Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AR4431

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-10-2004
Datum publicatie
27-10-2004
Zaaknummer
03/01649
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na afsluiting binnentrap is bovenwoning uitsluitend nog buitenom bereikbaar en vormt daardoor verplicht privé-vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Twaalfde Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 26 maart 2003, ingediend door A als zijn gemachtigde (hierna: de gemachtigde). Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 18 februari 2003, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000. Het beroepschrift is aangevuld bij brieven van de gemachtigde, gedagtekend 26 juni 2003 en 14 juli 2003.

1.2. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ? 405.664, waarvan een bedrag van ƒ 346.420 is belast tegen het bijzondere tarief van 45%. Het bezwaar tegen de aanslag is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een lager belastbaar inkomen.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend, waarin hij concludeert tot het ongegrond verklaren van het beroep.

1.5. De gemachtigde heeft met toestemming van het Hof een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingediend, waarin hij primair concludeert tot het ongegrond verklaren van het beroep en subsidiair tot het vernietigen van de uitspraak en het verminderen van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 365.595.

1.6. Ter zitting van 13 augustus 2004 zijn verschenen namens belanghebbende de gemachtigde, vergezeld van zijn kantoorgenote B, en namens de inspecteur C. De gemachtigde heeft een pleitnota voorgedragen en met een bijlage overgelegd. De inspecteur heeft kennis kunnen nemen van en kunnen reageren op deze bijlage.

1.7. Ter zitting is gelijktijdig behandeld het onder kenmerk 03/01648 geadministreerde beroep van de echtgenote van belanghebbende, betreffende de aan haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 1938, exploiteerde in de jaren 1965 tot 1970 in firmaverband samen met zijn vader en zijn broer een poeliersbedrijf in het pand A-straat 1 te Q.

2.2. De firma heeft in 1965 in één koop de aan elkaar grenzende panden A-straat 1 en 2 te Q gekocht en deze panden op de balans geactiveerd. Op de begane grond van A-straat 1 bevonden zich drie ruimtes ten behoeve van de onderneming van de firmanten: aan de voorkant de winkelruimte, daarachter een halletje waarin zich tevens de trap naar de bovenwoning bevond en daarachter een koelcel. Belanghebbende is vanaf 1968 de bewoner van deze bovenwoning. Het pand A-straat 1 had naast de ingang bij de winkelruimte tevens een achteringang.

2.3. Het pand A-straat 2 werd door de firma verhuurd aan een derde, die aldaar op de begane grond een (...)handel exploiteerde en de bovenverdieping bewoonde.

2.4. In 1970 is belanghebbende uit de firma getreden. Hij heeft zijn onderneming in de vorm van een eenmanszaak voortgezet. Aanvankelijk heeft hij het pand A-straat 1 gehuurd van de firma. In 1973 is belanghebbende eigenaar geworden van de panden A-straat 1 en 2 in het kader van de toescheiding bij de verdeling van het vermogen van de firma. Belanghebbende heeft beide panden op de balans gezet.

2.5. In 1972 is de huurovereenkomst met de huurder van A-straat 2 ontbonden, daarna is dit pand aan een ander verhuurd. Belanghebbende heeft kort nadien de huur van de bovenverdieping van dit pand opgezegd en in 1973 of in 1974 die bovenverdieping en de bovenverdieping van het pand A-straat 1 samengevoegd tot één door hem bewoonde woning.

2.6. In 1990 heeft belanghebbende zijn ondernemersactiviteiten te Q beperkt tot verkopen via markten en als groothandel. Hij beschikte daartoe over een achter A-straat 2 en naast het achtergedeelte van A-straat 1 gelegen plaatsje, waarop zich een schuurtje bevond. De voormalige winkelruimte werd vanaf die tijd verhuurd aan een derde. In 1990 is de binnentrap naar de bovenwoning afgesloten en is ten behoeve van de bovenwoning een buitentrap aangebracht aan de achterkant van A-straat 1.

2.7. In 1994 heeft belanghebbende zijn onderneming voortgezet in de vorm van een vennootschap onder firma, waarvan zijn echtgenote de andere vennoot is. In 2000 hebben de vennoten hun onderneming uiteindelijk geheel gestaakt. De stakingswinst is berekend op ƒ 706.783, waarvan 60% aan belanghebbende toekomt en 40% aan de echtgenote. In deze winst is begrepen een boekwinst ter grootte van ƒ 946.460 ter zake van de panden A-straat 1 en 2.

