Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AR6139

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
24-11-2004
Zaaknummer
03/04312
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende mag in 1999 geen kosten in aanmerking nemen uit hoofde van de afkoop in 2000 van een in 1997 aan een werknemer toegekend aandelenoptierecht. Ter zake van die afkoop, welke op zichzelf is gelijk te stellen met een inkoop, mag in 1999 ook geen passiefpost worden gevormd.

Belanghebbende heeft het ingestelde cassatieberoep ingetrokken.

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 9
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/6.1.10
FutD 2004-2207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap X B.V. te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is op 12 november 2003 ter griffie een beroepschrift ingekomen, ingediend door A RA (B accountants belastingadviseurs bedrijfsjuristen) te Q als haar gemachtigde (hierna: gemachtigde). Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 2 oktober 2003, betreffende de verliesvaststellingsbeschikking vennootschapsbelasting voor het jaar 1999 (hierna: de verliesvaststellingsbeschikking).

1.2. De verliesvaststellingsbeschikking is vastgesteld naar een belastbaar bedrag van negatief ƒ 18.073. Bij de bestreden uitspraak is de verliesvaststellingsbeschikking gehandhaafd.

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en tot vaststelling van het verlies 1999 op een bedrag groot ƒ 858.525.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Hij concludeert daarin tot bevestiging van de uitspraak.

1.5. Belanghebbende heeft het beroepschrift verder aangevuld bij brief van 9 april 2004.

1.6. Ter zitting van 21 april 2004 is verschenen namens belanghebbende C, tot bijstand vergezeld van D, alsmede namens de inspecteur drs. E, tot bijstand vergezeld van drs. F. Partijen hebben ieder een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Van de bij deze pleitnota’s gevoegde bijlagen hebben partijen over en weer kunnen kennisnemen en zich daarover kunnen uitlaten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Op 22 oktober 1997 heeft de besloten vennootschap X B.V. (hierna: belanghebbende) aan haar werknemers G, H en I (hierna achtereenvolgens: G, H en I), elk twee opties toegekend welke de houder van die optie het recht geven om gedurende een bepaalde termijn en tegen betaling van een bepaalde uitoefenprijs een aandeel in belanghebbende te verwerven. In de desbetreffende met evengenoemde werknemers gesloten aandelenoptieovereenkomsten is hieromtrent onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 1

In deze overeenkomst zullen de hierna vermelde woorden en uitdrukkingen de daarbij vermelde betekenis hebben:

? Aandelen: aandelen in het kapitaal van de Vennootschap recht gevende op de resultaten van de Vennootschap vanaf 1 januari 1997.

? Optie: het recht om gedurende de uitoefentermijn tegen de uitoefenprijs een aandeel per uitgeoefende optie te verwerven.

? Uitoefenprijs: de prijs waartegen Aandelen bij uitoefening van de Opties door [werknemer] kunnen worden verworven.

? Uitoefentermijn: de termijn gedurende welke [werknemer] van de Opties gebruik kan maken.

Artikel 2

De vennootschap kent per 1 juli 1997 aan [werknemer] twee Opties toe welke door [werknemer] worden aanvaard.

De looptijd van de Opties bedraagt 5 jaar (…).

De uitoefenprijs van de Opties is gelijk aan de waarde van de Aandelen bij het toekennen van de Opties bedragende ƒ 35.700 per Aandeel.

(…)

Artikel 4

De Opties worden onvoorwaardelijk toegekend en kunnen door [werknemer] worden uitgeoefend een maand na afloop van de looptijd.”

2.2. Enig houder van de aandelen in belanghebbende is tot 19 juli 2000 de besloten vennootschap J B.V. Deze vennootschap heeft op evenvermelde datum 90 percent van haar aandelen in belanghebbende voor ƒ 7.142.800 aan K B.V. verkocht. Voorafgaand aan deze transactie is in juli 2000 de aandelenoptieovereenkomst met I voor een bedrag groot

ƒ 250.000 afgekocht. Tevens is overeengekomen dat de optieovereenkomsten met G en H in stand blijven en voorts dat de kosten van de afkoop respectievelijk uitoefening van de optierechten van I, G en H ten laste van J B.V. komen.

