekking bestaat. Op grond van de tekst van artikel 8.11 van de Wet acht het Hof voor het verlenen van de arbeidskorting niet het bestaan van een dienstbetrekking doorslaggevend, maar het verrichten van tegenwoordige arbeid. Deze uitleg van artikel 8.11, eerste lid, van de Wet vindt bevestiging in artikel 1.7a van de Wet, in welke bepaling enkele situaties met het genieten van loon uit tegenwoordige arbeid zijn gelijkgesteld. Het betreft situaties waarin weliswaar sprake is van een dienstbetrekking en waarbij de werkgever loon doorbetaald aan de werknemer, doch tevens situaties waarin geen sprake is van het verrichten van tegenwoordige arbeid. Dit doet zich bijvoorbeeld voor in het geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Indien door de toepassing van artikel 8.11, vanwege het bestaan van een tegenwoordige dienstbetrekking, bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid reeds recht bestond op de arbeidskorting, zou artikel 1.7a in zoverre overbodig zijn. Het Hof acht zulks weinig voor de hand liggend.

4.5. In dit verband acht het Hof mede van belang hetgeen inzake artikel 8.11 van de Wet tijdens de parlementaire behandeling daarvan als volgt is opgemerkt:

“Om het verrichten van betaalde arbeid aantrekkelijker te maken wordt een specifieke heffingskorting voor werkenden ingevoerd, de arbeidskorting. De arbeidskorting vervangt een deel van het arbeidskostenforfait van artikel 37 Wet op de inkomstenbelasting 1964. Op grond van het eerste lid ontstaat het recht op arbeidskorting bij aanwezigheid van winst uit onderneming, loon en resultaat behaald met overige werkzaamheden.”

MvT, Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 23 en 284.

“Bij een loon uit tegenwoordige arbeid bestaat aanspraak op de arbeidskorting. Deze korting bereikt haar maximum bij loon uit tegenwoordige arbeid van 100% van het wettelijk minimumloon. De keuze voor dit inkomenstraject hangt samen met de wens de arbeidskorting zodanig vorm te geven dat daarvan een maximale stimulerende werking uitgaat op mensen in een uitkeringssituatie om toe te treden tot de arbeidsmarkt.”

MvT, Kamerstukken II 1998/99, 26 728, nr. 3, blz. 42.

4.6. De hiervoor aangehaalde passages bevestigen dat voor het verlenen van de arbeidskorting – anders dan door belanghebbende is gesteld – het verrichten van tegenwoordige arbeid is vereist.

4.7. Voor zover belanghebbende stelt dat hij in 2001 loon uit tegenwoordige arbeid heeft genoten, geldt het volgende. Belanghebbende bedoelt kennelijk dat hij in 2001 werkzaamheden heeft verricht in het kader van het teniet doen van het ontslag en dat daaruit voortvloeiend in 2001 inkomsten zijn genoten, die achteraf gezien niet als wachtgelduitkering maar als looninkomsten dienen te worden aangemerkt. In dit verband heeft de inspecteur gesteld dat belanghebbende weliswaar arbeid heeft verricht in 2001, bestaande uit activiteiten met als doel het ontslag te vernietigen en achterstallige salarisbetalingen te ontvangen, doch dat die activiteiten in een te ver verwijderd verband staan tot zijn dienstbetrekking. Naar aanleiding daarvan oordeelt het Hof dat in 2001 geen inkomsten zijn genoten die voortvloeien uit de in 2001 verrichte arbeid, doch inkomsten uit vroegere arbeid, te weten de inkomsten uit hoofde van de wachtgeldregeling waarop belanghebbende recht had uit hoofde van in het verleden verrichte arbeid. Daaraan doet niet af dat, naar het Hof belanghebbende heeft verstaan, de beschikking strekkende tot het ontslag van belanghebbende in 2001 is vernietigd. Deze vernietiging leidt er op zichzelf niet toe dat het in 2001 genoten wachtgeld als inkomsten uit tegenwoordige arbeid zijn aan te merken. Voor zover belanghebbende in 2001 werkzaamheden heeft verricht kan niet worden geoordeeld dat hij ter zake van deze werkzaamheden in 2001 inkomsten heeft genoten, zodat ter zake van die werkzaamheden geen arbeidskorting kan worden verleend.

4.8. Belanghebbende stelt voorts dat hij op grond van doel en de strekking van artikel 8.11 van de Wet recht heeft op de toepassing van de arbeidskorting. In dit verband stelt hij dat het doel van de arbeidskorting is het aantal uitkeringsgerechtigden te verminderen door aan hen geen arbeidskorting te verlenen totdat zij weer aan het werk zijn en dat hij, nu ten gevolge van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in 2001 de beëindiging van zijn ambtelijk dienstverband is vernietigd, recht heeft op toepassing van de arbeidskorting over 2001. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 8.11 van de Wet volgt weliswaar dat een belangrijk doel van de arbeidskorting inderdaad is het stimuleren van uitkeringsgerechtigden om toe te treden tot de arbeidsmarkt, maar het Hof acht het met deze doelstelling niet in strijd om belanghebbende zolang hij geen tegenwoordige arbeid verrichtte de arbeidskorting te onthouden, aangezien de arbeidskorting is te beschouwen als het (weer) gaan verrichten van tegenwoordige arbeid.

4.9. Voor zover belanghebbende stelt dat de in 2001 ontvangen wachtgelduitkering onder het bepaalde van artikel 1.7a, eerste lid, van de Wet (moeten) vallen, gaat belanghebbende ten onrechte eraan voorbij dat de opsomming in dat artikel limitatief is.

4.10. Het Hof oordeelt op grond van het voorgaande dat de arbeidskorting niet van toepassing is. Het gelijk is derhalve aan de inspecteur.

4.11. Het Hof onthoudt zich verder van een oordeel betreffende belanghebbendes stelling dat de nabetaling van het loon van 30% in 2003 niet belast is, aangezien deze kwestie eerst in het kader van een belastingaanslag over het jaar 2003 aan de orde kan komen.

5. Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 29 november 2004 door mr. E.A.G. van der Ouderaa, in tegenwoordigheid van mr. T.N. van Rijn als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt u van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.