2.8. Voor de bepaling van de waarde van de panden heeft een taxatie plaatsgevonden, waarvan op 1 december 2000 een rapport is opgemaakt. In dit rapport wordt - naar het Hof begrijpt - aan beide panden een gezamenlijke waarde toegekend van ƒ 970.000.

In het rapport is voorzover thans van belang het volgende opgenomen:

“(...). De bovenwoning inclusief overpad over privé-gedeelte, (...) en een uitpad naar de (...)straat.

(...)Inclusief het gedeelte in eigen gebruik waarin een koelcel en een slachtruimte (...)”.

2.9. Bij de aanslagregeling is de aangifte op dit punt gevolgd.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil in hoeverre de panden A-straat 1 en A-straat 2 tot het privé-vermogen moeten worden gerekend. Belanghebbende stelt dat A-straat 2 en de bovenwoning van A-straat 1 steeds verplicht privé-vermogen zijn geweest en de benedenverdieping van A-straat 1 vanaf 1990. De inspecteur verdedigt primair dat deze panden nooit tot het privé-vermogen mochten worden gerekend en subsidiair dat alleen de bovenwoningen vanaf 1990 tot het verplichte privé-vermogen behoren.

4. Standpunten van partijen en behandeling ter zitting

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

4.2.1. Ter zitting is namens belanghebbende nog het volgende aangevoerd:

Ik weet niet welke grond op de balans staat. Het stukje grond met kadastraal nummer (aabb) is voor ƒ 18.880 kosten koper gekocht in privé. De bovenwoning is alleen via de buitentrap te bereiken. We kunnen ervan uitgaan dat die er vanaf 1990 is. Ik teken nu de situatie zoals die voor 1990 moet zijn geweest, maar die tekening is niet op schaal en bovendien in spiegelbeeld. De bovenwoning was via de binnentrap te betreden, maar wel via de achterkant. Toen belanghebbende de bovenwoning van nr. 2 bij zijn woning trok, heeft hij de binnentrap van nr. 2 dichtgemaakt. In 1990 is de andere binnentrap ook dichtgemaakt. Ik heb geen idee waarom beide panden bij de aankoop in 1965 op de balans van de firma zijn gezet. Dat had niet gemoeten voor het pand A-straat 2. Toen belanghebbende beide panden in zijn bezit kreeg heeft hij waarschijnlijk niet nagedacht over de vraag of die panden wel tot het ondernemingsvermogen konden worden gerekend, hij deed gewoon wat voorheen door de firma gedaan werd, namelijk ze op de balans zetten.

In 1970 is belanghebbende uit de firma getreden omdat hij een winkelbedrijf voldoende vond, terwijl zijn vader en broers wilden uitbreiden.

4.2.2. Ter zitting is namens de inspecteur nog het volgende aangevoerd:

Achter het pand lag een stukje grond dat ook een functie voor de onderneming had, ik wil daar geen hard punt van maken. Niemand weet wat indertijd de overwegingen zijn geweest om de panden op de balans te zetten. Het is niet zonder meer aannemelijk dat er toen al een foute etikettering heeft plaatsgevonden.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Het Hof stelt voorop dat belanghebbende de panden A-straat 1 en A-straat 2 steeds geheel op de balans heeft geactiveerd en daarmee tot zijn ondernemingsvermogen heeft gerekend. Het ligt dan op de weg van belanghebbende om aan te tonen dat en in hoeverre die panden vanaf enig moment niettemin behoorden tot zijn verplichte privé-vermogen. Dit laatste is het geval indien hij aannemelijk maakt dat een rechtstreekse band tussen (één of meer gedeelten van) die panden en de bedrijfsuitoefening steeds geheel of nagenoeg geheel heeft ontbroken, dan wel zich een wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan, die meebrengt dat de grenzen van de redelijkheid zouden worden overschreden door (één of meer gedeelten van) die panden tot het ondernemingsvermogen te blijven rekenen.