2.3. In de voor het jaar 1999 ingediende aangifte vennootschapsbelasting heeft belanghebbende ƒ 631.452 in aftrek gebracht bij de bepaling van haar belastbare winst. In een bijlage bij de aangifte heeft belanghebbende evenvermeld bedrag als volgt gespecificeerd:

“Specificatie niet aftrekbare kosten en lasten:

(extracomptabel geboekt)

Informele kapitaalstorting door J B.V. in [belanghebbende]

- Afkoop aandelenoptie ƒ 250.000

- Voorziening aandelenopties ƒ 590.452

ƒ 840.452

Af:

(…)

ƒ 209.000 -/-

ƒ 631.452”

2.4. In een brief van 22 juli 2002 licht de inspecteur de verliesvaststellingsbeschikking gedagtekend (zaterdag) 24 augustus 2002, als volgt toe:

“De belastbare winst bedraagt volgens de aangifte: ƒ -/- 858.525,-

Bij:

Niet aftrekbaar zijn afkoop optierecht 250.000,-

Niet accepteren vorming voorziening aandelenopties 590.452,-,+

Gecorrigeerde belastbare winst -/- ƒ 18.073,-

(…)

De staatssecretaris is aan mogelijk in het verleden gewekt vertrouwen met betrekking tot de aftrekbaarheid van werknemersopties tegemoet gekomen in zijn besluit van 30-05-2001. Een verdergaande tegemoetkoming, zoals bepleit in uw brief van 19-07-2002, is niet mogelijk. Aangezien de aandelen feitelijk niet vóór 21-02-2001 zijn ingekocht is er niet aan de voorwaarden van het besluit voldaan. Het besluit toepassen als waren de aandelen wèl ingekocht leidt mijns inziens tot een niet door de staatssecretaris bedoelde uitkomst. Met de door U voorgestelde analoge toepassing kan ik derhalve niet instemmen.”

Tegen de verliesvaststellingsbeschikking is belanghebbende op 4 oktober 2002 in bezwaar gegaan. De bestreden uitspraak is gedagtekend 2 oktober 2003.

3. Geschil

In geschil zijn de volgende vragen:

1. Is het toegestaan dat belanghebbende in 1999 ƒ 250.000 ten laste van haar resultaat brengt ter zake van de afkoop in 2000 van het aan I toegekende optierecht?

2. Is het toegestaan dat belanghebbende in 1999 ten bedrage van ƒ 590.452 een voorziening vormt ter zake van de aan G en H toegekende optierechten?

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

Voor hetgeen partijen ter zitting naar voren hebben gebracht, wordt verwezen naar het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Met betrekking tot de in geschil zijnde vragen geldt als uitgangspunt dat uit hoofde van door een kapitaalvennootschap aan haar werknemers toegekende opties op de verkrijging van bestaande dan wel nieuw uit te geven aandelen, ter zake van na die toekenning aan de overeengekomen optieverplichting te verbinden gevolgen, geen bedrag ten laste van de winst van die vennootschap kan worden gebracht. Voor de emitterende vennootschap spelen de gevolgen van aan werknemers toegekende opties op aandelen in die vennootschap zich met andere woorden af in de zogenoemde kapitaalsfeer.

5.2. Belanghebbende bestrijdt op zichzelf niet de juistheid van het hiervoor geformuleerde uitgangspunt. Zij stelt zich evenwel primair op het standpunt dat door de staatssecretaris van Financiën (hierna ook: de staatssecretaris) het vertrouwen is opgewekt dat het voldoen aan een optieverplichting door die verplichting af te kopen dan wel door met het oog op die voldoening bestaande aandelen in te kopen, tot een last leidt die in aftrek van de winst mag komen. Belanghebbende verwijst in dit verband onder meer naar de volgende uitlatingen:

“Geeft een vennootschap nieuwe aandelen uit dan neemt het (eigen) vermogen van de vennootschap toe met hetgeen zij ter zake van die uitgifte heeft bedongen. Deze vermogenstoename vormt echter geen voordeel uit onderneming - winst - maar is een voordeel uit het kapitaalverkeer met de (nieuwe) aandeelhouders als zodanig; daarbij is overigens niet van belang de hoegrootheid van hetgeen de vennootschap heeft bedongen bij de uitgifte, noch de hoedanigheid van degene aan wie het aandeel wordt uitgegeven.Voor zover de vennootschap zich nu een voordeel laat ontgaan binnen het kapitaalverkeer met de (nieuwe) aandeelhouders als zodanig, door minder (agio) te bedingen dan mogelijk is, kan dat gemis dan ook geen negatief voordeel uit onderneming vormen, ook al houdt dit 'offer' in de kapitaalsfeer verband met de uitoefening van de onderneming. Het verstrekken van opties op door de vennootschap uit te geven aandelen, ongeacht aan wie of waarom en ongeacht tegen welke koers, raakt derhalve alleen de kapitaalsfeer van de vennootschap.

