Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AR5229

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-11-2004
Datum publicatie
05-11-2004
Zaaknummer
21-002427-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof te Arnhem heeft 5 november 2004 uitspraak gedaan in de zogenaamde "Utrechtse discomoord".

Het gerechtshof heeft de twee verdachten overeenkomstig de eis van de advocaat-generaal veroordeeld wegens het medeplegen van moord en het medeplegen van een tweetal pogingen tot moord tot gevangenisstraffen van 18 respectievelijk 12 jaar.

Verdachte en zijn mededader hebben op 20 april 2002 welbewust aan het leven van een jonge vrouw een einde gemaakt, door haar met een vuurwapen van dichtbij in de rug te schieten en voorts het leven van een jonge man geruïneerd, door hem met voormeld vuurwapen van dichtbij in de borst te schieten, waardoor deze voor de rest van zijn leven grotendeels verlamd zal blijven.

Door hun handelen hebben verdachte en zijn mededader aan de familie en vrienden van de slachtoffers onbeschrijfelijk en onherstelbaar leed toegebracht.

Verdachte en zijn mededader hebben voorts een andere jonge vrouw - welke getuige was van voormelde twee brute liquidaties - in een levensbedreigende situatie gebracht, door van enige afstand op haar te schieten, hetgeen haar grote angst heeft aangejaagd.

Naar het oordeel van het hof zijn de door verdachte en zijn mededader gepleegde feiten zo ernstig en gruwelijk, en voor de direct betrokkenen en de samenleving zo verontrustend, dat alleen een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur in aanmerking komt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77b
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-002427-03

Uitspraak d.d.: 5 november 2004

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Amsterdam

zitting houdende te

Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Utrecht van

15 mei 2003 in de strafzaak tegen

verdachte,

geboren te (...) op (...),

wonende te (...),

thans verblijvende in P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 18 november 2003, 20 januari 2004, 6 april 2004, 12 oktober 2004 en 22 oktober 2004 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging - tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 20 april 2002 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of diens mededader(s), voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met

voorbedachten rade) slachtoffer 1 van het leven te beroven, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet (en na kalm

beraad en rustig overleg), als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende

hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- voorzien van een vuurwapen naar/in de richting van discotheek 151 gelopen

en/of

- dat vuurwapen gericht en/of gericht gehouden in de richting van een of meer

personen en/of

- (vervolgens) dat vuurwapen gericht op die slachtoffer 1 en/of

- met dat vuurwapen (van/op korte afstand) een of meer kogel(s) afgevuurd op/in

het lichaam van die slachtoffer 1,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 20 april 2002 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk (en met voorbedachten rade) slachtoffer 2 van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben verdachte en / of (een of meer van) zijn mededader(s)

met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), met een vuurwapen (van/op

zeer korte afstand) een of meer kogel(s) afgevuurd op/in het lichaam van

voornoemde slachtoffer 2, tengevolge waarvan voornoemde slachtoffer 2 is overleden.

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 20 april 2002 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of diens mededader(s), voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met

voorbedachten rade) slachtoffer 3 van het leven te beroven, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet (en na kalm

beraad en rustig overleg) als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende

hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s)

- voorzien van een vuurwapen naar/in de richting van discotheek 151 gelopen

en/of

- dat vuurwapen gericht en/of gericht gehouden in de richting van

een of meer personen (waaronder die slachtoffer 3 zich bevond) en/of

- dat vuurwapen gericht op een persoon en/of

- met dat vuurwapen een of meer kogel(s) heeft afgevuurd op/in het lichaam van

die persoon en/of

- een andere persoon achterna gelopen/gerend en/of die persoon

een elleboogstoot gegeven (tengevolge waarvan deze uit balans raakte) en/of

- met dat vuurwapen een of meer kogel(s) afgevuurd op/in het lichaam

van die andere persoon en/of

- (vervolgens), zich omgedraaid en/of dat vuurwapen gericht en/of gericht

gehouden in de richting van die slachtoffer 3 en/of

- met dat vuurwapen een of meer kogel(s) heeft afgevuurd in de richting van

die slachtoffer 3;

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het horen van getuigen

De raadsman heeft betoogd dat op grond van het verdedigingsbelang in deze zaak alsnog de informanten als getuigen moeten worden opgeroepen, dan wel dat deze (bewijs) getuigen door de rechter-commissaris moeten worden gehoord – eventueel met inachtneming van het bepaalde bij artikel 226 Wetboek van Strafvordering – omdat de informatie in de onderliggende CIE-processen-verbaal onderling tegenstrijdig is.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat deze informatie uitgesloten dient te worden van het bewijs.