5.2. De panden A-straat 1 en 2 bevatten elk een op de begane grond aanwezige bedrijfsruimte en een op de bovenverdieping aanwezig woonruimte. De woonruimte boven A-straat 2 is in de jaren 70 bij de woonruimte boven A-straat 1 getrokken waardoor één woonruimte is ontstaan. Het Hof ziet hierin reden de toerekening aan het ondernemingsvermogen van de begane grond van A-straat 1 en die van A-straat 2 afzonderlijk te beoordelen en de toerekening van de bovenverdiepingen gezamenlijk te beoordelen.

5.3. Ten aanzien van de begane grond van het pand A-straat 2 stelt belanghebbende zich kennelijk op het standpunt dat tussen dit onderdeel van het pand en de bedrijfsuitoefening van belanghebbendes onderneming vanaf het begin (nagenoeg geheel) geen band heeft bestaan. Het gehele pand heeft evenwel op de balans van zijn onderneming gestaan sinds 1973 en voordien vanaf 1965 op de balans van de firma. De inspecteur heeft aangevoerd dat niet bekend is waarom dit pand in het verleden op de balans is gezet en dat mitsdien niet uitgesloten kan worden dat met die activering een bedrijfsbelang werd gediend. Tegenover dit standpunt van de inspecteur acht het Hof belanghebbende er niet in geslaagd feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die tot het oordeel kunnen leiden dat de indertijd gemaakte keuze in strijd is met de grenzen van de redelijkheid. Ook zijn er geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan in de loop der jaren tot een andere keuze had moeten worden overgegaan. Om die reden verwerpt het Hof de stelling van belanghebbende dat de begane grond van het pand A-straat 2 niet tot het ondernemingsvermogen mag worden gerekend.

5.4. De begane grond van A-straat 1 werd tot 1990 gebruikt ten behoeve van belanghebbendes onderneming. Vanaf dat jaar heeft belanghebbende de op die begane grond aanwezige winkelruimte verhuurd aan een derde. Hij heeft hierin echter geen reden gezien de ruimten op de begane grond niet langer tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen. Belanghebbende stelt kennelijk dat hij hiermee heeft de grenzen van de redelijkheid heeft overschreden. Hij heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt dat er nagenoeg geheel geen band meer bestond tussen de ruimten op de begane grond en zijn bedrijfsuitoefening. Ook in het taxatierapport, waarin wordt verwezen naar de voor eigen gebruik bestemde koelcel, is geen steun te vinden voor zijn stelling. De omstandigheid dat de winkelruimte aan een derde is verhuurd leidt niet tot een ander oordeel.

5.5.1. De door belanghebbende bewoonde woning op de bovenverdiepingen was tot in 1990 te bereiken vanuit het halletje in de bedrijfsruimte van belanghebbende op A-straat 50. Dat het halletje waarin de trap naar de bovenwoning zich bevond niet alleen via de winkel, doch ook via een achteringang bereikbaar was doet er niet aan af dat er op grond van die verbinding tussen de bovenverdieping en de bedrijfsruimte geen sprake is van het nagenoeg geheel ontbreken van een band tussen de bovenverdiepingen en de bedrijfsruimte, zodat voor de periode tot 1990 niet geoordeeld kan worden dat de grenzen der redelijkheid zijn overschreden door die bovenverdiepingen tot het ondernemingsvermogen te rekenen.

5.5.2. Deze situatie is in 1990 gewijzigd als gevolg van de verhuur van de winkelruimte aan een derde. De inpandige toegang tot de bovenwoning werd afgesloten en er werd een buitentrap aangebracht, die als enige toegang geeft tot de bovenwoning. Vanaf dat moment ontbreekt voornoemde band (nagenoeg) geheel, hetgeen meebrengt dat de bovenwoning niet langer tot het ondernemingsvermogen mag worden gerekend.

5.6. Uit de inhoud van het onder 2.8 bedoelde taxatierapport kan het Hof niet afleiden dat daarbij ten onrechte de waarde van het tot het privé-vermogen behorende kadastrale perceel (aabb) in de waarde van de getaxeerde panden zou zijn begrepen. Hiertoe is onvoldoende dat bij de waardering rekening is gehouden met een recht van overpad over dit perceel. Het Hof ziet om die reden geen aanleiding voor een correctie op de in het rapport opgenomen taxatie.