Koopt de vennootschap daarentegen, gelet op de verstrekte opties, eigen aandelen in met de bedoeling deze tegen een lagere prijs dan de inkoopprijs te leveren aan de werknemer die van zijn optie gebruik maakt, dan is er naar de gangbare opvatting wel sprake van een bedrijfslast. De grootte van deze last is dan het verschil tussen de inkoopprijs en de prijs waartegen de optiehouder het aandeel verwerft.” (MvA, Kamerstukken II 1988/89, 20 881, nr. 6, blz. 7).

“Mevrouw B.M. de Vries (VVD): (…)

Ik wil ook nog een vraag stellen over de vennootschapsbelasting. Is het juist dat als een werkgever hogere uitgaven heeft terzake van de verwerving van aandelen ter voldoening van de aan de werknemers toegekende optierechten, naast het bedrag dat ingevolge artikel 9, lid 3, aftrekbaar is voor de vennootschapsbelasting, ook die hogere uitgaven alsnog in aftrek kunnen komen? Het gaat dan alleen om situaties waarin daadwerkelijk hogere kosten moeten worden gemaakt als binnen het concern aandelen moeten worden aangeschaft. Graag een reactie van de staatssecretaris op dit punt.

(…)

Staatssecretaris Vermeend: (…)

Mevrouw de Vries heeft ook gevraagd naar de uitgaven voor verwerving. Deze zijn inderdaad onderdeel van het normale winstbegrip. Het antwoord op haar vraag is dus voluit ja.”(Handelingen II 19 maart 1998, TK63, 63-4745 - 4749).

“De leden van de CDA-fractie, de PvdA-fractie en de VVD-fractie vragen vervolgens om duidelijkheid met betrekking tot de aftrekbaarheid voor de werkgever van kosten die verband houden met de afwikkeling van aandelenoptierechten, dus wanneer de werknemer gebruik maakt van zijn optie. Met betrekking tot deze vraag merk ik het volgende op. Indien de vennootschap nieuwe aandelen uitgeeft om zo de optieverplichting na te komen, vindt de afwikkeling plaats in de kapitaalsfeer en leidt derhalve niet tot additionele aftrekbare kosten. Indien de vennootschap echter bestaande aandelen verwerft ter afdekking van het optiecontract, is er sprake van een tijdelijke belegging, en vindt de afwikkeling van de optieverplichting - evenals de tijdelijke belegging - in de winstsfeer plaats, met andere woorden deze kan tot verlies of winst leiden.” (NV, Kamerstukken II 1997/98, 25 721, nr. 5, blz. 15).

5.3. Het Hof beschouwt het in dit verband als vaststaand dat belanghebbende in beginsel aan de op haar rustende optieverplichting zou voldoen door middel van levering van daartoe op enig moment door haar in te kopen (bestaande) aandelen. Ofschoon zulks op zichzelf niet uit de onder 2.1 aangehaalde optieovereenkomst is af te leiden, gaan zowel de inspecteur (verweerschrift, blz. 2) als belanghebbende (beroepschrift, blz. 2) hiervan uit.

5.4. Naar het oordeel van het Hof zijn de door belanghebbende bedoelde uitlatingen van de onderscheiden staatssecretarissen van Financiën, gelet op de context waarin die uitlatingen zijn gedaan, niet op te vatten als uitlatingen die door deze bewindslieden zijn gedaan als de voor de uitvoering van de belastingwetten verantwoordelijke ambtsdrager. Naar het oordeel van het Hof is sprake van uitlatingen die zijn gedaan in de hoedanigheid van medewetgever, op welke grond aan die uitlatingen niet een in rechte te beschermen vertrouwen kan worden ontleend.