Vooropgesteld wordt dat legitieme opsporingsbelangen in het algemeen nopen tot terughoudendheid bij het horen van informanten als getuigen. Van de verdediging mag gevergd worden dat deze concrete indicaties aanreikt waarom informanten als getuigen zouden moeten worden aangemerkt en gehoord.

Het hof neemt in aanmerking dat tijdens de zittingen van 6 april 2004 en 22 oktober 2004 aan N.E. Steenman, hoofdinspecteur van politie, tevens hoofd van de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid van de Politie Regio Utrecht, reeds uitvoerige vragen zijn gesteld over de wijze waarop de CIE zowel informanten als hun informatie heeft geclassificeerd en gewaardeerd.

Ten overstaan van het gerechtshof en staande onder ambtseed zijn vragen van de verdediging beantwoord over de betrouwbaarheid van de informanten en de door hen verstrekte informatie. Vanwege de bronbescherming zijn echter verschillende vragen onbeantwoord gebleven. Het Openbaar Ministerie heeft genoegzaam aannemelijk gemaakt dat het horen van voornoemde informanten gevaar voor hun veiligheid kan opleveren.

Niettemin is aan de verdediging de mogelijkheid geboden en is deze vervolgens benut om vragen te stellen over de betrouwbaarheid van de informanten en de door hen verstrekte informatie.

Naar het oordeel van het hof zijn deze vragen met inachtneming van de legitieme eis van bronbescherming afdoende beantwoord. Het verhoor tijdens de zittingen van 6 april 2004 en

22 oktober 2004 heeft geen nadere concrete indicaties opgeleverd op grond waarvan de informanten als getuigen zouden moeten aangemerkt en bevraagd. Het hof is overtuigd van de stelling van het openbaar ministerie dat de CIE-informatie in deze strafzaak is gebruikt als hulpmiddel in het opsporingsonderzoek.

Onder voormelde omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdediging onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het horen van de informanten noodzakelijk is voor enige in deze strafzaak te nemen (bewijs)beslissing. Bovendien is door het achterwege blijven van het horen van bedoelde informanten als getuige de verdachte redelijkerwijze niet in zijn verdediging geschaad.

Bewezenverklaring

Onder 3 is aan verdachte en zijn mededader tenlastegelegd, dat zij opzettelijk en met voorbedachten rade slachtoffer 3 hebben gepoogd van het leven te beroven, door met een vuurwapen een kogel af te vuren in de richting van die slachtoffer 3.

Hoewel als vaststaand kan worden aangenomen dat de afstand van de positie van verdachte en zijn mededader tot slachtoffer 3 op het moment van schieten groter was dan de afstand tot de kort daarvoor beschoten slachtoffers, komt het hof, mede gelet op na te melden feiten en omstandigheden in onderling verband bezien, tot een bewezenverklaring van poging tot moord op die slachtoffer 3:

- er is geschoten met scherpe munitie;

- verdachte en zijn mededader hebben kort daarvoor gericht twee andere personen neergeschoten, waarvan één dodelijk getroffen;

- slachtoffer 3 bevond zich binnen schootsafstand van verdachte en zijn mededader;

- het beoogde slachtoffer maakte deel uit van hetzelfde groepje personen, waar de agressie van verdachte en zijn mededader tegen was gericht;

- slachtoffer 3 heeft - zakelijk weergegeven - verklaard, dat de man met het pistool zich omdraaide in haar richting, het pistool in haar richting richtte en dat zij vervolgens vuur zag komen uit de loop van het pistool;

- de aldaar aanwezige getuige (...) heeft - zakelijk weergegeven - verklaard, dat de man die zojuist meerdere keren had geschoten, in de richting van een steeg rende en voordat hij de steeg in rende zich omdraaide en nog een keer schoot in de richting van waar hij kwam, en waar, zo begrijpt het hof, het beoogde slachtoffer 3 nog stond.

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 20 april 2002 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en diens mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade slachtoffer 1 van het leven te beroven, tezamen en in

vereniging met een ander, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, als volgt heeft gehandeld:

zijnde hij, verdachte, en zijn mededader

- voorzien van een vuurwapen naar/in de richting van discotheek 151 gelopen

en,

hebbende zijn mededader

- dat vuurwapen gericht in de richting van een persoon en

- vervolgens dat vuurwapen gericht op slachtoffer 1 en

- met dat vuurwapen van korte afstand kogels afgevuurd op

het lichaam van die slachtoffer 1,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2.

hij op 20 april 2002 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk en met voorbedachten rade slachtoffer 2 van het leven heeft beroofd,

immers heeft zijn mededader, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg van verdachte en zijn mededader, met een vuurwapen van zeer korte afstand een of meer kogels afgevuurd op het lichaam van

voornoemde slachtoffer 2, tengevolge waarvan voornoemde slachtoffer 2 is overleden.