5.7. Het vorenoverwogene brengt mee dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen de benedenverdiepingen van de panden A-straat 1 en 2 en de bedrijfsuitoefening op enig moment nagenoeg geheel geen band heeft bestaan. Wel heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat de bovenverdiepingen van deze panden vanaf 1990 tot het privé-vermogen moeten worden gerekend, gelijk de inspecteur in zijn subsidiaire standpunt heeft gesteld.

5.8.1. Nu de bovenverdiepingen vanaf 1990 tot het privé-vermogen hadden moeten worden gerekend dient de met de overbrenging naar het privé-vermogen behaalde boekwinst geheel aan belanghebbende te worden toegerekend en te worden berekend op de waarde van die bovenverdiepingen in 1990 minus de voor dat jaar aan de bovenverdiepingen toe te kennen boekwaarde.

5.8.2. De inspecteur heeft deze boekwinst aldus berekend op ƒ 30.000. Belanghebbende heeft zich hier niet over uitgelaten en het Hof heeft ook overigens geen reden de inspecteur in dezen niet te volgen.

5.9.1. Het voorgaande brengt mee dat de bij de onderhavige stakingswinst in aanmerking genomen boekwinst op de panden dient te worden aangepast in die zin dat deze uitsluitend betrekking heeft op de begane grond van de panden A-straat 1 en 2.

5.9.2. Belanghebbende heeft gesteld dat de aan de panden toegekende waarde van ƒ 970.000 als volgt is te specificeren:

Begane grond A-straat 1 ƒ 513.000

Begane grond A-straat 2 ƒ 330.000

Bovenverdiepingen 1 en 2 ƒ 127.000.

Hij heeft de boekwinst op deze drie onderdelen per onderdeel berekend waarbij hij is uitgegaan van herrekende boekwaarden. Nu voor de winstberekening alleen kan worden uitgegaan van de boekwaarde zoals die op de balans is opgenomen, verwerpt het Hof deze berekeningen van belanghebbende.

5.9.3. Het Hof sluit zich aan bij de ook niet door belanghebbende betwiste berekeningen van de inspecteur, waarbij de inspecteur de hiervoor door belanghebbende gegeven specificatie heeft overgenomen en hij de helft van de boekwaarde van de panden (afgerond ƒ 12.000) heeft toegerekend aan de begane grond van de panden A-straat 1 en 2, zodat de boekwinst op de begane grond van deze panden (513.000+330.000-12.000=) ƒ 831.000 beloopt. Ten opzichte van de bij de aanslag in aanmerking genomen boekwinst op deze panden ad ƒ 946.460 is dit een vermindering van de stakingswinst ad (afgerond) ƒ 706.000 met (afgerond) ƒ 115.000 tot (afgerond) ƒ 590.000, waarvan 60% (ƒ 354.000) aan belanghebbende moet worden toegerekend. Na aftrek van de vrijstelling resteert een stakingswinst van ƒ 309.000.

5.10. Het belastbare inkomen wordt aldus berekend op ƒ 365.595, waarvan een bestanddeel ad ƒ 339.000 is belast tegen het bijzondere tarief van 45%.

6. Proceskosten

6.1. Het vorenoverwogene brengt mee dat het beroep gegrond is. Het Hof acht termen aanwezig de inspecteur op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende. Deze kosten dienen in het onderhavige geval te worden berekend op de voet van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).

6.2. Voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a van het Besluit dienen het door de echtgenote ingestelde beroep betreffende de aan haar opgelegde aanslag en het onderhavige beroep als samenhangende zaken te worden beschouwd, zodat zij voor het berekenen van de proceskosten als één zaak hebben te gelden. Hiervan uitgaande stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij dat besluit opgenomen tarief op 2,5 (beroepschrift, repliek en verschijnen zitting) x € 322 x 1 (wegingsfactor) = € 805. Voor het onderhavige beroep wordt de veroordeling beperkt tot de helft van dat bedrag, derhalve tot € 402,50.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak,

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 365.595,

waarvan een bestanddeel ad ƒ 339.000 is belast tegen het bijzondere tarief van 45%,

- veroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte kosten van het geding tot een bedrag van € 402,50 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen en

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 31 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 22 oktober 2004 door mr. Onnes, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het indienen van het beroep ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.