5.5. Belanghebbende heeft erop gewezen dat de staatssecretaris zelf van mening is dat uitlatingen die eerder door hem, althans zijn ambtsvoorgangers, zijn gedaan bij belastingplichtigen vertrouwen hebben gewekt. Belanghebbende verwijst in dit verband naar het antwoord van de staatssecretaris op vragen vanuit de Tweede Kamer naar aanleiding van de arresten HR 21 februari 2001, nrs. 35.074 en 35.639, BNB 2001/160* en 161c*. Deze vragen en antwoorden luiden onder meer als volgt:

“3. Hoe verhoudt zich het oordeel van de Hoge Raad dat de afwikkeling van werknemersopties door de aankoop en doorlevering van bestaande aandelen de winstsfeer niet raakt tot de andersluidende uitlatingen (…) van uw ambtsvoorgangers?

4. Is het oordeel van de Hoge Raad in het licht van het bovenstaande niet in strijd met de wens van de wetgever en is actie van de wetgever nodig? Zo neen, waarom?

5. Deelt u de mening dat het bedrijfsleven aan de onder 3 genoemde uitlatingen het

vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de afwikkeling van personeelsopties door de aankoop en doorlevering van personeelsopties tot een aftrek kan leiden?

(…)

Antwoorden van staatssecretaris van Financiën Bos

(…)

3 en 4. In de gevallen die hebben geleid tot de arresten van de Hoge Raad van 21 maart 2001, (nr. 35 074 en nr. 35 639) waren ter dekking van het optieplan nieuwe aandelen uitgegeven. Hiervan heeft ook mijn ambtsvoorganger steeds gezegd dat dit zich in de kapitaalssfeer afspeelt. Dat oordeel is nu door de Hoge Raad bevestigd. Hoewel dit in de casus niet aan de orde was, heeft de Hoge Raad, ten overvloede, aangegeven dat ook het resultaat op aandelen die zijn ingekocht om aan een optieverplichting te voldoen de winstsfeer niet raakt. Ik wil mij op de verschillende aspecten van de uitspraak waarin gekomen wordt tot een gelijke behandeling van bestaande en nieuwe aandelen voor de vennootschapsbelasting nog nader beraden. Ik ben voornemens hierover voor de zomer duidelijkheid te bieden.

5. Ja. Vanwege het bij belastingplichtigen gewekte vertrouwen zullen deze arresten geen gevolg hebben voor aanslagen vennootschapsbelasting die zien op feiten die plaats hebben gevonden voor de datum van publicatie van de arresten.” (Persbericht Ministerie van Financiën 23 maart 2001, nr. 2001/08, V-N 2001/18.22, blz. 2184).

Voorts heeft belanghebbende gewezen op het Besluit van de staatssecretaris van 30 mei 2001, welk besluit onder meer als volgt luidt:

“Vennootschapsbelasting

a. Uitleg

(…)

b. Goedkeuring

Met het gelijk behandelen van de uitgifte van nieuwe aandelen en de (her)uitgifte van ingekochte aandelen wordt naar mijn oordeel voor de vennootschapsbelasting een evenwichtig resultaat bereikt. Tijdens de parlementaire behandeling van het voorstel van wet dat heeft geleid tot de Wet van 24 juni 1998, Stb. 370, zijn in de nota naar aanleiding van het verslag (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25 721, nr. 5, blz. 15) uitlatingen gedaan die tot de conclusie kunnen leiden dat inkoop ter tijdelijke belegging mogelijk is en voorts dat het verschil tussen de inkoopprijs van de aandelen en de uitoefenprijs van de optie, voorzover dit verschil uitgaat boven het bedrag dat volgt uit artikel 9, derde lid, Wet VpB, ook als verlies ten laste van het resultaat gebracht kan worden. Uit de hiervoor genoemde arresten blijkt dat deze benadering niet juist is. Terzake van het toekennen van een optie en de afwikkeling ervan kan geen andere last genomen worden dan die genoemd in artikel 9, derde lid, Wet VpB.

Om aan het mogelijk door, of op basis van, de hiervoor genoemde uitlatingen gewekte vertrouwen tegemoet te komen, keur ik goed dat indien vóór 1 september 2001, ter dekking van werknemersoptierechten, eigen aandelen zijn ingekocht, deze inkoop wordt aangemerkt als een inkoop ter tijdelijke belegging en de aandelen derhalve niet als ingetrokken worden beschouwd. Hieraan verbind ik de volgende voorwaarden:

- De aandelen zijn ingekocht in nauwe samenhang met de toegekende optierechten.

- Het waardeverloop van de ingekochte aandelen beïnvloedt het resultaat van de vennootschap niet.

- Dividend genoten op de ingekochte aandelen maakt deel uit van de belastbare winst.