3.

hij op 20 april 2002 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en diens mededader, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade slachtoffer 3 van het leven te beroven, tezamen en in

vereniging met een ander, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg als volgt heeft gehandeld:

zijnde hij, verdachte, en diens mededader:

- voorzien van een vuurwapen naar/in de richting van discotheek 151 gelopen en

hebbende zijn mededader:

- dat vuurwapen gericht in de richting van een of meer personen (waaronder die slachtoffer 3 zich bevond) en

- dat vuurwapen gericht op een persoon en

- met dat vuurwapen kogels afgevuurd op het lichaam van die persoon en

zijnde hij, verdachte, en diens mededader

- een andere persoon achterna gelopen/gerend en

hebbende hij verdachte:

- die persoon een elleboogstoot gegeven (tengevolge waarvan deze uit balans raakte) en

hebbende zijn mededader:

- met dat vuurwapen een of meer kogels afgevuurd op het lichaam van die andere persoon en

- vervolgens dat vuurwapen gericht in de richting van die slachtoffer 3 en

- met dat vuurwapen een kogel afgevuurd in de richting van die slachtoffer 3;

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde:

telkens:

Het medeplegen van poging tot moord.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Het medeplegen van moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Toepassing van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht

De raadsman heeft betoogd, dat verdachte overeenkomstig de bijzondere bepalingen voor jeugdige personen van het minderjarigenstrafrecht berecht dient te worden, nu verdachte ten tijde van het tenlastegelegde de leeftijd van 17 jaar had. De raadsman heeft ter ondersteuning van zijn stelling uitdrukkelijk verwezen naar het omtrent de verdachte opgemaakte gedragsdeskundige rapport van dr. H. de Jong van 20 oktober 2003.

Het hof zal verdachte, gelet op de grote ernst van de feiten, het feit dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde op enkele dagen na 18 jaar was en gelet op de omstandigheid, dat verdachte zich begaf in een vriendenkring die bestond uit volwassen, berechten overeenkomstig de bepalingen van het sanctierecht voor volwassenen.

Het hof zal bij de strafoplegging wel rekening houden met de nog jeugdige leeftijd van verdachte.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte, met toepassing van het sanctierecht voor volwassenen, ter zake van het medeplegen van moord en het medeplegen van een tweetal pogingen tot moord veroordeeld tot een gevangenis-straf van 12 jaren. De verdachte is in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte, eveneens ter zake van voormelde feiten, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaren.

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden- de navolgende feiten en omstandigheden.

Het hof neemt bij de strafoplegging allereerst in aanmerking dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van moord en aan het medeplegen van een tweetal pogingen tot moord. Moord wordt algemeen als één van de meest ernstige delicten van het Wetboek van Strafrecht beschouwd.

Verdachte en zijn mededader hebben welbewust aan het leven van een jonge vrouw een einde gemaakt, door haar met een vuurwapen van dichtbij in de rug te schieten en voorts het leven van een jonge man geruïneerd, door hem met voormeld vuurwapen van dichtbij in de borst te schieten, waardoor deze voor de rest van zijn leven grotendeels verlamd zal blijven.

Door hun handelen hebben verdachte en zijn mededader aan de familie en vrienden van de slachtoffers onbeschrijfelijk en onherstelbaar leed toegebracht.

Verdachte en zijn mededader hebben voorts een andere jonge vrouw - welke getuige was van voormelde twee brute liquidaties - in een levensbedreigende situatie gebracht, door van enige afstand op haar te schieten, hetgeen haar grote angst heeft aangejaagd.

Naar het oordeel van het hof zijn de door verdachte en zijn mededader gepleegde feiten zo ernstig en gruwelijk, en voor de direct betrokkenen en de samenleving zo verontrustend, dat alleen een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur in aanmerking komt.

Gelet op de nog jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde, alsmede de omstandigheid dat verdachte niet degene is geweest die zelf heeft geschoten, bestaat er voor het hof aanleiding verdachte een lagere straf dan zijn mededader op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 47, 57, 77b en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr Otte, voorzitter,

mrs Boekhorst Carrillo en Mintjes, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr Ouweneel, griffier,

en op 5 november 2004 ter openbare terechtzitting uitgesproken.