- Terzake van het toekennen van de optierechten en het waardeverloop van de eruit volgende verplichting is en wordt geen groter bedrag ten laste van het resultaat gebracht dan het bedrag genoemd in artikel 9, derde lid, Wet VpB.

- Indien is ingekocht vóór 22 februari 2001 en de inkoopprijs van de ingekochte aandelen uitgaat boven de uitoefenprijs van de opties, kan in bepaalde gevallen nog een additioneel bedrag ten laste van het resultaat worden gebracht. Dit is in de gevallen waarin het verschil tussen de inkoopprijs van de aandelen en de uitoefenprijs van de opties groter is dan het bedrag dat voortvloeit uit artikel 9, derde lid, Wet VpB. De additionele last is het bedrag waarmee de inkoopprijs uitgaat boven de uitoefenprijs, nadat de uitoefenprijs is vermeerderd met het bedrag dat voortvloeit uit artikel 9, derde lid, Wet VpB.

- Indien is ingekocht ná 21 februari 2001 kan geen additioneel bedrag ten laste van het

resultaat worden gebracht.

- Indien op verschillende momenten optierechten zijn toegekend en op verschillende momenten aandelen zijn ingekocht ter dekking van de optieverplichtingen wordt een fifo-benadering gevolgd voor de bepaling welke ingekochte aandelen bij welke optieverplichting behoort.

(…)

9. Aanvaarding voorwaarden

Zoals in de inleiding reeds is opgemerkt, moeten de tegemoetkomingen in dit besluit worden gezien als een samenhangend geheel. Belastingplichtigen kunnen zich uitsluitend op deze goedkeuringen beroepen indien zij voor alle beschreven belastingmiddelen de uitleg en de voorwaarden van dit besluit uitdrukkelijk aanvaarden. Het uitdrukkelijk aanvaarden van de in dit besluit genoemde voorwaarden kan uitsluitend plaatsvinden door een daartoe strekkende schriftelijke verklaring te zenden aan de inspecteur. In de gevallen beschreven in onderdeel 7 dienen zowel de moeder- als de dochtermaatschappij de voorwaarden te aanvaarden.”, Besluit staatssecretaris van Financiën van 30 mei 2001, nr. RTB2001/1738, BNB 2001/374 (hierna: het Besluit).

5.6. Uit de hiervoor aangehaalde uitlatingen van de staatssecretaris volgt dat – in afwijking van een juiste toepassing van de Wet – door hem het standpunt wordt aanvaard dat in bepaalde situaties een last kan worden aanvaard die verband houdt met de afwikkeling van een optieverplichting na de toekenning of uitgifte van de desbetreffende optie. Met die uitlatingen heeft de staatssecretaris als de voor de uitvoering van de belastingwetten verantwoordelijke bewindsman, alsnog een in rechte te beschermen vertrouwen gewekt, waar dit aan de onder 5.2 aangehaalde uitlatingen (nog) niet kon worden ontleend.

5.7. De vraag rijst vervolgens hoever het door de staatssecretaris gewekte vertrouwen reikt en of dit belanghebbende kan baten. Bij de beantwoording van deze vraag gaat het Hof ervan uit dat de uitlatingen van de staatssecretaris worden beperkt door de in die uitlatingen gestelde voorwaarden. Tot deze voorwaarden behoort de omstandigheid dat ter dekking van de werknemersoptierechten eigen aandelen zijn ingekocht. Aan deze voorwaarde is in het onderhavige jaar, noch met betrekking tot het aan I toegekende optierecht, noch met betrekking tot de aan G en H toegekende optierechten, voldaan.

5.8. Met betrekking tot het aan I toegekende optierecht rijst de vraag of de afkoop van dit optierecht in 2000 met een inkoop van eigen aandelen als bedoeld in het Besluit kan worden gelijkgesteld. Het Hof beantwoordt deze vraag in beginsel bevestigend, aangezien er gelet op de redengeving van het (begunstigende) beleid zoals dat blijkt uit de in 5.2. en 5.4. opgenomen citaten, geen goede reden bestaat om binnen dit beleid een onderscheid te maken tussen het voldoen aan een optieverplichting door de levering van daartoe ingekochte aandelen dan wel door die optieverplichting af te kopen. Daarmee zijn de gevolgen die belanghebbende in het onderhavige jaar aan de met I overeengekomen optieverplichting wenst te verbinden nog niet binnen de werkingssfeer van het Besluit gekomen. Het standpunt van belanghebbende houdt immers in dat reeds in 1999 op grond van goedkoopmansgebruik gevolgen zijn te verbinden aan een last die mogelijk in 2000 is toe te staan. De inspecteur heeft daarentegen gesteld dat het in aanmerking nemen van een voorziening ter zake van optieverplichtingen niet onder de goedkeuring van de staatssecretaris valt.

5.9. Naar het oordeel van het Hof staat het Besluit de vorming van een passiefpost ter zake van optieverplichtingen niet toe. In de eerste plaats is uit de bewoordingen van het Besluit af te leiden dat daarin uitsluitend is gedacht aan situaties waarin het te begunstigen feit, te weten een inkoop van aandelen dan wel ook – in de zienswijze van het Hof – een afkoop van een optieverplichting, zich reeds heeft voorgedaan. Voor het met toepassing van goedkoopmansgebruik naar voren halen van de uit evenbedoeld feit voortvloeiende last is dan geen plaats. Weliswaar zou een dergelijk naar voren halen het gevolg kunnen zijn van een toepassing van het besluit van de staatssecretaris in samenhang met artikel 9 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, maar dan zou naar het oordeel van het Hof een ruimere reikwijdte aan het Besluit worden toegekend dan daarmee, gelet op de bewoordingen ervan, is bedoeld. Een zodanig ruime uitleg van het Besluit ligt ook weinig voor de hand, nu dat Besluit op zichzelf reeds een inbreuk maakt op een juiste toepassing van de wet.

5.10. Op dezelfde gronden als zijn vermeld onder 5.9 kan in het onderhavige jaar ook geen last worden aanvaard ter zake van de optieverplichtingen die belanghebbende ten aanzien van G en H is aangegaan.

5.11. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de inspecteur in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. In dit verband heeft belanghebbende gesteld dat diverse inspecties/ eenheden in vergelijkbare gevallen de in het onderhavige geval door belanghebbende gewenste last hebben aanvaard en dat daarbij sprake was van een begunstigend beleid. De inspecteur heeft deze stelling weersproken. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur met betrekking tot gevallen als het onderhavige een beleid heeft gevoerd dat afwijkt van dat van de staatssecretaris van Financiën. Evenmin heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat in een meerderheid van gelijke of vergelijkbare gevallen die onder de competentie vallen van de eenheid van de inspecteur het door haar gewenste standpunt is gevolgd. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft belanghebbende nog verwezen naar publicaties van drs. H.P.W. Snijders die op de eenheid van de inspecteur werkzaam is. Het Hof ziet hierin evenwel geen aanwijzing voor het door belanghebbende gestelde beleid, omdat, naar de inspecteur heeft gesteld en het Hof aannemelijk acht, drs. Snijders zijn bijdragen in het Weekblad voor fiscaal recht (2000, blz. 125 en 647) op persoonlijke titel heeft geschreven en er overigens geen dan wel onvoldoende reden is om te veronderstellen dat hij het standpunt van de Belastingdienst vertolkte. Voorts is niet aannemelijk geworden dat op een hoger niveau binnen de Belastingdienst dan wel als resultaat van samenwerking tussen verschillende eenheden een beleid is gevoerd zoals door belanghebbende wordt gesteld. De stelling van belanghebbende dat het door haar veronderstelde beleid tot uiting komt in de nota naar aanleiding van het verslag bij wetsvoorstel 25.721 verwerpt het Hof onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 5.3 is overwogen. Voorzover het beroep op het gelijkheidsbeginsel ertoe strekt bij de toepassing van het Besluit geen onderscheid te maken tussen situaties van inkoop van aandelen met het oog op het voldoen aan een optieverplichting en situaties van afkoop van een dergelijke verplichting, acht het Hof het beroep op het gelijkheidsbeginsel terecht, zoals ook is overwogen onder 5.8. Deze omstandigheid kan haar echter niet baten op grond van hetgeen is overwogen onder 5.9.

5.12. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het gelijk aan de inspecteur is.

6. Proceskosten

Nu de bestreden uitspraak in stand blijft en van bijzondere omstandigheden niet is gebleken, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 13 oktober 2004 door mrs. Den Boer, voorzitter, Van der Ouderaa en Slijpen, leden, in tegenwoordigheid van mr. Van Rijn als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.